Lees meer in de onderliggende hoofdstukken.
Introductie, materialen & referenties
JGZ-richtlijn Depressie
JGZ-richtlijn Depressie
Let op: deze richtlijn is momenteel in herziening.
Dit betekent niet dat de inhoud van deze richtlijn incorrect is. Tot de herziening blijft de richtlijn leidend voor de praktijk. Wel bestaat er een kans dat een deel van de informatie verouderd is.
Heb je feedback over deze JGZ-richtlijn? Vul dan het feedback formulier in op de introductie pagina van de richtlijn.
Let op: feedback ronde loopt
Dit betekent niet dat de inhoud van deze richtlijn incorrect is. Tot de herziening blijft de richtlijn leidend voor de praktijk. Wel bestaat er een kans dat een deel van de informatie verouderd is.
Heb je feedback over deze JGZ-richtlijn? Vul dan het feedback formulier in op de introductie pagina van de richtlijn.
Let op: Praktijktest bezig
Dit betekent niet dat de inhoud van deze richtlijn incorrect is. Tot de herziening blijft de richtlijn leidend voor de praktijk. Wel bestaat er een kans dat een deel van de informatie verouderd is.
Heb je feedback over deze JGZ-richtlijn? Vul dan het feedback formulier in op de introductie pagina van de richtlijn.
Richtlijn inhoudsopgave
1 Inleiding Ga naar pagina over 1 Inleiding
2 Kennismodule Ga naar pagina over 2 Kennismodule
3 Signaleren, diagnostiek en verwijzen Ga naar pagina over 3 Signaleren, diagnostiek en verwijzen
4 Begeleiden en behandelen Ga naar pagina over 4 Begeleiden en behandelen
5 Preventie Ga naar pagina over 5 Preventie
6 Samenwerken Ga naar pagina over 6 Samenwerken
7 Suïcidaliteit Ga naar pagina over 7 Suïcidaliteit
8 Totstandkoming Ga naar pagina over 8 Totstandkoming
9 Verantwoording Ga naar pagina over 9 Verantwoording
10 Bijlage Brede Anamnese Ga naar pagina over 10 Bijlage Brede Anamnese
1 Inleiding Ga naar pagina over 1 Inleiding
2 Kennismodule Ga naar pagina over 2 Kennismodule
3 Signaleren, diagnostiek en verwijzen Ga naar pagina over 3 Signaleren, diagnostiek en verwijzen
4 Begeleiden en behandelen Ga naar pagina over 4 Begeleiden en behandelen
5 Preventie Ga naar pagina over 5 Preventie
6 Samenwerken Ga naar pagina over 6 Samenwerken
7 Suïcidaliteit Ga naar pagina over 7 Suïcidaliteit
8 Totstandkoming Ga naar pagina over 8 Totstandkoming
9 Verantwoording Ga naar pagina over 9 Verantwoording
10 Bijlage Brede Anamnese Ga naar pagina over 10 Bijlage Brede Anamnese
Deze richtlijn heeft geen bijgevoegde bestanden
Deze richtlijn heeft geen bijgevoegde referenties
1 Inleiding
Depressieve klachten komen frequent voor bij jeugdigen. Op de leeftijd van 19 jaar heeft al bijna een kwart van de jeugdigen een depressieve periode doorgemaakt. Zonder specifieke aandacht blijven depressieve klachten bij jeugdigen vaak onopgemerkt en kunnen de klachten toenemen. Jeugdgezondheidszorg (JGZ) professionals krijgen in hun dagelijkse praktijk te maken met jeugdigen die een verhoogd risico lopen op het ontwikkelen van een depressie of al klachten van een depressie vertonen. Wanneer de JGZ-professional kennis heeft van (signalen van) depressieve klachten, de risicofactoren voor het ontstaan en het beloop kan deze hierop alert zijn en verergering voorkomen. De richtlijn is een leidraad voor JGZ-professionals om samen met de individuele jeugdige (en ouder/betrokkenen) de juiste afwegingen te maken. Doel van de richtlijn is het ondersteunen van het handelen van de JGZ-professional bij voorlichting, preventie, signalering, ondersteuning, monitoring en indien nodig toeleiden naar verdere diagnostiek bij depressie.
Afstemming
De richtlijn sluit aan bij de JGZ-richtlijn Psychosociale problemen (2016), de JGZ-richtlijn Seksuele Ontwikkeling [112], de JGZ-richtlijn Pesten [113], de richtlijn Stemmingsproblemen voor de jeugdhulp en jeugdbescherming [114] en de multidisciplinaire richtlijn Depressie [115].
Expert opinion
Naast wetenschappelijk bewijs kan de richtlijn ook bevindingen op basis van de zogenoemde “expert opinion” bevatten. Niet altijd is voor een onderwerp dat relevant is voor de (klinische) praktijk wetenschappelijke evidentie te vinden. In zulke gevallen is de richtlijnwerkgroep aangewezen op de praktijkervaringen van de aangesloten experts. De experts zullen in dergelijke gevallen – op basis van consensus – onderwerpen in de richtlijn plaatsen die zij van belang achten voor de uitvoering van de richtlijn in de dagelijkse praktijk. Deze onderwerpen worden altijd aangeduid met de toevoeging “(expert opinion)”.
Herziening
De richtlijn is gedeeltelijk herzien, met de focus op het onderdeel over suïcidaliteit. De modules over depressie zullen in de toekomst worden herzien.
2 Kennismodule
Deze kennismodule heeft betrekking op het thema depressie bij jeugdigen. De kernpunten vormen de samenvatting van de belangrijkste informatie uit deze kennismodule.
Kernpunten
- De JGZ-professional heeft kennis van de problematiek die gepaard kan gaan met depressieve klachten, zoals een angst- of gedragsstoornis.
- De JGZ-professional heeft kennis van de risicofactoren en de beschermende factoren voor depressie.
- De JGZ-professional weegt de risicofactoren en de beschermende factoren en registreert deze in het DD-JGZ volgens het Basisdataset-protocol horend bij deze richtlijn.
- De JGZ-professional weegt de risicofactoren en de beschermende factoren bij de jeugdigen bij wie meerdere risicofactoren opeenstapelen.
- De JGZ-professional is bij ingrijpende levensgebeurtenissen extra alert op een risico op een depressie door afname van een specifieke anamnese en monitort hierop.
- De JGZ-professional is alert op comorbiditeit en hoog risicogroepen.
2.1 Uitgangsvragen
- Welke problematiek (psychisch, biologisch en sociaal) kan gepaard gaan met depressieve klachten bij jeugdigen?
- Wat zijn risicofactoren voor het ontstaan van depressieve klachten bij jeugdigen van 0-19 jaar?
- Zijn er verschillen in risicofactoren als rekening wordt gehouden met diversiteit?
2.2 Definitie, achtergrond en juridische kaders
Met de JGZ-professional bedoelen we de jeugdarts, jeugdverpleegkundige en verpleegkundig specialist. Daar waar jeugdarts staat kan verpleegkundig specialist gelezen worden. Afhankelijk van afspraken in de organisatie kunnen taken uitgevoerd worden door de jeugdarts, jeugdverpleegkundige of verpleegkundig specialist. Daar waar ouders staat, kan verzorgers of naasten worden gelezen. Daar waar “hij” staat kan ook “zij/die/hen/hun” gelezen worden.
Voor juridische aandachtspunten en vraagstukken wordt verwezen naar de Juridische Toolkit van het NCJ. Daarnaast kan bij specifieke vragen contact worden opgenomen met de artseninfolijn van KNMG.
2.2.1 Wat is een depressie?
Depressieve stoornis
De DSM-5 classificatie van de depressieve stoornis, aangevuld met kenmerken die vaak ook worden gezien, staan beschreven in het Kompas kinder- en jeugdpsychiatrie [63]:
Vijf (of meer) van de volgende symptomen zijn tegelijkertijd ten minste twee weken aanwezig geweest, terwijl dat daarvoor niet zo was. Daarbij moet in elk geval horen ofwel een sombere stemming ofwel verlies van interesse of plezier.
- Sombere stemming gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag, zoals blijkt uit ofwel subjectieve mededelingen (bijvoorbeeld voelt zich verdrietig of leeg) ofwel observatie door anderen (bijvoorbeeld: heeft tranen in de ogen; dit kan ook een prikkelbare stemming zijn).
- Duidelijke vermindering van interesse of plezier in alle of bijna alle activiteiten gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag (zoals blijkt uit subjectieve mededelingen of uit observatie door anderen).
- Duidelijke gewichtsvermindering zonder dat dieet gehouden wordt of gewichtstoename (bijvoorbeeld meer dan vijf procent van het lichaamsgewicht in één maand) of bijna elke dag afgenomen of toegenomen eetlust, of, bij jeugdigen, het niet bereiken van de te verwachten gewichtstoename.
- In- of doorslaapproblemen, of slaperigheid overdag, bijna elke dag.
- Opgewonden bewegen of juist een remming van het bewegen (waarneembaar voor anderen en niet alleen maar een subjectief gevoel van rusteloosheid of vertraagdheid), bijna elke dag.
- Moeheid of verlies van energie, bijna elke dag.
- Gevoelens (die waanachtig kunnen zijn) van waardeloosheid met of buitensporige of niet reële schuldgevoelens (niet alleen maar zelfverwijten of schuldgevoel over het ziek zijn), bijna elke dag.
- Verminderd vermogen tot nadenken of concentratie, of besluiteloosheid (ofwel subjectief vermeld ofwel geobserveerd door anderen), bijna elke dag.
- Terugkerende gedachten aan de dood (niet alleen de vrees dood te gaan), terugkerende suïcidegedachten zonder dat er specifieke plannen gemaakt zijn, of een suïcidepoging of een specifiek plan om suïcide te plegen.
Persisterende depressieve stoornis (dysthymie)
Sombere of prikkelbare stemming gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag, zoals blijkt uit ofwel subjectieve mededelingen ofwel observatie door anderen, gedurende ten minste een jaar. Tijdens de sombere stemming twee (of meer) van de volgende symptomen.
- Slechte eetlust of te veel eten.
- In- of doorslaapproblemen, of versterkte slaperigheid overdag.
- Vermoeidheid of verlies van energie.
- Laag zelfgevoel.
- Slechte concentratie of moeite met beslissingen nemen.
- Gevoelens van hopeloosheid.
2.2.2 Differentiaal diagnose
Verschil tussen depressie en depressieve klachten
In de richtlijn wordt gesproken over depressie en depressieve klachten. Bij depressieve klachten is er sprake van een aantal klachten die bij een depressie horen, zoals een sombere stemming, nergens zin in hebben, slecht slapen, slecht eten, slechte concentratie, suïcidale gedachten etc., zonder dat er voldaan wordt aan de criteria voor het stellen van een depressie, namelijk minstens 2 weken een sombere stemming en daarnaast minstens 5 andere symptomen.
Kenmerken die vaak ook worden gezien
Naast problemen met eten of slapen, kunnen ook andere lichamelijke klachten optreden, zoals hoofdpijn en buikpijn. Het verschil tussen normaal verdriet en een depressie kan zichtbaar worden in de contacten met anderen. Verdriet roept bij de omgeving medeleven op, en over het algemeen ervaren verdrietige jeugdigen dit als prettig. Bij depressieve jeugdigen is daarentegen vaak sprake van een geprikkelde reactie op blijken van medeleven. Zij kunnen een boze, kritische uitstraling vertonen. Wanneer het lukt tot hen door te dringen, blijkt die houding nogal eens op zelfkritiek te berusten, alsof de jeugdige daarmee wil zeggen: ‘Laat mij met rust, ik ben toch de moeite niet waard!’ Zelfkritiek en gevoelens van hopeloosheid kunnen bij jeugdigen tegendraads of antisociaal gedrag met zich brengen. Dat dit negatieve reacties uitlokt, lijkt dan geen indruk meer te maken.
2.2.3 Prevalentie depressie
De prevalentie van depressie bij baby’s is niet bekend, omdat er op populatieniveau nauwelijks onderzoek naar te verrichten is. Bij de overige jeugdigen is wel veel onderzoek gaan in de algemene bevolking. In het algemeen kan gesteld worden dat bij kinderen onder de 5 jaar de prevalentie tussen de 0,9-2% is [18][19]. Cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek [116] laten zien dat onder de groep jeugdigen van 12 tot 16 jaar 2,6% in de afgelopen 12 maanden met een depressie te maken heeft gehad. Voor de groep van 16 tot 20 jaar ligt het percentage op 8,5% [116]. Prevalentiecijfers verschillen niet alleen per leeftijdscategorie. In de adolescentie komt een depressie bij meisjes veel vaker voor (verhouding 1:2), hoewel er voor de puberteit nauwelijks verschil is tussen de twee seksen [13][18][38]. Verder blijkt dat subklinische of lichte klachten relatief vaak voorkomen bij jongeren (10–20%) [30]. Als een jongere een zelfscoreformulier invult kan de prevalentie van een depressie zelfs 20-50% zijn [29].
2.2.4 Beloop van depressie bij jeugdigen
Naar het beloop van een depressie bij jeugdigen zijn veel studies gedaan. De studies gaan voornamelijk in op de verschillen in prevalentie tijdens bepaalde leeftijdsfasen, spontaan herstel, risico op terugval en jeugddepressie als voorspeller voor een depressie op latere leeftijd. Opvallend is dat cijfers soms zeer uiteenlopen, dit wordt veroorzaakt door het verschil tussen de sekse (depressie komt meer voor bij adolescente vrouwen) en ernst van de depressie (een lichte depressie verloopt anders dan een ernstige). Ook de wijze waarop de onderzoeksdata zijn verzameld zorgt voor verschil in cijfers, in welke populatie is bijvoorbeeld het onderzoek verricht (algemene bevolking, eerste lijn of gespecialiseerde GGZ) en wie was de informatiebron (beoordeling door een professional, zelfinvullijst door de jeugdige en/of informatie van de ouder).
Spontaan herstel en terugval
De meeste jeugdigen herstellen spontaan en zonder interventie van een depressieve periode: 10% herstelt binnen drie maanden, 40% binnen één jaar en na twee jaar een verdere 20-30% [65][66]. Ondanks dat het merendeel van de jeugdigen (spontaan) herstelt van een depressieve periode betekent het niet dat deze groep depressievrij blijft. Het blijkt namelijk dat een terugval vaak voorkomt bij jeugdigen die een eerdere depressie hebben meegemaakt [28]. Zo heeft bijvoorbeeld 70% van de jeugdigen met een persisterende depressieve stoornis (voorheen: dysthyme stoornis) een terugval na twee tot drie jaar [67]. Een mogelijke verklaring voor deze kwetsbaarheid voor een terugval is dat een depressieve periode kan leiden tot biologische veranderingen en psychologische littekens [33][35][37][104]. Vervolgens zijn er na een depressieve periode minder krachtige psychosociale factoren nodig om een terugval te veroorzaken [26][27].
Depressie bij jeugdigen als voorspeller voor depressie in het latere leven
Subklinische depressieve symptomen (depressieve klachten die niet voldoen aan de criteria voor een depressieve stoornis, maar die wel een aanzienlijke impact op iemands welzijn en functioneren kunnen hebben) zoals sombere stemming en verlies van interesse of plezier (anhedonie), zijn een voorspeller voor het ontwikkelen van een ernstige depressie als men volwassen is [21][31][32]. Tevens is er meer risico op een depressie tijdens de volwassenheid als tijdens de adolescentie de depressie gepaard ging met een comorbide angststoornis of een externaliserende stoornis [20] of wanneer een negatief life event (zoals: overlijden van een familielid, meemaken van een ernstig ongeluk, scheiding van ouders) heeft plaatsgevonden [36]. Ook is gebleken dat volwassenen met een bipolaire stoornis in de jeugd vaak een depressie doorgemaakt hebben [23][39].
Een depressie vóór de puberteit is een voorspeller voor het ontstaan van gedragsproblemen, een verminderd psychosociaal functioneren en lagere prestaties op school [1][24][39].
2.3 Risicofactoren
De factoren die van invloed zijn op het ontstaan van depressieve klachten zijn ingedeeld naar factoren bij de jeugdige, ouderfactoren en factoren in de leefomgeving. Deze indeling sluit aan bij de bestaande wetenschappelijke literatuur over stemmingsproblemen. Belangrijk is ook het onderscheid tussen risicofactoren en beschermende factoren, deze dienen in balans te zijn om een depressie te voorkomen.
De teksten zijn grotendeels overgenomen uit de Richtlijn Stemmingsproblemen in de Jeugdzorg [75]. Bedenk dat in onderhavige richtlijn de opgenomen risicofactoren niet specifiek voor depressie zijn.
Levensgebeurtenissen
Een belangrijke ontwrichtende factor is de zogenoemde ingrijpende levensgebeurtenis (life event) [18][94]. Een belangrijk risico vormen met name de negatieve ingrijpende levensgebeurtenissen, zoals het verlies van een ouder/familielid, echtscheiding van de ouders, verhuizing/schoolwisseling, moeten vluchten uit een (geboorte)land, ernstige ziekte en mishandeling/seksueel misbruik. De oorzaak van een acute depressie is in 50-70% van de gevallen een ingrijpende levensgebeurtenis [18].
Jeugdige
Bij de jeugdige zijn risicofactoren onder meer:
- Een geremd temperament (introvert, negatieve gevoelens bij zich houden) of de neiging om snel boos, angstig of verdrietig te reageren op prikkels uit de omgeving [94].
- Extravert temperament met daarbij een afwijzende houding van ouders op storend gedrag [18].
- Negatieve cognitieve stijl; nieuwe ervaringen worden negatief geïnterpreteerd als gevolg van een eerdere negatieve of pijnlijke ervaring [3][43][18].
- Puberteit, met name bij meisjes/jonge vrouwen [18].
- Al eerder een depressieve periode hebben meegemaakt of een dysthyme stoornis [67]. Het risico op herhaling lijkt toe te nemen bij een toenemend aantal periodes [18].
- Angstsymptomen of een angststoornis gaan vaak vooraf aan de depressieve stoornis [44][49][51]. Daarbij is de ernst van sociale angstsymptomen bij 11- tot 14-jarigen voorspellend voor depressieve symptomen [41].
- Psychische comorbiditeit (zoals middelenmisbruik, ADHD, angststoornis, eetstoornis) [2][3].
- Een chronische somatische ziekte [3].
- Genetische factoren [106], zie ook 'Ouders'.
- Beperkte cognitieve vaardigheden [73].
- Leerproblemen (zie ook 'School').
- Traumatische ervaringen (zie ook ‘Levensgebeurtenis’).
- Onveilige hechting [18].
- Transitiemomenten(expert opinion).
- Sportblessure (expert opinion).
- Als er seksuele en/of gendervraagstukken (LHBTIQ+) spelen [117][118].
- Weinig sociale steun en eenzaamheid ervaren (expert opinion).
Ouders
Belangrijke risicofactoren voor de jeugdige om depressieve klachten te ontwikkelen zijn:
- Als één of beide ouders een angststoornis of een depressie heeft/hebben [18][94]. De oorzaak is dan niet alleen genetisch; er kan door de ziekte van de ouder een ongunstig opvoedings- en gezinsklimaat ontstaan. De kinderen hebben een drie tot vier keer verhoogde kans op depressie in vergelijking met kinderen van ouders zonder depressie en/of angststoornis.
- Ook kinderen van ouders met andere psychische problematiek (KOPP) en kinderen van verslaafde ouders (KVO) kunnen zich afgewezen, schuldig en overbelast voelen door de problematiek van de ouder [18]. Bovendien kopieert een kind het gedrag dat hoort bij de ziekte van de ouder [18].
- Opvoedstijlen van ouders met en zonder psychopathologie kunnen ook een risico vormen, zoals een overmatig beschermende, overmatig kritische of autoritaire opvoedingsstijl [94].
- Relatieproblemen of ruzies tussen de ouders of een scheiding hebben een negatieve impact op het welbevinden [94].
- Kinderen met een ouder/gezinslid met een chronische ziekte, die veel aanpassing vraagt van het kind, hebben een hoger risico om een depressie te ontwikkelen [18].
School
De volgende schoolgerelateerde factoren kunnen mede de oorzaak vormen van het ontwikkelen van depressieve klachten. Bij jeugdigen met een depressie worden regelmatig de volgende problemen op school gesignaleerd. Het is daarbij vaak niet duidelijk wat oorzaak en wat gevolg is van de depressie.
- Weinig goede vriendschappen, leerproblemen of problemen met de leerkracht [94].
- Uitsluiting en gepest worden, met name bij adolescenten [18][45].
- Overvraagd/Ondervraagd worden op school, vaak doordat het onderwijsniveau relatief te hoog/laag is. De school past daardoor niet bij de cognitieve mogelijkheden van de jeugdige (expert opinion).
Leefomgeving
Gelet op de leefomgeving kunnen de volgende factoren het risico op depressieve klachten vergroten:
- Gezin met een laag inkomen, slechte behuizing en/of wonen in een slechte buurt [50][94].
- Leven tussen twee culturen [71].
- Dak-, thuisloos, asielzoeker en/of illegaal zijn (expert opinion).
Risicogroepen
Jeugdigen met een gemiddelde tot lage veerkracht, bij wie meerdere risicofactoren en/of negatieve levensgebeurtenissen opstapelen, hebben een verhoogd risico op depressieve klachten [18][94].
Voorbeelden kunnen zijn:
- Mishandelde, verwaarloosde en seksueel misbruikte jeugdigen. Zie ook de JGZ-richtlijn Kindermishandeling.
- Prikkelbare jongens in de adolescentie met somberheid of neerslachtigheid (hoewel adolescente meisjes in absolute zin meer risico kunnen lopen op een depressie).
- Jeugdigen met psychische comorbiditeit [47].
- Kinderen van depressieve ouders en over het algemeen KOPP/KVO-kinderen [46].
- Jeugdigen die blootgesteld zijn aan veel stress, bijvoorbeeld door scheiding van de ouders of verlies van een ouder [46], met een hoger risico na een suïcide van een ouder.
- Delinquente jeugdigen [48].
- Bij vmbo-leerlingen is de kans op psychosociale problemen veel groter (25%), dan bij vwo-leerlingen (10%) [74].
- Minderjarige asielzoekers, binnen deze groep lopen de alleenstaande jeugdigen (AMA’s) een nog groter risico op een depressie [42]. Met mogelijk een groter risico op chronisch beloop door onzekerheid over de verblijfsstatus [42].
- Jeugdigen met ouders die de lat te hoog leggen wat betreft schoolprestaties (expert opinion).
- Meisjes met een migratieachtergrond die zich melden in de zorg (expert opinion).
- Bij jeugdigen die met seksuele en/of gendervraagstukken (LHBTIQ+) rondlopen is er een verhoogd risico op depressie [117][118][119][120]. In een studie van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) bleek bijna één op de drie LHB-scholieren zich in het afgelopen half jaar ten minste wekelijks ongelukkig te voelen, tegenover 10% onder de heteroseksuele scholieren [121].
2.4 Beschermende factoren
Beschermende factoren kunnen het effect van eerder genoemde risicofactoren verminderen of ongedaan maken. Dit betekent dat de invloed van risicofactoren mede wordt bepaald door de aan- of afwezigheid van beschermende factoren [18]. Beschermende factoren kunnen niet automatisch de risicofactoren opheffen (het is geen optel- en aftreksom van factoren) [72].
De belangrijkste beschermende factoren op het gebied van leefomgeving, school, ouders en de jeugdige zelf worden hier opgesomd.
Jeugdige
De volgende kenmerken hebben een beschermende werking:
- Veilige hechting [18].
- Sociale competentie [76].
- Communicatieve vaardigheden en openheid in de communicatie [18].
- Zelfinzicht, een realistische zelfwaardering, zelfvertrouwen [94].
- Het plannen van en deelnemen aan plezierige activiteiten [18].
- Goede lichamelijke gezondheid [18].
- Veerkracht, weerbaarheid tegen stress, eerdere positieve ervaringen in het omgaan met stress [18].
- Vaardigheden om met problemen om te gaan [94].
- Hoge intelligentie (expert opinion).
- Begrip, kennis van depressie en wat eraan gedaan kan worden (expert opinion).
- (Indien dit aan de orde is) een heldere kijk op de psychische problematiek van de ouder (expert opinion).
- Een gemakkelijke (flexibele) persoonlijkheid (expert opinion).
- Goede interpersoonlijke relaties, makkelijke omgangsstijl met anderen (expert opinion).
- Het gevoel controle te hebben over situaties (expert opinion).
- Deelnemen aan fysieke activiteiten kan bevorderlijk zijn (expert opinion).
Ouders
- De aanwezigheid van ten minste één steunende ouder [94].
- Een goed gezinsklimaat [94].
- Goede onderlinge relatie tussen de ouders [94].
Leefomgeving
- Steun uit de omgeving van zowel volwassenen als leeftijdsgenoten [40][94].
- Positieve schoolervaringen [94].
- Deelname aan sport, club- of verenigingsleven [94].
- Weinig ruzie in het gezin [18].
- Goede en stimulerende contacten [18].
2.5 Comorbiditeit
Depressie gaat bij jeugdigen erg vaak samen met andere psychiatrische stoornissen. Er is bij 42% [14] tot 75% [11][16] van de jeugdigen met een depressie een comorbide stoornis aanwezig. Bij 20-50% zijn er zelfs twee of meer bijkomende diagnoses [8]. Als er sprake is van comorbiditeit, is de duur van de depressie vaak langer. Bovendien werkt de behandeling minder goed en is het risico op een terugval en de kans op een suïcidepoging groter [6][15].
De figuur hieronder laat zien welke comorbide psychische stoornissen regelmatig voorkomen bij jeugdigen met een depressieve stoornis [1][3][5][7][9][18][105][122].
Figuur 1. Comorbiditeit bij jeugdigen met een depressieve stoornis
De aanwezigheid van comorbiditeit kan per leeftijdsfase en sekse verschillen. Bij kinderen onder de twaalf jaar is het lastig een verschil te maken tussen een angststoornis en een depressie [4]. Voor de adolescentie komen separatieangst, ADHD [17] en gedragsproblemen meer voor [10] bij personen met een depressie. Bij mannelijke adolescenten met een depressie komt de oppositioneel-opstandige stoornis (ODD) regelmatig voor en bij vrouwen met een depressie juist eetproblemen [12].
2.6 Gevolgen van depressie
Een depressie kan het goed uitvoeren van ontwikkelingstaken die bij een bepaalde levensfase passen, in de weg staan. Zo kan een depressie op jonge leeftijd een negatieve invloed hebben op schoolprestaties. Ook kan het leiden tot problemen in het omgaan met andere jeugdigen. Uiteindelijk kan een depressie op jonge leeftijd zelfs van invloed zijn op de latere beroepsloopbaan [76]. Daarnaast neemt bij adolescenten met een depressie de kans op risicovol gedrag toe, zoals roken, alcoholgebruik, druggebruik en zelfbeschadigend gedrag. Sociale isolatie en van school gestuurd worden zijn ook gevolgen waar jeugdigen mee te maken krijgen [123].
Depressie op jonge leeftijd vergroot de kans op een depressie in het latere leven. Binnen klinische populaties, dus onder jeugdigen bij wie de diagnose depressie is gesteld, is deze kans over een periode van 5 jaar groter dan 70 procent. Jeugdigen met een depressieve stoornis lopen bovendien een kans van 20 tot 40 procent om binnen 5 jaar na het begin van hun depressie een bipolaire stoornis te ontwikkelen [124][125].
Ook voor ouders en broers en zussen van depressieve jeugdigen zijn er gevolgen. Omgaan met het depressieve gezinslid is zwaar. De omgeving loopt daardoor ook meer kans zelf een depressie te ontwikkelen.
2.7 Suïcidaliteit
Suïcide kan een ernstig gevolg zijn van een depressie. Naar schatting 60% van de jeugdigen met een depressieve stoornis rapporteert suïcidale gedachten en 30% doet een suïcidepoging [18]. Uit een meta-analyse van Liu et al. [126] naar factoren die samenhangen met zelfbeschadigend gedrag, suïcidale gedachten en suïcides onder (pre)adolescenten, komt naar voren dat depressie een belangrijke rol speelt. Zowel voor suïcidepogingen als voor suïcidale gedachten bleek depressie één van de voornaamste samenhangende factoren te zijn. Dat suïcidaliteit (zowel gedachten als pogingen) sterk samenhangt met depressie is ook gebleken uit een studie van Wiebenga et al. [127]. Zij vonden een sterk verband tussen een depressieve stoornis en het hebben van suïcidale gedachten. Ook de ernst van de depressieve stoornis hing nauw samen met suïcidale gedachten. Verder bleek een depressieve stoornis de kans op een suïcidepoging te verhogen. Bovendien vonden ze dat het ontwikkelen van een depressieve stoornis op jonge leeftijd samenhing met een verhoogde kans op suïcidale gedachten en suïcidepogingen. De samenhang tussen depressie en suïcidaliteit bij jeugdigen wordt ook genoemd in de Leidraad suïcidepreventie bij jongeren [128]. Wang et al. [129] onderzochten in een meta-analyse de relatie tussen depressie gedurende de adolescentie en suïcidaal gedrag op volwassen leeftijd. De studie liet zien dat jeugdigen die met depressie te maken hadden gehad als volwassene meer kans hadden op suïcidaal gedrag. Hierbij viel op dat het effect bij mannen sterker was dan bij vrouwen en dat van diverse suïcidale gedragingen (suïcidale gedachten, zelfbeschadigend gedrag) suïcidepogingen het meest voorkwamen.
Zie voor meer informatie de modules over suïcidaliteit in deze richtlijn.
3 Signaleren, diagnostiek en verwijzen
De richtlijn is gedeeltelijk herzien, met de focus op het onderdeel over suïcidaliteit. De module Signaleren zal in de toekomst worden herzien. De huidige tekst in deze module is overgenomen uit de JGZ-richtlijn Depressie, gepubliceerd in 2016.
Professionals in de jeugdgezondheidszorg (JGZ) krijgen in hun dagelijkse praktijk te maken met kinderen en jongeren die een verhoogd risico lopen op het ontwikkelen van een depressie of al symptomen van een depressie vertonen. Het tijdig signaleren van risicogroepen en symptomen van een depressie kan voorkomen dat een depressie ontstaat of dat de klachten verergeren. In een stroomdiagram is het proces van signaleren, begeleiden, monitoren, nader onderzoek en toeleiden naar verdere diagnostiek en behandeling van jeugdigen met depressieve klachten weergegeven.
Het gebruik van een signaleringsinstrument is belangrijk ter ondersteuning van de klinische blik, zodat een zo objectief mogelijk beeld verkregen wordt [103]. Naast het inzetten van een signaleringsinstrument blijft de dialoog, observatie en de vertrouwensrelatie tussen de JGZ-professional en de ouder en/of de jeugdige van groot belang.
Signalen van een depressie
In deze paragraaf worden de signalen en symptomen van een depressie beschreven. Het verschil tussen een symptoom en signaal is dat een symptoom eigenlijk alleen waargenomen kan worden door de jeugdige zelf (bijvoorbeeld vermoeidheid of hoofdpijn) en een signaal, een teken, gezien en herkend kan worden door anderen (bijvoorbeeld geen interesse hebben of driftig zijn). Toch kan er ook overlap zijn tussen een signaal en een symptoom. Symptomen van een depressie volgens DSM-5 zijn gelijk voor jeugdigen en volwassenen, met toevoeging van prikkelbaarheid en niet aankomen in gewicht voor jeugdigen. [79] Signalen van depressie zijn verschillend voor jeugdigen en volwassenen. Deze hangen samen met de ontwikkeling van de jeugdige; hoe jonger, hoe fysieker de uitingsvorm. [83] Een sombere of verdrietige stemming, prikkelbaarheid en verlies aan interesse zijn belangrijke eerste signalen die het verdienen om nader geïnventariseerd te worden. [3] In het onderstaande overzicht van De Wit [84], aangevuld met informatie van de American Academy of Child and Adolescent Psychiatry [77] en praktijkervaring (expert opinion), zijn de signalen en symptomen van een depressie bij jeugdigen ingedeeld naar leeftijdsfase. Deze kunnen zich voordoen bij en gezien worden door de ouders, school en andere ketenpartners.
Lees een stuk onderbouwing in de Evidence 3.1 en 3.2.
Tabel 1. Leeftijdsspecifieke signalen en symptomen van depressie bij kinderen en jongeren (de Wit, 2006), aangevuld met informatie van AACAP (AACAP, 2013) en praktijkervaring).
|
Leeftijdsfase |
Signalen en symptomen |
| Babyfase (0-1 jaar) |
|
| Peuter- en kleuterleeftijd (1-4 jaar) |
|
| Basisschoolleeftijd (4-12 jaar) |
|
| Adolescentie (12-18 jaar) |
|
1) Depressieve cognities, waaronder slechtheidsbelevingen en negatief zelfbeeld, worden bij kinderen pas aangetroffen vanaf ongeveer 4 jaar, tenzij zij door ouders of anderen al vroeg systematisch ‘gevoed’ zijn met het idee dat ze niet deugen of er niet hadden moeten zijn. Depressieve cognities komen ook minder vaak voor bij kinderen en adolescenten met een verstandelijke beperking of met een niet-westerse achtergrond. Bij hen staan lichamelijke signalen op de voorgrond. [84]
2) Kinderen en jongeren hebben soms de neiging hun depressie te ontkennen en het depressief affect af te weren met stoer gedrag. Dit hangt samen met het feit dat adolescenten onafhankelijk willen zijn en het idee hulp nodig te hebben niet verdragen. Ook kan de sociale omgeving als norm hebben dat ‘gevoelig zijn’ soft is en niet deugt. [84]
3) In de meeste gevallen komen suïcides, gedachtevorming en daden pas vanaf ongeveer 9 jaar bij kinderen voor, omdat hun doods- en causaliteitsbegrip dit dan pas toelaten. Maar als jeugdigen al op jongere leeftijd met suïcide van anderen in aanraking zijn gekomen, geldt die leeftijdsgrens voor hen niet. [84]
Aanbevelingen
3.1 Stappen in de signalering
Systematisch verzamelen en interpreteren van informatie ter beoordeling van de ernst van de depressieve klachten
In het proces van signaleren, ernst vaststellen en eventuele toeleiding naar andere zorg worden zes stappen onderscheiden:
- Psychosociale klachten en risicofactoren signaleren.
- Signalen en risico- en beschermende factoren mbv de brede anamnese wegen.
- Leeftijdsspecifieke signalen en symptomen uitvragen.
- Specifieke anamnese en desgewenst depressie specifiek signaleringsinstrument afnemen.
- Ernst van de depressieve klachten bepalen.
- Wanneer zijn signalen van depressie reden tot aanvullende acties van de JGZ en wat zijn redenen om toe te leiden?
3.1.1 Stap 1. Psychosociale klachten en risicofactoren signaleren.
Voor de JGZ-professional zijn er verschillende momenten voor het signaleren van depressieve klachten, zoals een contactmoment, op aanvraag als ouders en/of ketenpartners (waaronder het sociale wijkteam) zich zorgen maken, of bij een indicatiescore op een generiek signaleringsinstrument. Volg bij het gebruik van een generiek signaleringsinstrument de aanbevelingen uit de JGZ-richtlijn Psychosociale problemen. Door gebruik te maken van een generiek instrument bij mogelijk depressieve klachten, wordt een breed beeld verkregen van de psychosociale ontwikkeling van de jeugdige. Hierdoor wordt de kans op het missen van meerdere aanwezige problemen verkleind. [18] De scores op generieke signaleringsinstrumenten bieden inzicht in de emotionele en gedragsproblemen van de jeugdige in het algemeen (generiek).
3.1.2 Stap 2. Signalen en risico- en beschermende factoren mbv de brede anamnese wegen.
Wanneer signalen aanwezig zijn maakt de JGZ-professional een inschatting van de risico- en beschermende factoren door in gesprek te gaan met de jeugdige/ouders en/of met ketenpartners. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de brede anamnese (Zie bijlage 1). Deze is opgebouwd uit vragen rond de volgende thema’s: ervaren problemen, de gevolgen, de aanleiding, mogelijke andere klachten, situatie thuis en op school (peuterspeelzaal, kinderdagverblijf), stressvolle omstandigheden, beschermende factoren, sociaal netwerk, ontvangen hulp, (toestemming voor) informatie van anderen, noodzaak van hulp. De afname van de brede anamnese duurt ongeveer 15 minuten. Na de afname van de brede anamnese wordt een voorlopige samenvatting en conclusie opgesteld. Eveneens worden gezamenlijke afspraken tussen de JGZ-professional, de jeugdige/ouders en/of met ketenpartners over het vervolg gemaakt. Bekijk hier een opzet van de brede anamnese.
Diversiteit
Bij het aangaan van een dialoog met ouders of jeugdigen met een lage SES en/of migrantenachtergrond is het belangrijk rekening te houden met het feit dat zij een ander referentiekader kunnen hebben, bijvoorbeeld andere denkbeelden over oorzaken van ziekte, of andere waarden ten aanzien van opvoeden. Ga na met welke verwachtingen zij komen en wees je bewust van je eigen verwachtingen ten aanzien van hen. Soms hebben ouders met een lage SES en/of migranten achtergrond weerstand tegen bemoeienis van (overheids)instanties bij de opvoeding van kinderen. Bij deze groep ouders zal meer tijd nodig zijn om het vertrouwen te winnen (Algemene aandachtspunten diversiteit. [86] Er zijn ook ouders die niet goed met het gangbare schriftelijke materiaal uit de voeten kunnen, bijvoorbeeld doordat ze de taal niet goed machtig zijn of praktisch zijn opgeleid. Zij kunnen ook moeite hebben met bepaalde interventies, omdat deze uitgaan van een taalvaardigheid en een abstractievermogen dat bij deze groep niet voldoende aanwezig is. Ook kan angst voor registratie aanwezig zijn. Kies daarom voor een interventie die aansluit bij de capaciteiten van zowel de ouders als de kinderen. Binnen de groep migranten wordt verwacht dat kinderen van asielzoekers een verhoogd risico lopen op depressie. Signalering bij deze groep is daarom van belang. Er zijn geen specifieke methoden voor signaleren van depressie bij jeugdigen in asielzoekerscentra. De JGZ-professional volgt de beschreven stappen.
Wanneer een taalbarrière een gesprek over depressieve klachten in de weg staat biedt een tolk ondersteuning. Met hulp van de tolk kan het probleem inzichtelijk worden gemaakt (aan de inhuur van een tolk zijn kosten verbonden). Denk hierbij ook aan vragen als ‘Hoe zouden mensen in je (ouders) land van herkomst je klachten verklaren?’, ‘Hoe zouden mensen in je (ouders) land van herkomst met deze klachten omgaan?’, ‘Voel je je door je naasten begrepen?’. Het is belangrijk rekening te houden met en op de hoogte te zijn van gevoelens van schaamte die het uiten van deze klachten in de weg kunnen staan.
3.1.3 Stap 3. Leeftijdsspecifieke signalen en symptomen uitvragen.
Na de brede anamnese stelt de JGZ-professional vast of er een verhoogde kans op een psychische aandoening en/of (psychosociale) problemen aanwezig is. Wanneer dit het geval is vraagt de JGZ-professional de leeftijdsspecifieke signalen en symptomen van een depressie uit. Het onderkennen van depressieve klachten is lastig, doordat jeugdigen niet geneigd zijn om over symptomen te praten, terwijl de jeugdige wel de belangrijkste informatiebron is en in alle gevallen bevraagd dient te worden. [13][18] Het beste is kind èn ouder èn school / kinderopvang of andere ketenpartners te bevragen over de problemen en signalen. [87] Bij ouders blijkt vaak onderrapportage plaats te vinden, bij jeugdigen vindt juist een overrapportage van problemen plaats. Andere potentiële ondervraagden (leraren, broertjes en zusjes en groepsgenoten) rapporteren vergelijkbaar met de ouders, behalve echte vertrouwelingen, die vaak vergelijkbaar met de onderzochte jeugdige rapporteren. [18]
Na het uitvragen van de leeftijdsspecifieke signalen en symptomen wordt vastgesteld of er sprake is van een vermoeden op depressie of een blijvend verhoogd risico op psychische problemen of de aanwezigheid van andere (psychosociale) problemen.
Bij een blijvend verhoogd risico op psychische problemen of de aanwezigheid van andere (psychosociale) problemen is het een taak van de JGZ-professional om de situatie te blijven monitoren (zie ook de sectie ‘Begeleiden en behandelen’) en bij andere problematiek indien nodig een ander traject in gang te zetten.
3.1.4 Stap 4. Specifieke anamnese en desgewenst depressie specifiek signaleringsinstrument afnemen.
Wanneer het vermoeden op depressieve klachten wordt bevestigd neemt de JGZ-professional de specifieke anamnese af, waarmee de ernst van psychische problematiek in het algemeen gewogen kan worden. [63] Vragen voor de JGZ- professional bij een specifieke anamnese:
1. Hoe afwijkend is het gedrag? Denk aan:
- Passend bij leeftijd en geslacht?
- Aanhoudend?
- Relatie met levensomstandigheden?
- (Sub)cultureel passend?
- Omvang (geïsoleerd symptoom is meestal minder ernstig dan een cluster)
- Soort probleem (niet elk probleem is uiting van psychische stoornis)
- Ernst en frequentie
- Gedragsverandering (iets wat altijd bestond is vaak minder ernstig dan iets wat plotseling is opgetreden)
- Situatie-specifiek?
2. Welke beperkingen geeft het? Denk aan:
- Lijdensdruk, oftewel de mate waarin de jeugdige er last van heeft
- Sociale beperkingen
- Verstoring van ontwikkeling
- Effect op anderen
3. Let op beschermende factoren. Deze kunnen niet weggestreept worden tegen de ernstfactoren, maar kunnen wel het succes van behandeling bevorderen:
- Biologisch (lichamelijke gezondheid)
- Cognitief (goede intelligentie; positieve interpretaties van zelf en omgeving)
- Probleemoplossingsvaardigheden (coping)
- Temperament (positieve grondstemming; goed in staat tot zelfregulering)
- Omgevingsfactoren (sociale steun)
Na de afname van de specifieke anamnese wordt een samenvatting en conclusie opgesteld. Eveneens worden gezamenlijke afspraken over het vervolg gemaakt.
Naast de specifieke anamnese kan de JGZ-professional desgewenst gebruik maken van een depressie specifiek screeningsinstrument, bijvoorbeeld de Child Depression Inventory (CDI) [88][99][98] of de Center for Epidemiological Studies – Depression Scale (CES-D). [91][82] Bij screening op depressie wordt aanbevolen altijd een of meer items over suïcide mee te nemen. De CDI geeft deze mogelijkheid. [18] Indien de CES-D wordt gebruikt kan, indien de jongere boven het klinische afkappunt scoort, in een gesprek gevraagd worden naar suïcidale gedachten of plannen.
In deze richtlijn wordt de afname van een depressie specifiek signaleringsinstrument niet bindend aanbevolen. De reden voor het inzetten van een signaleringsinstrument is dat onderzoek heeft aangetoond dat het klinisch oordeel met het gebruik van deze instrumenten verbeterd wordt, wat leidt tot betere verwijzingen. [103] Echter het inzetten van een specifiek signaleringsinstrument is niet altijd noodzakelijk, bijvoorbeeld als door de klinische blik voldoende bevestigd wordt dat er sprake is van een vermoeden van een depressie. In alle gevallen wordt het resultaat van het signaleringsinstrument gewogen in combinatie met de klinische blik, de specifieke anamnese en overige informatieverzameling uit de brede anamnese. Deze moeten samen leiden tot een inschatting van (het risico op) de depressieve klachten.
Een betrouwbaar en gevalideerd signaleringsinstrument is belangrijk. Echter, de effectiviteit van een signaleringsinstrument is niet alleen afhankelijk van de kwaliteit ervan, maar ook van de wijze waarop het instrument gebruikt wordt in een beoordelingsproces. [80] Een vertrouwensrelatie, het aangaan van een goede dialoog met de ouder en hen betrekken in de besluitvorming zijn van essentieel belang. Datzelfde geldt waar het gaat om een kind of een jongere. Jongeren willen ervaren dat zij gehoord, gerespecteerd en gewaardeerd worden. Dit geeft hen een gevoel van veiligheid en erbij horen, wat hun vermogen om te vertrouwen doet toenemen. [54][90] In de ‘Handreiking Verantwoord gebruik van vragenlijsten in de JGZ’ van het NCJ [90] wordt uitgebreid ingegaan op de gesprekvoering van de JGZ-professional met ouders, kinderen en jongeren rond het gebruik van screeningsinstrumenten.
Signaleren van depressie bij 0-4 jaar
Betrouwbare en valide screeningsinstrumenten voor depressie bij baby’s en peuters ontbreken vooralsnog. [92] Naast screeningsinstrumenten zijn er diagnostische instrumenten en methoden ontwikkeld om inzicht te krijgen in de psychologische ontwikkeling van baby’s en peuters. Daarbij is het van belang te weten dat de DSM-classificatie voor depressie minder geschikt is voor baby’s en jonge kinderen. Als alternatief is een nieuw classificatiesysteem ontwikkeld, de DC-0-3, voor 0 tot 3 jarigen. [102] Daarnaast zijn er drie type instrumenten voor baby’s en peuters. Er zijn observatie-gerelateerde instrumenten zoals de Functional Emotional Assessment Scale (FEAS) [85], interview-gebaseerde instrumenten (met zorgfiguur) zoals het Working Model of the Child Interview (WMCI) [81] en zelfrapportage-instrumenten zoals de Kent Infant Development-Scale (KID-N). [95] Voor het gebruik van de instrumenten is een training vereist. De instrumenten worden alleen toegepast in de gespecialiseerde Jeugd-GGZ, echter het is belangrijk dat de JGZ-professional hier kennis van heeft. Van belang is dat de JGZ-professional zich realiseert dat classificaties in deze ontwikkelingsperiode voorbarig zijn, omdat het kind nog zo flexibel is. Jonge kinderen reageren wel vaker extreem, en lichte ondersteuning kan de ontwikkeling vaak weer in de goede richting helpen. Er is veelal nog geen sprake van ontwikkelingspsychopathologie. Classificaties en diagnostiek kunnen bij de ouders angst en onrust creëren, waar juist rust, ontvankelijkheid en emotionele beschikbaarheid belangrijk is. [92]
3.1.5 Stap 5. Ernst van de depressieve klachten bepalen.
Voor de ernstinschatting van specifiek depressieve klachten let de JGZ-professional op de volgende aspecten [63]:
- Teneergeslagen, depressief, geprikkeld of hopeloos gevoel
- Weinig belangstelling of plezier bij activiteiten
- Moeite met in slaap vallen, doorslapen, of teveel slapen
- Slechte eetlust, gewichtsverlies of teveel eten
- Vermoeid gevoel of weinig energie
- Slecht over zichzelf voelen – of het gevoel een mislukkeling te zijn
- Moeite met concentreren bij studie, lezen of tv kijken
- Zo traag bewegen of praten dat het andere mensen opvalt, of juist rusteloos meer bewegen dan anders
- Gevoel beter dood te kunnen zijn, of zichzelf pijn willen doen of beschadigen
Ernstvaststelling:
Lichte depressieve klachten: als van bovenstaande aspecten maar enkele aanwezig zijn en tijdens een gemiddelde week zijn ze er maar op een of twee dagen.
Ernstige depressieve klachten: bovenstaande aspecten zijn grotendeels en tijdens het grootste gedeelte van een gemiddelde week aanwezig.
Een depressie is ernstiger als deze met meer symptomen gepaard gaat en/of met ernstiger symptomen gepaard gaat (suïcidaliteit en psychose) en/of langer duurt, en/of meer aantasting geeft van het algemeen functioneren op meerdere domeinen (school, thuis, hobby’s, sociale relaties met leeftijdsgenoten). [18]
Tabel: Specifieke screeningsinstrumenten voor depressie bij kinderen en jongeren: nadere informatie
| Instrument | Leeftijd | Aantal items en schalen | Psychometrische eigenschappen | Afnameduur in minuten | Gebruik en bijzonderheden |
| CDI | 7-18 jaar |
27 items Hoofdschalen: Cognitieve symptomen, affectieve symptomen en gedragsmatige symptomen |
COTAN beoordeling (2004):
In 2008 is een herziening van de CDI verschenen met o.a. uitbreiding van normen naar 7-jarigen. |
Afnameduur:
|
|
| CES-D | 14 jaar en ouder |
20 items Hoofdschaal: Depressie-symptomatologie. |
Geen COTAN beoordeling Nederlands onderzoek onder 1392 14-16 jarigen (Cuijpers et al., 2007):
|
Afnameduur: 10 minuten
|
|
3.1.6 Stap 6. Wanneer zijn signalen van depressie reden tot aanvullende acties van de JGZ en wat zijn redenen om toe te leiden?
De verschillende niveaus van ernst leiden tot verschillende typen interventies door de JGZ-professional. Wanneer de professional lichte depressieve klachten vermoedt, biedt hij of zij interventies op maat aan en monitort het beloop, daarbij kan ook hulp en informatie worden ingewonnen bij de huisartsenpraktijk en de sociale wijkteams (waar de JGZ-professional deel van uit kan maken) of bijvoorbeeld de school. Als de JGZ-professional er niet zeker van is of er sprake is van lichte of ernstige depressieve klachten, consulteert de professional de Jeugd-GGZ, biedt interventies op maat aan en monitort het beloop. Er dient direct toegeleid te worden naar de Jeugd-GGZ als er sprake is van: ernstige depressieve klachten, kans op suïcide, of als er naast de depressieve klachten andere psychische problematiek aanwezig is (bijvoorbeeld angststoornis, ADHD, ASS, bipolaire problematiek of een psychose). Belangrijk is om de toeleiding te volgen totdat de verwijzing gerealiseerd is en daarvan een terugkoppeling gegeven is. Bij twijfel of als de problemen bij de jeugdige aanhouden ondanks de ingezette interventies consulteert de JGZ-professional de Jeugd-GGZ.
Schoolweigering vraagt om snel ingrijpen, omdat dit een aantoonbaar beter behandelresultaat oplevert. Schoolweigering dient altijd besproken te worden in het zorgteamoverleg. De behandeling kan binnen de Jeugd-GGZ, maar ook binnen lichtere varianten van de jeugdhulp en jeugdbescherming plaatsvinden. [63]
Voor JGZ-professionals dient het helder te zijn wie bevoegd en bekwaam is om een depressie vast te stellen. De generalistische of specialistische Jeugd-GGZ stelt de diagnose en volgens de Jeugdwet is onder andere de jeugdarts erkend verwijzer. Daarbij is de verantwoordelijkheid voor de verwijzing afhankelijk van gemaakte ketenafspraken. Wanneer deze er niet zijn is het belangrijk ketenafspraken te maken. Eveneens moet duidelijk zijn hoe in het signaleren en diagnosticeren kan worden samengewerkt met de JGZ, Jeugdhulp en jeugdbescherming, huisarts (en praktijkondersteuner huisarts geestelijke gezondheidszorg, POH-GGZ), school, sociale wijkteam, Jeugd-GGZ en eventuele andere betrokkenen. Bij alle verwijzingen is het van belang dat wordt aangesloten bij de afspraken met de ketenpartners.
3.2 Redenen om te verwijzen
Ernst van de depressieve klachten bepalen
Voor de ernstinschatting van specifiek depressieve klachten let de JGZ-professional op de volgende aspecten [63]:
- Teneergeslagen, depressief, geprikkeld of hopeloos gevoel
- Weinig belangstelling of plezier bij activiteiten
- Moeite met in slaap vallen, doorslapen, of teveel slapen
- Slechte eetlust, gewichtsverlies of teveel eten
- Vermoeid gevoel of weinig energie
- Slecht over zichzelf voelen – of het gevoel een mislukkeling te zijn
- Moeite met concentreren bij studie, lezen of tv kijken
- Zo traag bewegen of praten dat het andere mensen opvalt, of juist rusteloos meer bewegen dan anders
- Gevoel beter dood te kunnen zijn, of zichzelf pijn willen doen of beschadigen
Ernstvaststelling:
Lichte depressieve klachten: als van bovenstaande aspecten maar enkele aanwezig zijn en tijdens een gemiddelde week zijn ze er maar op een of twee dagen.
Ernstige depressieve klachten: bovenstaande aspecten zijn grotendeels en tijdens het grootste gedeelte van een gemiddelde week aanwezig.
Een depressie is ernstiger als deze met meer symptomen gepaard gaat en/of met ernstiger symptomen gepaard gaat (suïcidaliteit en psychose) en/of langer duurt, en/of meer aantasting geeft van het algemeen functioneren op meerdere domeinen (school, thuis, hobby’s, sociale relaties met leeftijdsgenoten). [18]
4 Begeleiden en behandelen
De richtlijn is gedeeltelijk herzien, met de focus op het onderdeel over suïcidaliteit. De module Begeleiden zal in de toekomst worden herzien. De huidige tekst in deze module is overgenomen uit de JGZ-richtlijn Depressie, gepubliceerd in 2016.
De interventies die de JGZ inzet bij depressieve klachten zijn vooral ter preventie van het ontwikkelen van een depressieve stoornis. Met voorlichting en advies neemt de JGZ-professional zorg weg, draagt bij aan het versterken van de eigen kracht en kan onnodige medicalisering tegengaan.
Minimale interventies voor depressieve klachten en symptomen zijn gericht op het aanbieden van informatie, voorlichting, advies en ondersteuning. Afhankelijk van de ernst van de depressieve klachten en symptomen zet de JGZ-professional de interventies in of verwijst ernaar. Het is belangrijk dat de JGZ-professional de sociale kaart kent. Intensieve behandelvormen (waaronder cognitieve gedragstherapie, interpersoonlijke therapie, gezinstherapie en psychodynamische therapie) worden uitgevoerd door de Jeugd-GGZ.
De interventies richten zich op de kinderen en jongeren met depressieve klachten, maar ook op hun ouders of verzorgers.
Aanbevelingen
4.1 Minimale interventies
Minimale interventies voor jeugdigen en hun ouders van algemene aard ter voorkoming van depressieve klachten
Minimale interventies van algemene aard voor jeugdigen met een verhoogd risico op psychische problemen zijn bedoeld om het ontstaan van psychische klachten te voorkomen. De JGZ-professional kan bij risico op depressie bijvoorbeeld verwijzen naar Zippy’s vrienden, indien beschikbaar. Deze interventie wordt op scholen in de vorm van een lesprogramma aangeboden. Meer informatie over Zippy’s vrienden en op welke scholen deze te volgen is lees je op de website van Zippy’s vrienden.
Minimale interventies van algemene aard voor ouders zijn bijvoorbeeld Triple P (Positief Pedagogisch Programma) en Stevig Ouderschap (voor ouders in de eerste maanden na de geboorte van het kind). Of VoorZorg, voor ouders die een kind verwachten en in een moeilijke situatie zitten (bijvoorbeeld armoede, ervaring met (seksueel) geweld in verleden of heden, geen sociaal netwerk of steun, middelenmisbruik). Belangrijk in de keuze van een algemene interventie voor ouders is dat de JGZ-professional alert is op de risicofactoren voor een depressie. Afhankelijk van de situatie, waaronder het inkoopbeleid van de gemeente, zet de JGZ-professional die algemene interventie in die de risicofactor positief kan beïnvloeden, in die zin dat de kans op een depressie wordt verkleind.
In deze richtlijn wordt Triple P in het bijzonder aanbevolen, omdat Triple P leidt tot een vermindering van emotionele en gedragsproblemen bij jeugdigen in gezinnen met uiteenlopende problemen en achtergronden, bijvoorbeeld bij jeugdigen met een depressieve ouder. De risicofactoren waarop Triple P zich richt zijn bijvoorbeeld ontbreken van voldoende opvoedingvaardigheden, relatieproblemen en stress of depressie bij de ouders. Triple P is er voor ouders van jeugdigen van 0-16 jaar en er is materiaal beschikbaar voor ouders met een lage sociaaleconomische status (SES).
4.2 Schoolverzuim beperken
Schoolverzuim en re-integratie
Jeugdigen brengen vanaf de leeftijd van 4 jaar een substantieel deel van hun tijd op school door, vanaf 5 jaar zijn zij leerplichtig. Bij zorgen over de stemming is het belangrijk daar navraag over te doen op school als de ouders en/of de jeugdige daarvoor toestemming geven. Wanneer er sprake is van zorgelijk schoolverzuim en de JGZ-professional hiervan kennis heeft, gaat deze hierover het gesprek aan. In de praktijk blijkt dat het belangrijk is om naast de jeugdige ook de ouder, de mentor/leerkracht en de huisarts te betrekken.
De JGZ-professional is daar bij uitstek geschikt voor, omdat die de school kent en een relatie heeft met intermediairs binnen de school, die weten welke personen het meest betrokken zijn bij de betreffende leerling. De informatie van school is van belang om meer inzicht te krijgen in de ernst van de klachten en om het beloop en het effect van eventuele interventies te monitoren. Naast het verstrekken van informatie kan de school actief meewerken om een jeugdige met depressieve klachten te steunen of te ontlasten. Afhankelijk van de situatie van de leerling kan de JGZ-professional bijvoorbeeld zorgen voor meer individuele aandacht van een groepsleerkracht, mentor, of interne (leerling)begeleider. Ook kan deze hulp van schoolmaatschappelijk werk of samenwerking met een leerplichtambtenaar zoeken. Waar aanwijzingen zijn voor een te zware (cognitieve) belasting, kan die worden verminderd door hulp te bieden voor leerachterstanden, het regelen van een tijdelijk deeltijdrooster, spreiden van examenonderdelen enzovoort. Ook kan er sprake zijn van onder belasting die verminderd kan worden door bijvoorbeeld extra taken te geven. Als de jeugdige aangeeft gepest te worden of geen aansluiting vindt bij klasgenoten, is het noodzakelijk daar de aandacht op te richten. Door aan te sluiten bij de zorgstructuur op school (bijv. door deelname aan multidisciplinaire overleggen) kan de JGZ-professional ook aandacht vragen/geven aan zorgen om leerlingen met depressieve klachten.
Sommige basisscholen bieden naschoolse opvang of een verlengd schooldagprogramma dat in een aantal gevallen voor jeugdigen met een belaste thuissituatie gunstig kan zijn. Soms lijken de klachten van de jeugdige (mede) veroorzaakt te worden door een slechte relatie met leerkrachten of een ongunstig pedagogisch klimaat in de klas. Dan kan de JGZ-professional daarover in gesprek gaan met betrokkenen en/of de schoolleiding.
Wat kan de JGZ-professional samen met de school doen?
Bij schoolverzuim kan de JGZ-professional gebruikmaken van de handreiking ‘Snel terug naar school is veel beter’ van de AJN/NVAB. Deze handreiking beschrijft een integrale aanpak van schoolziekteverzuim bij kinderen en jongeren. Ter voorkoming van schooluitval kan MAZL (Medische Advisering Ziek gemelde Leerling) helpen. MAZL heeft als doel leerlingen met meer dan gemiddeld ziekteverzuim vroegtijdig in contact te brengen met de JGZ om te voorkomen dat het ziekteverzuim uitmondt in langdurig schooluitval of voortijdig schoolverlaten. De interventie is voor jeugdigen in het voortgezet onderwijs. Binnen MAzl werken school, JGZ-professional en leerplichtambtenaar samen.
Jongeren vanaf 15 jaar met duidelijke problemen op het terrein van school en werk kan de JGZ-professional verwijzen naar lokale interventies (zoals bij de gemeente) met als doel het voortzetten van werk of schoolopleiding. Voorbeelden zijn rebound voorzieningen, leer/werk projecten, etc.
Tijdens de periodieke preventieve gezondheidsonderzoeken (ofwel tijdens de reguliere contactmomenten) vraagt de JGZ-professional actief na hoe het momenteel met de depressieve klachten en symptomen gaat. Ook kan de JGZ-professional een intermediair zijn tussen hulpverlener en school of in sommige gevallen tussen hulpverlener en ouders/jeugdige bij stagnatie van behandeling.
Aanbevelingen
4.3 Specifieke interventies voor jeugdigen met depressieve klachten en hun ouders
Specifieke interventies voor jeugdigen met depressieve klachten en hun ouders
De preventieve interventies die de JGZ-professional zelf uitvoert zijn voorlichting/advies geven en monitoren. Daarnaast kan de JGZ-professional naar specifieke interventies verwijzen. De meeste van deze goed onderbouwde interventies staan beschreven in de NJI-databank en Interventiedatabase Gezond en Actief Leven. In de NJI databank kan de JGZ-professional ook up-to-date informatie vinden over waar de interventie uitgevoerd wordt, wat de kosten zijn en volgen of er nieuwe interventies opgenomen zijn waarnaar verwezen kan worden.
In deze richtlijn wordt met de vermelding van de interventies niet gepretendeerd volledig te zijn. Er zijn ongetwijfeld meer interventies beschikbaar; een volledig overzicht is echter niet beschikbaar.
Voorlichting: Tips en adviezen
Een JGZ-professional kan een aantal minimale interventies aanbieden. Deze interventies zijn de minst intensieve vormen van behandeling voor depressieve klachten en symptomen en zijn gericht op het aanbieden van informatie, voorlichting, advies en ondersteuning:
- psycho-educatie,
- zelfhulp,
- fysieke inspanning.
Afhankelijk van de risicofactoren, ernst van de depressieve klachten en symptomen zet de JGZ-professional de interventies in. De minimale interventies richten zich op de kinderen en jongeren met depressieve klachten, maar ook op hun ouders of verzorgers of school.
Psycho-educatie
De JGZ-professional biedt standaard (desgevraagd) informatie over de ontwikkeling van de jeugdige per fase/leeftijd, het bijbehorende gedrag en hoe de jeugdige en de ouders daarmee om kunnen gaan. In overleg met de jeugdige en ouders wordt nagegaan of en wat de jeugdige of ouder nodig heeft om de eigen kracht te versterken en worden oplossingen dicht bij de jeugdige en gezin gezocht zodat zij zo snel mogelijk op eigen kracht verder kunnen. Wanneer er sprake is van depressieve klachten en symptomen worden informatie, tips en adviezen op maat gegeven over het ontstaan en hanteren van de depressieve klachten. Dit wordt ook wel ‘psycho-educatie’ genoemd. Bij het geven van psycho-educatie sluit de JGZ-professional aan bij de mogelijk oorzaak van de klachten, behoefte van de jeugdige en de ouders en houdt daarbij rekening met hun kennisniveau en mogelijkheden. Daarbij ligt het accent op normaliseren.
De JGZ-professional is altijd op zoek naar de goede balans tussen vroegsignalering van psychosociale problemen en het normaliseren van fasegebonden problematiek.
Voorbeelden van adviezen die de JGZ-professional aan ouders van jeugdigen met depressieve klachten kan geven zijn (zie ook Stichting Opvoeden.nl): positieve aandacht geven aan het kind, laten merken dat ze van hun kind houden en dat het kind belangrijk voor hen is. Begrip tonen voor diens problemen, met hun kind praten op momenten dat daar ruimte voor is, ook over de gevoelens van het kind. Hun kind aanmoedigen, troosten en complimenteren. Leg de ouders uit dat een jeugdige met depressieve klachten het best actief kan blijven. Vooral bewegen in de buitenlucht werkt goed tegen een depressie, maar ook een klusje doen en leuke dingen ondernemen kan al helpen. Zo krijgt het kind ook minder kans om alleen op de kamer te zitten piekeren. Verminder eventuele prestatiedruk: de gezondheid en het welbevinden van hun kind gaan voor de schoolcarrière of sportprestaties. Houd daarbij de mentor of leerkracht op school of de trainer op de hoogte van de stand van zaken. Adviseer de ouders grenzen te blijven stellen en consequent te blijven, maar adviseer hen niet te hoge eisen aan hun kind stellen en niet te veel verwachten. Geef aan dat de ouders het kind zo min mogelijk moeten belasten met eventuele gezinsproblematiek (denk aan financiële-, relationele- en werkgerelateerde problematiek). Adviseer te kiezen voor regelmaat, het dag-en-nachtritme vast te houden en zo mogelijk te helpen verwaarloosde sociale contacten weer op te pakken. Besteed ook aandacht aan de ervaringen en gevoelens van de ouders. Adviseer hen steun te zoeken bij elkaar en familie of vrienden. Daarnaast kan de JGZ-professional (mede) inventariseren wat andere betrokkenen rondom deze problematiek (huisarts, school, wijkteam) kunnen bijdragen.
Voor informatie over depressie kunnen jeugdigen en hun ouders verwezen worden naar websites, bijvoorbeeld Mindblue, Kenniscentrum Kinder- en jeugdpsychiatrie, GripOpJeDip, Brainwiki en JouwGGD.nl.
Monitoren
De rol van de JGZ-professional bestaat uit het monitoren van het verdere verloop. Wanneer sprake is van depressieve klachten of deze worden vermoed wordt afhankelijk van de ernst een volgend (telefonisch) contactmoment afgesproken, waarbij desgewenst de ouders ook worden uitgenodigd. De JGZ-professional doet in het volgend contactmoment gericht navraag naar depressieve klachten. Daarbij kunnen opnieuw de leeftijdsspecifieke signalen en symptomen van een depressie uitgevraagd worden, (een deel van) de specifieke anamnese afgenomen worden en indien gewenst een depressie specifiek signaleringsinstrument. Ook kan via een interne overlegstructuur en/of het netwerk zoals peuterspeelzaal, school (zorgteam of Intern Begeleider), sociaal wijkteam of andere betrokkenen de monitoring plaatsvinden. Wanneer problemen gesignaleerd worden, onderneemt de JGZ-professional verdere stappen passend bij de situatie (zie stroomdiagram). Wanneer omstandigheden binnen de school (mede) klachten veroorzaken of in stand houden kunnen hierop gericht interventies aangeboden worden.
In latere leeftijdsfases dient er aandacht te blijven voor de doorgemaakte depressie en behandeling. Jeugdigen met een depressie kunnen in de adolescentie een verhoogd risico op gedragsstoornissen of middelenmisbruik hebben (Boer & Verhulst, 2014), dit kan aanleiding zijn tot extra contactmomenten met jongere en/of ouders. Tijdens deze contactmomenten wordt actief navraag gedaan naar depressieve klachten, gedragsstoornissen of middelenmisbruik. Klachten worden zo vroegtijdig gesignaleerd. Zie ook uitgangsvraag: Welke problematiek (psychisch, biologisch en psychosociaal) kan gepaard gaan met depressieve klachten bij kinderen en jongeren?).
Interventies voor (kinderen van) ouders met psychische problemen
Voor (kinderen van) ouders met psychische problemen kan de JGZ-professional verwijzen naar de zogenoemde KOPP-interventies (Kinderen van Ouders met Psychische Problemen). De interventies hebben als doel het voorkomen van psychische problemen bij hun kinderen. Er is een uitgebreid aanbod KOPP-interventies. Deze kunnen gericht zijn op de ouder(s), gezinnen en de jeugdige zelf, bijvoorbeeld Ouder-babyinterventie, Psycho-educatieve gezinsinterventie KOPP en Kopstoring. Raadpleeg hier een overzicht van de werkzame elementen en werkwijzen voor KOPP-kinderen.
De JGZ-professional kan per situatie beoordelen welke interventie passend is. Kinderen van ouders met psychische problemen kan de JGZ-professional ook verwijzen naar de website Jouw GGD.nl.
4.4 Wensen, behoeften en opvattingen van ouders
De JGZ-professional kan de ouders en andere gezinsleden een beeld schetsen van de mogelijkheden en verwachtingen ten aanzien van het vervolgtraject en actief navragen wat hun wensen en verwachtingen zijn. Ook kan met hen besproken worden wat zij zelf kunnen doen om hun kind te ondersteunen.
Diversiteit
Bij het aangaan van een dialoog met ouders of jeugdigen met een lage SES en/of migratieachtergrond is het belangrijk rekening te houden met het feit dat zij een ander referentiekader kunnen hebben, bijvoorbeeld andere denkbeelden over oorzaken van ziekte, of andere waarden ten aanzien van opvoeden. Ga na met welke verwachtingen zij komen en wees je bewust van je eigen verwachtingen ten aanzien van hen. Soms hebben ouders met een lage SES en/of migranten achtergrond weerstand tegen bemoeienis van (overheids)instanties bij de opvoeding van kinderen. Bij deze groep ouders zal meer tijd nodig zijn om het vertrouwen te winnen (Algemene aandachtspunten diversiteit. [130] Er zijn ook ouders die niet goed met het gangbare schriftelijke materiaal uit de voeten kunnen, bijvoorbeeld doordat ze de taal niet goed machtig zijn of lager zijn opgeleid. Zij kunnen ook moeite hebben met bepaalde interventies, omdat deze uitgaan van een taalvaardigheid en een abstractievermogen dat bij deze groep niet voldoende aanwezig is. Ook kan angst voor registratie aanwezig zijn. Kies daarom voor een interventie die aansluit bij de capaciteiten van zowel de ouders als de jeugdigen. Binnen de groep migranten wordt verwacht dat kinderen van asielzoekers een verhoogd risico lopen op depressie. Signalering bij deze groep is daarom van belang. Er zijn geen specifieke methoden voor signaleren van depressie bij jeugdigen in asielzoekerscentra. De JGZ-professional volgt de beschreven stappen.
Wanneer een taalbarrière een gesprek over depressieve klachten in de weg staat biedt een tolk ondersteuning. Met hulp van de tolk kan het probleem inzichtelijk worden gemaakt (aan de inhuur van een tolk zijn kosten verbonden). Denk hierbij aan vragen als ‘Hoe zouden mensen in je (ouders) land van herkomst je klachten verklaren?’, ‘Hoe zouden mensen in je (ouders) land van herkomst met deze klachten omgaan?’, ‘Voel je je door je naasten begrepen?’. Het is belangrijk rekening te houden met en op de hoogte te zijn van gevoelens van schaamte die het uiten van deze klachten in de weg kunnen staan.
5 Preventie
De richtlijn is gedeeltelijk herzien, met de focus op het onderdeel over suïcidaliteit. De module Preventie zal in de toekomst worden herzien. De huidige tekst in deze module is overgenomen uit de JGZ-richtlijn Depressie, gepubliceerd in 2016.
Preventieve interventies voor jeugdigen
Bij jeugdigen met depressieve klachten kan de JGZ-professional verwijzen naar preventieve interventies die bedoeld zijn om de depressieve klachten te verminderen en verergering te voorkomen (Tabel 3.1).
Wanneer deze via internet aangeboden wordt kan rechtstreeks verwezen worden en anders naar de organisatie die de interventie aanbiedt. Voordat de JGZ-professional de jeugdige/ouder informeert en verwijst is het belangrijk te weten of de interventie in de lokale situatie beschikbaar is, wat de inhoud van de interventie is, past bij het kind/gezin (achtergrond/opleidingsniveau), wat de kosten zijn en waar deze aangeboden wordt.
Tabel 3.1 Preventieve interventies voor jeugdigen met depressieve klachten
| Naam interventie | Korte beschrijving | Doelgroep | Duur | Waar |
| Head up |
Doel: Verminderen of verhelpen van depressieve klachten van jongeren. Aanpak: Gestructureerde cognitief-gedragstherapeutische groepscursus. |
Jongeren van 13-17 jaar met depressieve klachten. |
Professionals: Training wanneer nodig. Jongeren: 8 wekelijkse bijeenkomsten van 90 min+ bijeenkomst voor ouders. |
Materialen beschikbaar bij diverse GGZ-organisaties. |
| GripOpJeDip |
Doel: Depressieve klachten te verhelpen of verminderen. Aanpak: Website met informatie. |
Jongeren met depressieve klachten van 16-25 jaar. |
Professionals: 2-daagse training en jaarlijkse intervisie bijeenkomst. Jongeren: 6 wekelijkse chatsessies van 90 min. Thuisopdrachten van 60 min. |
Chatbox via www.gripopjedip.nl. |
| HAPPYLES |
Doel: Bevorderen van mentale veerkracht en ter preventie van depressie. Aanpak: Website met informatie. |
Er zijn twee versies:
|
Professionals: Onbekend. Jongeren: 6 wekelijkse chatsessies van 90 min. |
Chatbox en informatie: http://www.happyles.nl/. E-lessen zijn toegankelijk via schoolaanbod. |
| VRIENDEN |
Doel: Angststoornissen en/of depressie bij jeugdigen voorkomen en behandelen. Aanpak: Aanleren van vaardigheden en technieken in groepsverband of individueel. VRIENDEN kan ook als preventieprogramma dienen op bijv. school. |
Jeugdigen van 7-16 jaar die last hebben van angst- en depressieve klachten. Toe te passen bij jeugdigen met andere culturele achtergrond. |
Professionals: 1-daagse training leerkrachten en zorgprofessionals. Jeugdigen: 10 bijeenkomsten + 4 voor ouders (geen tijdsduur bekend). |
GGZ |
| Pak aan |
Doel: Depressieve klachten verminderen. Aanpak: Gestructureerd cognitief gedragstherapeutisch groepsprogramma voor jeugdigen dat aangevuld kan worden met schoolcontacten, oudertraining, of andere gezinsinterventie. |
Jeugdigen van 9-13 jaar met diagnose unipolaire depressieve stoornis, dysthymie of met een depressieve stemming. |
Professionals: Training (1 dag). Jeugdigen: 18 sessies (60 min per sessie). |
Uitgevoerd door GGZ-jeugd professionals. |
| De D(o)epressie cursus |
Doel: Verminderen van depressieve klachten. Aanpak: Inzicht krijgen in onbewuste negatieve cognities en deze te veranderen. |
Jongeren van 16-21 jaar met depressieve symptomen, depressie in engere zin of een dysthyme stoornis. |
Professionals: Train-de-trainer cursus (online) en online supervisie. Jongeren: 15 sessies (105 min) en een terugkomst bijeenkomst. |
Uitgevoerd door hulpverleners met kennis van cognitieve gedragstherapie. |
| Pratenonline |
Doel: Depressieve klachten te verminderen en competentie toe te laten nemen. Aanpak: Begeleiding en stimulatie via 1 of meer chatsessies met een hulpverlener. De behandelmodule is gebaseerd op de Oplossingsgerichte Therapie (SFBT). |
Nederlandstalige jongeren van 12-23 jaar met depressieve klachten. |
Professionals: 4 uur per patiënt (totaal van 2.8 sessies). Jongeren: 2,8 behandelsessies van 63 min. |
Chatbox via www.PratenOnline.nl. Online begeleiding door GZ-psycholoog. |
| Op Volle kracht |
Doel: Het voorkomen of verminderen van depressieve klachten. Aanpak: Groepsessies begeleid door een therapeut op basis van Cognitieve Behavioral Therapy (CBT). |
Meisjes van 11-15 jaar met ernstige depressieve klachten. |
Professionals: Onbekend. Jongeren: 16 groepsessies (50 min). |
De interventie maakt deel uit van het STORM-programma. Voor meer informatie: https://stormaanpak.nl/ |
6 Samenwerken
De richtlijn is gedeeltelijk herzien, met de focus op het onderdeel over suïcidaliteit. De module Samenwerken zal in de toekomst worden herzien. De huidige tekst in deze module is overgenomen uit de JGZ-richtlijn Depressie, gepubliceerd in 2016.
Met de transitie en de bijbehorende veranderingen in de zorg voor de jeugdigen verschuift ook (deels) de rol van de JGZ-professional. Als ketenpartner van de jeugdhulpverlening binnen een gemeente is de JGZ-professional medeverantwoordelijk voor de toeleiding naar 1e en 2e lijns hulpverlening voor jeugdigen met depressieve klachten. De Jeugdwet noemt naast sociale wijkteams als verwijzers de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts. Om miscommunicatie en onduidelijkheid te voorkómen dienen er goede samenwerkingsafspraken gemaakt te worden over de taakverdeling. De JGZ-professional heeft als taak te signaleren, het beloop te volgen en bij zorgen toe te leiden naar zorg en indien nodig te verwijzen. Voor het houden van overzicht en om het beloop te monitoren is een goed onderling contact tussen de ketenpartners essentieel. Daarbij is het eveneens van belang af te spreken wie de casemanager is. Dit kan bijvoorbeeld de JGZ-professional zijn.
De ontwikkelingen rondom de transitie zijn nog niet uitgekristalliseerd (2016). Elke gemeente maakt haar eigen afwegingen in de organisatie van sociale wijkteams en de keuze van zorgaanbieders en hulpverlening, binnen de kaders van de Jeugdwet. Het is de taak van de JGZ-professional om deze ontwikkelingen goed te volgen en op de hoogte te zijn van de mogelijkheden binnen zijn of haar gebied.
De rol van de JGZ in de samenwerking met de diverse ketenpartners
De JGZ-professional heeft een belangrijke rol in het (vroegtijdig) signaleren van depressieve klachten door een laagdrempelig aanbod van zorg, zoals beschreven in het basispakket JGZ. De JGZ-professional heeft een gedegen kennis van de normale ontwikkeling van jeugdigen en de risicofactoren die van invloed zijn op deze ontwikkeling. Met behulp van de contactmomenten, gestandaardiseerde vragenlijsten en informatie van school of andere betrokkenen kan een beeld gevormd worden over de psychosociale gezondheid van jeugdigen. Dit is een wettelijke taak die door JGZ-organisaties op verschillende manieren kan worden uitgevoerd. In het kader van de transitie en de nieuwe Jeugdwet zijn er initiatieven om de JGZ-professionals een taak te geven in de diagnostiek.
De jeugdarts, de huisarts, het sociale wijkteam of de kinderarts (of andere medisch specialist) kan rechtstreeks verwijzen naar de Jeugd-GGZ. Afhankelijk van de situatie (lokale afspraken, ernst van klachten, wens van ouders/jeugdige) wordt bekeken wie verwijst.
De behandeling van depressie is een taak van de Jeugd-GGZ. De JGZ-professional kan desgewenst als intermediair fungeren tussen de GGZ-behandelaar en de school. Ook kan incidenteel bemiddeld worden als de behandeling onvoldoende resultaat oplevert of dreigt te stagneren (b.v. contactherstel). Daarnaast kan de jeugdarts of jeugdverpleegkundige een rol spelen in de nazorg door na te gaan of het verwijs- en behandeltraject adequaat zijn verlopen en bij contacten in de toekomst gerichte aandacht besteden aan de huidige psychosociale ontwikkeling.
Het is essentieel om in het gehele traject niet alleen aandacht te hebben voor de jeugdige, maar ook de ouders hierbij te betrekken.
De informatie die mag/kan worden uitgewisseld en onder welke voorwaarden
Uiteraard kan er alleen informatie worden uitgewisseld nadat hiervoor toestemming is gegeven door de jeugdige en/of de ouders, afhankelijk van de leeftijd van de jeugdige. Rekening houdend met de patiëntenrechten in de zorg kan besproken worden welke informatie wel en niet met wie wordt gedeeld. Maak hierbij gebruik van ‘Het beroepsgeheim in samenwerkingsverbanden. Een Wegwijzer voor Zorgprofessionals’. Voor de samenwerking met de huisarts wordt geadviseerd gebruik te maken van de praktijkkaart huisarts en jeugdarts. Overweeg om het netwerk (met toestemming van ouder en jeugdige) te betrekken, zodat geanticipeerd kan worden op eventueel gedrag. De gemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering van de zorg voor jeugdigen. Sluit als het gaat om inhoudelijke informatieverstrekking aan bij de regionale ketenzorgafspraken.
De informatie die de JGZ-professional aan ouders en de jeugdige kan geven
De informatie die de JGZ-professional aan ouders en de jeugdige kan geven is gericht op het verhelderen van de problemen, inschatten van de risico’s en ze op het goede spoor van verdere hulp te zetten. Van belang is hierbij om niet direct in termen van diagnoses te spreken maar de klachten te benoemen en de eventuele gevolgen hiervan. Ook kan een beeld geschetst worden hoe hulpverlening eruit kan zien. Hiertoe dient de JGZ-professional tot op zekere hoogte kennis te hebben van de sociale kaart en de begeleidings- en behandelmogelijkheden bij depressieve klachten. In de JGZ organisatie kan één persoon verantwoordelijk gesteld worden voor het maken van de sociale kaart wanneer deze niet aanwezig is. Zie voor meer informatie het thema Interventies.
Aanbevelingen
7 Suïcidaliteit
Suïcide kan een ernstig gevolg zijn van een depressie. Naar schatting 60% van de jeugdigen met een depressieve stoornis rapporteert suïcidale gedachten en 30% doet een suïcidepoging. [18] Uit een meta-analyse van Liu et al. [126] naar factoren die samenhangen met zelfbeschadigend gedrag, suïcidale gedachten en suïcides onder (pre)adolescenten, komt naar voren dat depressie een belangrijke rol speelt. Zowel voor suïcidepogingen als voor suïcidale gedachten bleek depressie één van de voornaamste samenhangende factoren te zijn.
7.1 Signaleren van suïcidaliteit
De JGZ kan een belangrijke rol spelen bij het signaleren van suïcidaliteit bij jeugdigen met depressieve kenmerken (zie modules “Definitie en achtergrondinformatie” en “Signaleren, diagnostiek en verwijzen” voor meer informatie over depressieve kenmerken), maar heeft geen diagnosticerende functie. Bij een vermoeden van suïcidaliteit dient dit altijd actief besproken en uitgevraagd te worden. Iedere professional heeft hierin een verantwoordelijkheid. Gezien de ernst van de problematiek is bij een vermoeden van suïcidaliteit snelle doorverwijzing naar de tweede of derde lijn geïndiceerd. Daarbij moet gezegd worden dat continuïteit van zorg een zeer belangrijke beschermende factor is. In geval van verwijzing naar specialistische zorg is daarom van belang dat de JGZ-professional in contact blijft met de jeugdige en naasten tot de zorg elders goed is opgestart.
Er is een sterke link tussen depressie of depressieve klachten bij jeugdigen en suïcidaliteit [126][131], wat het belang van vroegtijdige signalering en preventieve acties onderstreept. Suïcidaliteit omvat alle gedachten, wensen, fantasieën, voorbereidingshandelingen en pogingen met een zekere intentie om zichzelf te doden [143]. In 2023 overleden per week gemiddeld vijf jeugdigen en jongvolwassenen (tot 30 jaar) aan suïcidaliteit [132]. Verder geeft in het zestiende kwartaalonderzoek van het Gezondheidsonderzoek COVID-19 [133] 15% van de jeugdigen tussen 12 en 25 jaar aan in de afgelopen drie maanden wel eens of vaker aan zelfdoding te hebben gedacht.
Welke taken heeft de JGZ aangaande suïcidaliteit [128]?
- Suïcidaliteit signaleren.
- Contact maken met de jeugdige.
- Suïcidaliteit bespreekbaar maken.
- Suïcidaliteit uitvragen.
- Motiveren voor professionele hulp.
- Naar passende zorg toeleiden.
- Informeren van en afstemmen met alle betrokken partijen.
- In contact blijven met de jeugdige.
- Suïcidaliteit blijven bespreken.
- Ondersteunen bij uitvoering veiligheidsplan (meer over het veiligheidsplan in de sectie over begeleiden).
In de Leidraad Suïcidepreventie bij Jongeren [128] wordt aangegeven dat onderzoek laat zien dat het inschatten van suïciderisico (risicotaxatie) niet zinvol is bij suïcidepreventie. Er blijkt geen methode te zijn waarmee het risico op suïcide kan worden voorspeld [134][135][136][137]. Het is belangrijk dat zowel professionals, jeugdigen en naasten weten dat het niet goed mogelijk is om met risicotaxatie instrumenten te voorspellen hoe groot de kans is dat een specifeke jeugdige zich zal suïcideren. Het is wel belangrijk om goede diagnostiek te doen naar de aard, betekenis en ernst van de suïcidaliteit.
Het belangrijkste is om als JGZ-professional:
- Het gesprek over suïcidaliteit aan durven te gaan.
- Altijd alles in overleg te doen met degene waar het om gaat.
- Steeds te vertellen wat je gaat doen en wanneer.
Het is belangrijk om professionele afwegingen, wat wordt gedaan en de afspraken die worden gemaakt, vast te leggen in het dossier van de jeugdige. Zo is de informatie makkelijk vindbaar voor collega’s indien nodig, kan de suïcidaliteit gemonitord worden en kan achteraf worden teruggehaald waarom welke keuzes zijn gemaakt.
Wees empathisch en waardevrij van oordeel in het contact. Neem suïcidaliteit altijd serieus, zelfs als het niet zo lijkt, of als de persoon een heel andere indruk wekt dan verwacht zou worden bij suïcidaliteit (bijvoorbeeld iemand die er lachend over praat zonder tekenen van verdriet). Betrek naasten en besef dat zij een waardevolle bron van informatie zijn [138]. Suïcidaliteit is een beladen onderwerp dat ook voor zorgprofessionals lastig kan zijn in het beroepsmatig handelen. Er zijn trainingen beschikbaar voor zorgprofessionals, bijvoorbeeld de suïcidepreventietraining Gatekeeper die door 113 wordt aangeboden. Een voorbeeld van een laagdrempeliger hulpmiddel is de VraagMaar app die door 113 is ontwikkeld. Naast het volgen van trainingen is het belangrijk dat de zorgprofessional zich bewust is van wat een gesprek over suïcidaliteit met hem of haar doet, regelmatig bij zichzelf incheckt en belastende gesprekken bespreekt met collega’s. Op deze manier blijft hij of zij zowel professioneel als mentaal goed ondersteund.
In de Leidraad Suïcidepreventie bij Jongeren [128] staat een stappenplan dat houvast kan bieden voor de ondersteuning bij suïcidaliteit (daarnaast zijn op de website van 113 een format voor een protocol en een samenvattingskaart voor het jeugddomein te vinden die nuttig kunnen zijn).
Overzicht stappenplan
Stap 1: Maak contact met de jeugdige.
Stap 2: Herken de signalen van suïcidaliteit.
Stap 3: Ga in gesprek en maak contact met de wanhoop van de jeugdige.
Stap 4: Zorg voor veiligheid, met aandacht voor autonomie.
Stap 5: Bepaal welke hulp ingezet moet worden.
Stap 6: Werk samen met alle betrokkenen aan de suïcidaliteit, het perspectief en de hoop.
Stap 7: Blijf in contact met de jeugdige, naasten en andere betrokkenen.
Stap 8: Evalueer de suïcidaliteit van de jeugdige.
Wat betreft het signaleren van suïcidaliteit wordt in deze module dieper ingegaan op stappen 1 t/m 3. Stappen 4 t/m 8 zullen in de module “Begeleiding in geval van signalen van suïcidaliteit” nader worden toegelicht.
Aanbevelingen
7.1.1 Uitgangsvragen
- Hoe herken je suïcidaliteit bij jeugdigen en maak je het bespreekbaar?
7.1.2 Maak contact met de jeugdige
Contact maken zorgt ervoor dat jeugdigen zich gehoord en gesteund voelen en zich open durven te stellen. Jeugdigen zullen als gevolg eerder over aanwezige suïcidaliteit praten. Ook helpt contact maken om signalen van suïcidaliteit op te merken zonder dat de jeugdige er zelf mee komt. Hieronder volgen aandachtspunten bij het maken van contact:
- Wees beschikbaar, neem de tijd (profesisonele nabijheid).
- Neem, voordat het over de inhoud gaat, de tijd om van mens tot mens contact te maken.
- Vraag of iemand wil praten of liever iets anders wil doen. Bijvoorbeeld samen een wandeling maken, muziek luisteren of juist stil zijn en niets hoeven.
- Laat de jeugdige vertellen en luister aandachtig.
- Let op de eigen non-verbale communicatie, zoals houding, de snelheid van praten en de toon. Zorg dat de non-verbale en de verbale communicatie overeenkomen.
- Begrens liefdevol als dat nodig is, bijvoorbeeld als de jeugdige non-stop en associatief spreekt.
- Probeer een voorstelling te krijgen van hoe de situatie voor de jeugdige is.
- Help de jeugdige bij het verwoorden van gedachten en gevoelens.
- Vat het gesprek regelmatig samen.
- Gebruik dezelfde taal als de jeugdige.
- Wees eerlijk en open over het eigen handelen en de redenen voor dit handelen.
- Kom afspraken na.
- Blijf bij de jeugdige, ook als deze afwijzend gedrag vertoont vanwege spanning.
- Bied de mogelijkheid tot appen of mailcontact.
7.1.3 Herken de signalen van suïcidaliteit
De tweede stap is het herkennen van signalen van suïcidaliteit. Het volgende is daarbij belangrijk:
Zorg dat je basiskennis hebt over suïcidaliteit, zoals op welke signalen je moet letten, hoe suïcidaliteit ontstaat, het beloop ervan en welke risicofactoren er zijn. 113 biedt op haar website een handig overzicht aan.
- Wees je bewust van je eigen ‘niet-pluisgevoel’.
- Let op uitingen zoals ‘ik zie het niet meer zitten’ (uitingen van wanhoop, zie ook Akwa GGZ [139]).
- Let op (plotselinge) veranderingen in het gedrag (zie ook Deutsche Gesellschaft für Kinder- und Jugendpsychiatrie, Psychosomatik und Psychotherapie [140]).
- Wees extra alert als er iets gebeurt dat de jeugdige uit balans brengt, zoals een ernstig verlies (inclusief verlies van gezondheid, zie ook Akwa GGZ [139]), een grote verandering in het leven van de jeugdige of een transitiemoment in de behandeling.
- Bespreek (als het kan) met een bevoegde zorginhoudelijke collega (jeugdarts, op middelbare scholen de zorgcoördinator) of deze jouw gevoel en waarnemingen herkent.
Hou er rekening mee dat de communicatie over suïcidaliteit verschilt tussen jongens en meisjes. Belangrijk daarin is dat jongens vaker dan meisjes op een indirecte manier over suïcidaliteit communiceren op een haast luchtige manier, of door grapjes te maken. Morbide grapjes of taalgebruik zijn daarmee bij jongens een mogelijk signaal [141].
Andere waarschuwingssignalen die worden genoemd in de Duitse richtlijn Suïcidaliteit voor kinder- en jeugdpsychiatrie [140]:
- Apathie.
- Terugtrekking uit sociale contacten.
- Ernstige slaapproblemen.
- Veranderingen in eetgedrag.
- Preoccupatie met sterven of de dood.
- Stemmingswisselingen, verhoogde emotionele labiliteit.
- Sterke schuldgevoelens en zelfverwijten.
- Gevoel van waardeloosheid.
- Gejaagdheid of verhoogde activiteit.
- Beperkte probleemoplossende vaardigheden.
- Zwart-wit denken.
- Aanwezigheid van een psychosociale crisis.
- Weggeven van persoonlijke bezittingen.
- Uiting van “altruïstische” suïcide- of opofferingsideeën.
Natuurlijk kan suïcidaliteit ook spelen zonder dat de genoemde signalen zich voordoen. Bij elke jeugdige zien de signalen er anders uit. Signalen zijn soms zo onduidelijk dat ze niet als zodanig herkend worden of pas achteraf, als de poging heeft plaatsgevonden.
Wees in sommige situaties extra alert
Wees extra alert op signalen als er iets gebeurt dat de jeugdige uit balans brengt. Doe in ieder geval actief en expliciet navraag naar suïcidegedachten bij:
- Een uiting van wanhoop.
- Een crisissituatie.
- Een ernstig verlies, ingrijpende gebeurtenissen en grote veranderingen in het leven van de jeugdige.
- Een mogelijke of daadwerkelijke uithuisplaatsing.
- Transitiemomenten in de behandeling, zoals een wisseling van professional of groep.
- Een onverwachte gebeurtenis in de zorg, zoals verlenging van een opname.
- Gebrek aan verbetering of een verslechtering van de situatie van de jeugdige.
- Een plotse verbetering in de situatie van de jeugdige.
- Een eigen ‘niet-pluisgevoel’.
Naast signalen die mogelijk op suïcidaliteit duiden, worden ook concrete risicofactoren en risicosituaties genoemd [128][140]:
|
Suïcidaliteit:
|
|
Persoonskenmerken:
|
|
Psychologische factoren:
|
|
Gebeurtenissen:
|
|
Gezinsfactoren:
|
|
Sociale media:
|
7.1.4 In gesprek gaan
Bij het vermoeden dat een jeugdige aan suïcide denkt, is het belangrijk om dit ook bij deze jeugdige na te vragen. De signalen die zijn opgemerkt, kunnen namelijk wijzen op gedachten aan suïcide, maar ook op andere problemen. Ga zo snel mogelijk in gesprek met de jeugdige. Durf over de suïcidaliteit te praten zonder de jeugdige over te halen het niet te doen. Soms is alleen praten over suïcidaliteit al helpend. Belangrijk is om gedurende het hele gesprek in contact te blijven met de jeugdige.
Hoe het gesprek over suïcidaliteit aan te gaan?
- Wees oprecht en geïnteresseerd.
- Geef aan dat je je zorgen maakt.
- Benoem de signalen die je ziet.
- Stel de vraag: “Denk je weleens aan zelfmoord?”
- Raak niet in paniek en blijf rustig in het gesprek.
- Uit gevoelens van schrik transparant maar beheerst.
- Vraag uit wat er is gebeurd waardoor de jeugdige suïcidegedachten heeft. Probeer de jeugdige zo goed mogelijk te begrijpen en leg eventueel je eigen gedachten aan de jeugdige voor over wat er zou kunnen spelen.
- Zorg dat je weet welke risicofactoren (zie sectie 7.1.3 over het herkennen van signalen van suïcidaliteit) en beschermende factoren (voor voorbeelden, zie kader 1) van suïcidaliteit aanwezig zijn bij de jeugdige en/of vraag ernaar in het gesprek.
- Vraag uit hoe sterk de suïcidegedachten zijn.
- Vraag hoe vaak de gedachten er zijn en hoe concreet ze zijn. Is er een concreet plan en/of datum? Zijn er middelen binnen handbereik?
- Vraag of de jeugdige al eerder suïcidegedachten heeft gehad en zo ja, wat de jeugdige dan deed. Wat hielp om deze gedachten te verminderen of om het niet uit te voeren?
- Vraag altijd wie de belangrijkste familieleden en vrienden zijn en op welke manier zij betrokken kunnen worden.
- Probeer de jeugdige niet over te halen het niet te doen.
- Praat iemand geen schuldgevoel aan. Laat merken dat suïcidegedachten er mogen zijn.
- Bevestig dat je de emoties kan voorstellen, maar zeg niet: “Ik begrijp dat je zelfmoordgedachten hebt.” Zo voorkom je bevestiging van de suïcidaliteit.
- Beloof geen geheimhouding, beloof zorgvuldigheid. Leg uit dat het te zwaar voor de jeugdige is om alleen met de gedachten aan suïcide rond te blijven lopen.
Kader 1. Voorbeelden van beschermende factoren [142][143][144]
|
7.1.5 Overige overwegingen
Vanuit een jongerenpanel (gehouden in november 2025) zijn nog adviezen gekomen ten aanzien van enkele aanbevelingen.
- Vraag bij kinderen en adolescenten met stemmingsklachten altijd actief naar suïcidale gedachten en gedrag.
Commentaar jongerenpanel:
Prima om naar te vragen. Wel confronterend als dat gevraagd zou worden, kan kort door de bocht zijn. Je wil niet te laat zijn dus goed om te vragen, maar wel laagdrempelig: vraag inleiden bijvoorbeeld: ‘ik heb een moeilijke vraag voor je, maar wil het graag bespreken’. Dus inleiden als moeilijk iets. Het moet niet voelen als checklist. Zo voelt het ook als iets belangrijks. Echt goed om te vragen.
- Maak contact met de jeugdige – ook als deze afwijzend gedrag vertoont – en ga het onderwerp suïcidaliteit niet uit de weg, maar maak het bespreekbaar.
Commentaar jongerenpanel:
Ook bij afwijzend gedrag. Beetje vaag: maak contact met jeugdige. Pushen zover nodig is.
7.2 Begeleiding in geval van suïcidaliteit
In de eerste plaats ligt de nadruk op het zorgen voor veiligheid (‘safety first’) en het ondersteunen van de jeugdige bij het overleven van de voor hem uitzichtloze situatie. Bij direct gevaar kan iemand beter niet alleen worden gelaten. Het is aan te bevelen om naasten te vragen bij de jeugdige aanwezig te blijven [139]. In het geval van acute suïcidaliteit is het essentieel dat de jeugdige zich in een beschermde omgeving bevindt, zodat zelfbeschadiging kan worden voorkomen. Het is voor de jeugdige belangrijk dat zorgprofessionals dit lijden erkennen. Stel in het contact met de jeugdige diens persoonlijke ervaring centraal en neem deze serieus. Probeer te luisteren zonder te veroordelen, houd contact en houd het onderwerp bespreekbaar [114].
Advies is om een veiligheidsplan op te stellen. Dit is een taak die niet primair bij de JGZ-professional ligt, maar de JGZ kan wel ondersteunen bij de uitvoering van het veiligheidsplan. Het veiligheidsplan is een bewezen effectieve tool voor zelf-monitoring en zelfregulatie [145]. In het veiligheidsplan worden afspraken vastgelegd over het verhogen van de veiligheid en het voorkomen van gevaarlijk gedrag. Het is belangrijk dat het plan van de jeugdige zelf is, eruitziet zoals de jeugdige dat wil en door de jeugdige zelf ingezet kan worden op moeilijke momenten. Een voorbeeld van een veiligheidsplan is te vinden via 113.
Ook in het stappenplan van de Leidraad Suïcidepreventie bij Jongeren [128] worden handvatten gegeven voor het begeleiden van jeugdigen bij wie suïcidaliteit (mogelijk) aan de orde is.
Aanbevelingen
7.2.1 Uitgangsvragen
- Hoe kunnen JGZ-professionals jeugdigen en hun ouder(s)/verzorger(s) bij een depressie met suïciderisico begeleiden?
7.2.2 Zorg voor veiligheid
Vraag eerst of de jeugdige een veiligheidsplan heeft. Zo ja, kan deze geraadpleegd worden. Als er geen veiligheidsplan is, vraag dan wat de jeugdige nu nodig heeft om de suïcidegedachten te verminderen of te verdragen.
Voorbeelden van vragen die gesteld kunnen worden:
- Hoe zorgen we dat je zo goed mogelijk door deze heftige periode komt?
- Is er iemand die je nu graag bij je wilt hebben?
- Hoeveel nabijheid is nu en de komende dagen nodig?
- Hoe gaan we deze nabijheid vormgeven?
- Wat kan ik nu doen om jou te helpen?
- Wie kan jou verder op dit moment helpen?
- Wat ga jij nu doen wat helpend is?
- Hoe wil jij dat we contact houden over jouw gevoelens en gedachten en gedrag?
Bespreek als JGZ-professional met de jeugdige dat het belangrijk is hulp te krijgen. Deze gedachten zijn te zwaar om alleen te dragen. Overleg met de jeugdige over de te nemen stappen. Denk aan de ouder(s)/verzorger(s) opbellen, er een collega bij halen of de GGZ betrekken, het opbergen van gevaarlijke voorwerpen, samen in een ruimte zitten om te kalmeren of samen gaan wandelen. Vertel wat er gaat gebeuren en waarom. Maak onderscheid tussen wat de jeugdige zelf kan doen en wat jij doet. Het is heel belangrijk dat de jeugdige niet alleen wordt gelaten als er grote zorgen om de jeugdige zijn.
7.2.3 Bepaal welke hulp ingezet moet worden
Binnen elke regio en organisatie moeten er afspraken zijn over wie geïnformeerd en/of geraadpleegd wordt bij suïcidaliteit. Dit kan gaan om professionals binnen de eigen organisatie, maar ook om naasten en externe professionals. Zorgprofessionals moeten dus weten hoe dit binnen hun regio en organisatie geregeld is. In kader 2 is een korte checklist te vinden over met wie contact op te nemen. Benadrukt moet worden dat continuïteit van zorg van belang is. Het is een zeer belangrijke beschermende factor. In geval van verwijzing naar andere (specialistische) zorg is daarom van belang dat de JGZ-professional in contact blijft met de jeugdige (en naasten) tot de zorg elders goed is opgestart. Informeer (met toestemming van de jeugdige) ook de huisarts, zeker als wordt doorverwezen naar de GGz.
Kader 2. Met wie contact opnemen?
|
Wat als de jeugdige absoluut geen hulp wenst? [128]
- Als de JGZ-professional zelf de inschatting kan maken dat hulp op dat moment niet nodig is, geef dan een aantal contactgegevens mee van personen of organisaties waarmee deze contact kan opnemen als hulp wel nodig is. Denk daarbij aan mogelijkheden binnen (zoals de huisarts) en buiten kantoortijden (zoals 113). Spreek verder in het netwerk af wie een actieve en ‘outreachende’ rol blijft vervullen. Cruciaal in deze ‘route’ is laagdrempelig in contact te blijven met de jeugdige. Maak bijvoorbeeld de afspraak dat je een week later even belt om te vragen hoe het gaat, en dan een week later weer, et cetera. Zorg dat de jeugdige weet dat als hij/zij wel hulp wenst, de deur open staat.
- Denkt de JGZ-professional dat het niet verantwoord is de jeugdige te laten gaan? Of is deze inschatting lastig te maken? Schakel dan een collega in die bevoegd is (jeugdarts, op scholen de zorgcoördinator) om samen deze afweging te maken. Bespreek ook samen met het informele en professionele netwerk welke opties er zijn en wie wat doet. Denk aan investeren in het winnen van het vertrouwen van de jeugdige, de omgeving handvatten aanreiken om met de suïcidaliteit om te gaan, als netwerk in contact blijven over het welzijn van de jeugdige of het overwegen van vervolgzorg. Wees transparant naar de jeugdige toe over wat er besproken wordt.
7.2.4 Samenwerking met betrokkenen
De gedachten aan suïcide zullen niet van de ene op de andere dag weg zijn. Samen met de jeugdige, naasten en betrokken professionals wordt gewerkt aan het verminderen van de suïcidaliteit:
- Verzamel samen met de jeugdige, naasten en benodigde professionals informatie uit het hele netwerk over de suïcidaliteit en het ontstaan ervan. Onderzoek samen wat maakt dat de jeugdige nu kampt met suïcidaliteit.
- Kom samen tot een plan van aanpak. Spreek af wat ieders rol hierin is.
- Bespreek het veiligheidsplan en biedt elkaar ondersteuning bij het uitvoeren ervan.
- Benader elkaar bij toenemende zorgen om de jeugdige en bij complexe vraagstukken.
- Maak afspraken met elkaar over zaken als taakverdeling (waaronder de zorgcoördinatie), het delen van informatie, verwijsmogelijkheden en het opnamebeleid.
- Probeer in ieder geval een actieve samenwerking met de ouder(s)/verzorger(s) op te starten, tenzij je inschat dat dit averechts werkt. Voor jeugdigen onder de 16 jaar is het betrekken van de ouder(s)/verzorger(s) verplicht. Als een jeugdige 16 jaar of ouder is, is toestemming van de jeugdige nodig voor het betrekken van de ouder(s)/verzorger(s). Soms wordt ingeschat dat ouder(s)/verzorger(s) betrekken averechts werkt of houdt de jeugdige voet bij stuk en wil deze het niet. Zet dit dan als onderwerp van gesprek op de agenda, plan een moreel beraad en betrek eventueel in overleg met de jeugdige anderen uit het directe netwerk.
- Werk samen aan perspectief en hoop. Perspectief en hoop verkleinen het risico op suïcidaliteit. Je kunt bijvoorbeeld perspectief en hoop bieden door met de jeugdige te praten over wensen, interesses en talenten, een ervaringsdeskundige in te zetten en zinvolle dagbesteding te bieden.
- Geef aan dat de suïcidegedachten er nu zijn, maar ook weer kunnen verdwijnen.
7.2.5 In contact blijven met betrokkenen
Vraag de komende periode regelmatig aan de jeugdige hoe het gaat, ook als er niet langer sprake van suïcidaliteit lijkt te zijn. Vergeet ook niet om samen over andere onderwerpen te praten dan suïcidaliteit. Houd ook contact met naasten en andere betrokkenen. Ondersteun hen bij het omgaan met de suïcidaliteit. Heb als professional aandacht voor het gezin dat om de jeugdige heen staat. Kijk waar je het gezin kan ondersteunen, dit kan door:
- Ze hun verhaal te laten doen.
- Ze aandacht en erkenning voor hun emoties te geven.
- Ze te helpen bij hun worsteling met gevoelens van verantwoordelijkheid.
- Ze uitleg te geven over de behandeling, gestelde diagnoses en suïcidaliteit.
- Ze te vragen of ze kunnen overzien wat ze nodig hebben en willen:
- zo ja, ze te vragen wat zij nodig hebben, wat ze willen en hoe ze betrokken willen worden.
- zo nee, ze voorbeelden te geven van wat er zou kunnen.
- Ze een training aan te bieden over omgaan met suïcidaliteit, bijvoorbeeld de VraagMaar online training suïcidepreventie.
- Ze tips te geven over het contact houden met elkaar.
- Het bespreken van lastige thema’s als overbelasting van het gezin, autonomie en controle.
- Te helpen bij het vergroten van hun veerkracht, bijvoorbeeld door:
- uit te stralen dat elk gezin zich kan herpakken.
- een open en duidelijke wijze van communiceren te stimuleren.
- naar de manieren te vragen die het gezin kent om met stressvolle situaties om te gaan.
- naar hulpbronnen te vragen, zoals het geloof, samen de natuur opzoeken, sportieve activiteiten ondernemen of muziek luisteren.
- te zoeken naar onderlinge verbindingen, om het vertrouwen weer te vergroten.
- Te helpen bij het tijd vrij maken voor elkaar.
- Te helpen bij het vinden van de juiste zorg als bij hen psychische klachten spelen of ontstaan.
- Te wijzen op de hulplijn (telefoonnummer 113), deze is ook bedoeld voor naasten die vragen hebben.
- Te verwijzen naar een brussengroep (voor broers en zussen) of oudergroep.
Het Suïcide Preventie Centrum biedt bijvoorbeeld een zelfhulpgroep voor naasten aan: Mee Leven – Zelfhulpgroep naasten. Verder is er de website MijnKindWilDood.nl, ter ondersteuning van ouders. Mee-leven is een Belgische website voor en door naasten van een gezinslid die kampt met suïcidaliteit: Mee-leven met iemand die aan zelfdoding denkt.
Monitor tegelijkertijd de impact van de suïcidedreiging:
- Bespreek in het team wat de suïcidaliteit met jou en andere professionals heeft gedaan. Als je merkt dat het werken met suïcidaliteit veel van je vraagt, zoek dan bijvoorbeeld steun bij collega’s en naasten, en geef je grenzen op tijd aan.
- Houd in het geval van een groep de andere jeugdigen goed in de gaten. Zorg dat je weet hoe het met ze gaat en geef ze ondersteuning waar nodig. Wees je bewust van de ‘besmettelijkheid’ van suïcidaliteit bij het bespreken van het thema in een groep. Weet dat individueel vragen naar suïcidaliteit een jeugdige niet kan aanzetten tot, het kan iemand juist uit zijn isolement halen.
- Wees er voor ouders/naasten. Houd contact met hen, geef informatie, vraag waar ondersteuning nodig is en geef deze of verwijs ze door voor ondersteuning.
- Houd nauw contact met school. Voor scholen is de handreiking ‘Als ik kan zeggen wat ik denk’ beschikbaar. Deze handreiking bevat tips om met een leerling in gesprek te gaan en een zelfmoordpreventie-protocol op maat te maken. Verder is er een ‘Stappenplan suïcidepreventie scholieren’ en een ‘Signaleringskaart Zelfmoordpreventie voor het onderwijs’ over suïcidaliteit bij leerlingen. Ook kunnen leraren, mentoren en zorgteams altijd bellen met de overleg- en advieslijn van 113.
- Blijf ook in contact met je eigen gevoelens en wat het bij jou oproept.
7.2.6 Evalueren
Het evalueren van suïcidaliteit is belangrijk. Door een suïcidale periode van iets meer afstand te bekijken, worden zaken die goed gingen en die beter konden zichtbaar. Deze informatie helpt bij het aanscherpen van het stappenplan en het beleid:
- Evalueer hoe er binnen de eigen organisatie gehandeld werd en hoe de samenwerking met andere betrokkenen verliep. Doe dit samen met de jeugdige, naasten en de betrokken zorgprofessionals. Het document Evaluatie suïcidepreventie organisaties kan helpen bij de evaluatie.
- Evalueer wat je te weten bent gekomen over de jeugdige en hoe dat helpend kan zijn in de toekomst. Doe dit samen met de jeugdige, naasten en het professionele netwerk.
- Zorg bij het evalueren voor een overzichtelijke dossiervorming. Dat helpt bij het ontdekken van patronen en het overdragen van informatie.
7.2.7 Overige overwegingen
Het welzijn van de JGZ-professional
Werken met jeugdigen bij wie suïcidaliteit speelt kan aan de ene kant voldoening geven. Vooral als je als JGZ-professional ziet dat de worsteling van de jeugdige minder zwaar wordt, deze weer aan zijn toekomst durft te denken en stap voor stap bouwt aan het leven. Aan de andere kant kan het ook zwaar zijn. Net zoals de jeugdige niet alleen met de gedachten moet worstelen, moet een zorgprofessional niet proberen de situatie alleen te dragen. Het is belangrijk om samen te werken met anderen en zo samen de verantwoordelijkheid te dragen [146]. Ook is het belangrijk om als zorgprofessional goed voor jezelf te zorgen en je kennis over suïcidaliteit up-to-date te houden. Enkele tips:
- Beloof geen geheimhouding. Dit belast je eigen draagkracht te veel en voor effectieve begeleiding of behandeling is afstemming met collega’s en naasten van belang.
- Bespreek de suïcidaliteit van de jeugdige in teamvergaderingen.
- Vraag om hulp als je ergens over twijfelt.
- Wees open over je eigen gevoelens en bespreek deze in het team.
- Wees open over je eigen (on)mogelijkheden in het omgaan met deze problematiek.
- Grijp tijdig in als je signalen voelt bij jezelf die duiden op overbelasting.
- Zorg voor een gezonde leefstijl.
- Durf grenzen aan te geven, om hulp te vragen en hulp te aanvaarden.
- Neem pauze en ga regelmatig even weg van het werk.
- Probeer elkaar te steunen in het team en leer van elkaar (onder andere met intervisie).
- Vergroot je kennis over suïcidaliteit. Je krijgt dan meer vertrouwen in je eigen handelen en bent beter voorbereid indien er onverhoopt een suïcide plaatsvindt [147].
- Houd de eigen professionaliteit op peil door regelmatig contact met andere zorgprofessionals, zowel binnen als buiten de instelling, bijscholing en intervisie.
- Kijk als collega’s naar elkaar om en laat het de ander weten als je je zorgen maakt.
- Als je naar een collega luistert, luister dan en voorkom het direct geven van tips en inhoudelijke behandeladviezen. Dit kan het mogelijke faalgevoel alleen maar vergroten.
In geval van een suïcide is het volgende van belang [138]:
- Vermijd te allen tijde het gevoel bij de behandelaren dat zij persoonlijk verantwoordelijk zijn of zullen worden gehouden voor het overlijden.
- Intercollegiale opvang dient zo snel mogelijk opgestart te worden waarbij ook goed moet worden nagegaan of iedereen nog voldoende in staat is om als hulpverlener op te treden. Zorg zo nodig voor vervanging, zodat de medewerker ruimte krijgt om het nieuws te verwerken.
- Bespreek de suïcide(-poging) in het team en maak hiervan een verslag. Organiseer zo nodig een vervolg (bijvoorbeeld in de vorm van intervisie).
- Zorg als professional voor jezelf en zoek hulp wanneer nodig.
Belangrijk voor organisaties
- Zorg dat het onderwerp suïcidaliteit is ondergebracht bij een medewerker die fungeert als aanspreekpunt voor collega’s en de verantwoordelijkheid draagt voor het actualiseren van het beleid. Dit is de aandachtsfunctionaris suïcidepreventie (deze rol kan binnen de JGZ ook worden opgepakt door de aandachtsfunctionaris mentale weerbaarheid en mentale gezondheid).
- Zorg dat medewerkers weten wat er van hen verwacht wordt. Dat maakt het makkelijker te handelen op het moment dat zich suïcidaliteit voordoet. Dit moet beschreven staan in het suïcidepreventieprotocol van de organisatie.
- Heb aandacht voor het welzijn van de zorgprofessionals. Zorg dat professionals het gevoel hebben dat ze veilig over suïcidaliteit en de impact daarvan kunnen praten, en weten waar ze terechtkunnen. Wees een steun voor professionals na suïcidedreiging of een suïcide(poging).
- Basiskennis van suïcidaliteit helpt bij het voeren van het gesprek over suïcidaliteit en vergroot het zelfvertrouwen in het omgaan met suïcidaliteit. Geef medewerkers daarom de gelegenheid een suïcidepreventietraining te volgen.
- Geef ruimte voor leren en reflecteren. Laat collega’s onderling uitwisselen over hun manier van werken en stimuleer deelname aan regionale en landelijke leernetwerken over suïcidaliteit en aanverwante thema’s.
- Geef ruimte voor samenwerken met betrokkenen. Hierbij gaat het om naasten en zorgprofessionals uit het hele jeugdnetwerk.
- Zorg voor continuïteit van zorg. Om continuïteit van zorg te borgen, is het belangrijk dat de jeugdige zo min mogelijk wisselt van zorgprofessional of plek, er bij een overgang een warme overdracht plaatsvindt, er sluitende afspraken in het jeugdnetwerk worden gemaakt over wie wat wanneer doet en behandelverantwoordelijk is, en er extra aandacht is voor de overgang van jeugdhulp naar volwassenenzorg.
- Geef ruimte voor evaluatie bij suïcidaliteit. Evaluaties zijn belangrijke leermomenten. Zowel op casusniveau, organisatieniveau en regionaal niveau kun je kijken wat je te weten bent gekomen, wat er goed ging en wat er beter kon. Met deze informatie kan het suïcidepreventiebeleid verder aangescherpt worden.
Adviezen vanuit jongerenpanel
Vanuit een jongerenpanel (gehouden in november 2025) zijn nog adviezen gekomen ten aanzien van enkele aanbevelingen.
- Elke jongere bij wie suïcidaliteit of ander schadelijk gedrag speelt moet een veiligheidsplan hebben.
Commentaar jongerenpanel:
Goed om te hebben. Veiligheidsplan: samen opstellen, stappen om uit te komen. Goed wanneer dit samen gebeurt en jeugdigen. Er moet in komen dat dit plan samen wordt opgesteld: voor autonomie jongere en werkt niet voor iedereen hetzelfde. Houd er rekening mee dat dit een confronterend iets is om te stellen voor jongeren.
- Continuïteit van zorg is een zeer belangrijke beschermende factor. In geval van verwijzing naar specialistische zorg bij depressie/suïcidaliteit is daarom van belang dat de JGZ-professional in contact blijft met de jeugdige (en naasten) tot de zorg elders goed is opgestart.
Commentaar jongerenpanel:
Handig dat de JGZ professional er altijd is, en dat je niet altijd opnieuw alles moet uitleggen. Heel irritant om verhaal steeds opnieuw te moeten doen. Goed om dan JGZ als vertrouwelijk persoon te hebben.
8 Totstandkoming
Werkwijze
Op uitnodiging van de programmacommissie van ZonMw Richtlijnen Jeugdgezondheidszorg heeft een werkgroep van ter zake deskundigen, onder voorzitterschap van drs. Elise Buiting, de JGZ-richtlijn Depressie ontwikkeld. Voor de ontwikkeling van de richtlijn maakte de werkgroep gebruik van wetenschappelijke en ervaringskennis (zie verantwoording), en zij raadpleegde een voor deze richtlijn samengestelde adviesgroep. Een projectgroep van het Trimbos-instituut onder leiding van dr. Henny Sinnema heeft methodologische ondersteuning geboden en het richtlijnontwikkelproces begeleid. Ook hebben zij grotendeels de richtlijntekst geschreven. De werkgroep is bij alle fasen van de ontwikkeling van de richtlijn intensief betrokken geweest. In totaal zijn er 11 werkgroepbijeenkomsten geweest.
Uitgangsvragen
Voorafgaande aan de richtlijnontwikkeling is een knelpuntenanalyse uitgevoerd. Op basis van deze knelpuntenanalyse zijn uitgangsvragen opgesteld. Op die uitgangsvragen geeft de richtlijn antwoord. De uitgangsvragen zijn te vinden bij de verschillende thema’s.
BDS-protocol behorende bij de richtlijn
Samen met het NCJ is een registratieprotocol ontwikkeld.
Praktijktest en commentaarronde
Om de richtlijn zo toepasbaar mogelijk te maken voor de praktijk en knelpunten in de uitvoering op te sporen is een praktijktest uitgevoerd. Aan de test hebben vier JGZ-teams deelgenomen. In de praktijktest zijn de ervaringen van professionals met de toepassing van de richtlijnaanbevelingen inzichtelijk gemaakt. Het BDS-protocol is van commentaar voorzien en aangepast. Tegelijkertijd met de praktijktest vond een commentaarronde plaats. Op basis van de praktijktest en de commentaarronde is de richtlijn aangepast. Eveneens zijn er aanbevelingen voor landelijke invoering van de richtlijn gedaan.
Richtlijn Advies Commissie
De RAC heeft de richtlijn op 3 momenten beoordeeld: voor de praktijktest, na de praktijktest en commentaarronde en voor de autorisatie. Na iedere beoordeling is de richtlijn aangepast. Op 21 november 2016 is de JGZ-richtlijn Depressie geautoriseerd.
Publicatie en implementatie
Het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) is verantwoordelijk voor de publicatie. Daarnaast heeft het NCJ als taak de richtlijn te verspreiden en te implementeren in het veld.
Cliënten participatie
De cliënten participatie in de ontwikkeling van de JGZ-richtlijn depressie is vormgegeven door deelname van de Depressie Vereniging aan de werkgroep.
Samenstelling werkgroep
| Naam | Functie | Organisatie |
| Corine Bosch | Jeugdverpleegkundige | Namens GGD Amsterdam |
| Drs. Elise Buiting | Voorzitter werkgroep, stafarts en adviseur GGD Hart voor Brabant | |
| Drs. Manje Dijkema | Jeugdarts GGd Hollands Noorden | Namens AJN |
| Drs. Maarten Jacobs | Huisarts Docent, Kaderhuisarts GGZ | Namens NHG |
| Drs. Herman Kief | Psychiater en bestuurslid Depressie vereniging | Namens Depressie Vereniging |
| Drs. Marijke Polderman | Jeugdarts | Namens GGD Amsterdam |
| Dr. Catrien Reichart | Kinder- en jeugdpsychiater | Namens NVvP |
| Margreet de Ruiter | Stafverpleegkundige | Namens V&VN |
| Drs. Matthijs Oud | Wetenschappelijk medewerker | Trimbos instituut |
| Dr. Henny Sinnema | Projectleider | Trimbos instituut |
| Drs. Daniëlle Volker | Wetenschappelijk medewerker en uitvoerder praktijktest | Trimbos instituut |
| Dr. Rianne van der Zanden | Wetenschappelijk medewerker | Trimbos instituut |
Samenstelling adviesgroep
| Naam | Functie | Organisatie |
| W. Slooff | Bestuurslid | Depressie Vereniging |
| R. Jonkers | Bestuurslid | Depressie Vereniging |
| R. Jonkers | Senior adviseur | NJi |
8.1 Module Suïcidaliteit
Deze richtlijntekst is gebaseerd op de JGZ-richtlijn Depressie, gepubliceerd in 2016. De richtlijn is omgezet in het modulaire format, beperkt herzien en aangevuld met een nieuwe module Suïcidaliteit door de cluster-subgroep Depressie en het Trimbos-projectteam in samenwerking met TNO. De cluster-subgroep bestond uit zowel JGZ-professionals met praktijkervaring als kennisdeskundigen op het gebied van depressie bij jeugdigen. Gedurende het gehele herzieningsproces zijn de leden van de cluster-subgroep betrokken geweest via plenaire bijeenkomsten en schriftelijke feedbackrondes, waarbij hun opmerkingen en suggesties zijn verzameld en verwerkt in de richtlijnmodules.
Naast de cluster-subgroep heeft de cluster-kerngroep, die uitsluitend uit JGZ-professionals bestond, alle richtlijnen van het cluster 'Psychosociaal en gedrag' plenair besproken, zodat de richtlijnen op elkaar aansluiten en er geen overbodige overlap is.
8.1.1 Cluster-subgroep
Bij de formatie van de cluster-subgroep is gelet op een goede balans tussen wetenschappers, inhoudelijke experts en uitvoerende JGZ-professionals.
De cluster-subgroep voor de JGZ richtlijn Depressie bestond uit de volgende personen:
| Naam | Functie | Organisatie |
| Marie-José Theunissen | Voorzitter subgroep | TNO |
| Malu van Vredegem | Jeugdverpleegkundige | V&VN |
| Wenda Berends | Jeugdarts | GGD Zuid-limburg |
| Yvonne Stikkelbroek | Onderzoeker, universitair docent orthopedagogiek en klinisch psycholoog | GGZ Oost-Brabant |
| Petra Pronk | Oudervertegenwoordiger | Balans |
Vanuit TNO was verder aangesloten:
- Renate van Zoonen, projectleider
Vanuit het Trimbos-instituut waren aangesloten:
- Matthijs Oud, richtlijnontwikkelaar (t/m februari 2025)
- Anouk Oordt, klinisch epidemioloog, richtlijnontwikkelaar (vanaf februari 2025)
- Lex Hulsbosch, richtlijnontwikkelaar
Met medewerking van:
- Lizanne Schweren, Senior Onderzoeker, 113
8.1.2 Cluster-kerngroep
De cluster-kerngroep bestond alleen uit JGZ-professionals die betrokken waren bij het herzien van de verschillende richtlijnen binnen het cluster Psychosociaal en gedrag.
| Naam | Functie | Organisatie |
| Anita Vroegop | Jeugdarts | AJN |
| Anne-Marie Dekker | Jeugdverpleegkundige | V&VN |
| Anouk van den Berg | Jeugdarts | AJN |
| Gonnie Epema (tot februari 2025) | Jeugdverpleegkundige | V&VN |
| Malu van Vredegem | Jeugdverpleegkundige | V&VN |
| Marieke Vonk | Jeugdarts | AJN |
| Wenda Berends | Jeugdarts | GGD Zuid-limburg |
8.1.3 Klankbordgroep
De klankbordgroep binnen het cluster Psychosociaal en gedrag, samengesteld uit aanpalende beroepsgroepen, was verantwoordelijk voor het bewaken van de implementatie-aspecten voor alle richtlijnen binnen het cluster.
| Naam | Functie |
| Betty Bakker | Expert opleiding jeugdverpleegkundige |
| Gea Vrieze | Expert opleiding – Jeugdarts KNMG |
| Janine Bezem | JGZ-manager |
| Joli Luijckx | Balans (ouder/jeugdige vertegenwoordiging) |
| Margreet de Wolff | Implementatie functionaris |
| Minke Diegenbach | JGZ-manager |
| Sanne Niemer | Pharos |
8.1.4 Betrokkenheid ouder(s) / verzorger(s) en jeugdigen
Bij de ontwikkeling van de richtlijn is rekening gehouden met het patiënten perspectief. De oudervertegenwoordiger van de cluster-subgroep Depressie was actief betrokken bij de vergaderingen en heeft schriftelijk feedback gegeven op de richtlijnmodules.
Daarnaast zijn ouder(s)/verzorger(s) van jeugdigen (0-18 jaar) via sociale media benaderd om hun knelpunten over depressie bij de JGZ te delen. Op een online vragenlijst hadden 25 deelnemers gereageerd. De deelnemers bestonden uit 23 vrouwen, ongeveer de helft (n=11) was in de leeftijdsgroep 45-54 jaar oud, allen waren van Nederlandse afkomst en het grootste deel (n=19) was hoogopgeleid. De meeste deelnemers (n=15) waren ouder(s)/verzorger(s) van pubers (11-18 jaar), daarnaast hadden 9 deelnemers een kind in de basisschoolleeftijd (6-11 jaar). Achttien deelnemers gaven aan dat hun kind ooit voor langere tijd sombere gedachten heeft gehad, waarvan vier ouder(s)/verzorger(s) dit vermoeden met de JGZ bespraken.
Om ook het perspectief van ouder(s)/verzorger(s) met jeugdigen met extra ondersteuningsbehoeften mee te nemen, zijn 25 ouder(s)/verzorger(s) van jeugdigen met ontwikkelingsstoornissen bij leren en/of gedrag (via oudervereniging Balans) via dezelfde online vragenlijst betrokken. Vrijwel alle deelnemers (n=24) waren vrouw, de helft (n=12) was in de leeftijdsgroep 45-54 jaar oud, allen waren van Nederlandse afkomst en meer dan de helft (n=14) was hoogopgeleid. De meeste deelnemers (n=18) waren ouder(s)/verzorger(s) van pubers (11-18 jaar), daarnaast hadden 7 deelnemers een kind in de basisschoolleeftijd (6-11 jaar). De meeste deelnemers (n-21) gaven aan dat hun kind ooit voor langere tijd sombere gedachten heeft gehad, waarvan 6 ouder(s)/verzorger(s) dit vermoeden met de JGZ bespraken.
Verder werd een focusgroep georganiseerd voor het cluster Psychosociaal en Gedrag met 6 deelnemers, allen ouder(s)/verzorger(s) van jeugdigen in uiteenlopende leeftijden: van 20 maanden tot 16 jaar. De deelnemers waren werkzaam in sectoren als onderwijs, maatschappelijk werk en kinderopvang, wat hen zowel persoonlijke als professionele inzichten gaf rondom depressieve klachten bij jeugdigen en de rol van de JGZ.
De door ouder(s)/verzorger(s) aangedragen punten zijn, waar relevant, verwerkt in de richtlijn.
Het perspectief van 6 jongeren in de leeftijd van 13-20 jaar werd ook gevraagd door middel van een focusgroep voor het cluster Psychosociaal en Gedrag. Uit dit gesprek kwam geen specifieke input naar voren over depressie.
9 Verantwoording
Thema: Wat is een depressie?
Voor de beschrijving is gebruikgemaakt van het Handbook of Developmental Psychopathology [111], Kinder- en jeugdpsychiatrie [67] en verschillende richtlijnen: het Addendum Jeugd bij de Multidisciplinaire Richtlijn Depressie [18], de NICE richtlijn Depression in Children and Young People [13] en de Richtlijn Stemmingsproblemen in de Jeugdhulp. [75]
Thema: Beloop van depressieve klachten
Om de uitgangsvraag over beloop te beantwoorden is gebruikgemaakt van het Handbook of Developmental Psychopathology [111], Kinder- en jeugdpsychiatrie [67] en verschillende richtlijnen: het Addendum Jeugd bij de Multidisciplinaire Richtlijn Depressie [18], de NICE richtlijn Depression in Children and Young People [13] en de Richtlijn Stemmingsproblemen in de Jeugdhulp. [75]
Thema: Problematiek die gepaard kan gaan met depressieve klachten
Om de uitgangsvraag over co-morbiditeit te beantwoorden is gebruikgemaakt van het Handbook of Developmental Psychopathology ([111], Kinder- en jeugdpsychiatrie [67] en verschillende richtlijnen: het Addendum Jeugd bij de Multidisciplinaire Richtlijn Depressie [18], de NICE richtlijn Depression in Children and Young People [13] en de Richtlijn Stemmingsproblemen in de Jeugdhulp. [75]
Thema: Risico- en beschermende factoren
Om de uitgangsvraag over risicofactoren te beantwoorden is gebruikgemaakt van het Handbook of Developmental Psychopathology [111], Kinder- en jeugdpsychiatrie [67] en verschillende richtlijnen: het Addendum Jeugd bij de Multidisciplinaire Richtlijn Depressie [18], de NICE richtlijn Depression in Children and Young People [13] en de Richtlijn Stemmingsproblemen in de Jeugdhulp. [75] In de Richtlijn Stemmingsproblemen in de Jeugdhulp wordt regelmatig naar een informatiebron [94] verwezen. Deze bronnen hebben systematisch naar literatuur over risicofactoren en beschermende factoren gezocht, maar niet per factor aangegeven uit welke referentie deze komt.
Thema: Signaleren, ernst vaststellen en toeleiden naar zorg
Voor de beantwoording van de uitgangsvragen over signalen en symptomen van depressie bij jeugdigen is gebruik gemaakt van De Wit [84], American Academy of Child and Adolescent Psychiatry [77], de Richtlijn Stemmingsproblemen in de Jeugdzorg [75] en het Kompas Kinder & Jeugdpsychiatrie van Boer & Verhulst. [63] Daarnaast is practice-based kennis verwerkt.
De signaleringsinstrumenten voor depressie bij kinderen zijn gebaseerd op het Addendum Jeugd bij de Multidisciplinaire Richtlijn Depressie [115], de JGZ Richtlijn Vroegsignalering van Psychosociale Problemen [59] en de NJI-database. Voor de uitgangsvraag betreffende ernstinschatting van de problematiek en doorverwijzing naar de gespecialiseerde zorg is gebruik gemaakt van het Kompas Kinder & Jeugdpsychiatrie van Boer & Verhulst. [63]
Thema: Interventies
Voor de beantwoording van de uitgangsvragen is gebruikgemaakt van:
- Bestaande landelijke richtlijnen (+addenda) voor psychische aandoeningen.
- Een databanksearch in “Databank Effectieve Jeugdinterventies” van het Nederlands Jeugd Instituut (NJi) en “Interventiedatabase Gezond en Actief Leven” van het Nederlands Instituut voor Sport en Beweging (NISB) en RIVM Centrum Gezond Leven (CGL) in samenwerking met Trimbos-instituut.
- Jeugdinterventies aangedragen door de werkgroepleden en onderbouwd door wetenschappelijk gepubliceerde artikelen.
De gevonden interventies zijn op basis van de volgende criteria geïncludeerd:
- Doelgroep van 0 tot en met 19 jaar;
- Er is bij de doelgroep sprake van (een vermoeden op) (het ontwikkelen van) een depressie of andere psychische stoornissen;
- Er is bij de doelgroep sprake van regelmatig schoolverzuim;
- De interventie richt zich op preventie of behandeling van de depressie of verminderen van schoolverzuim.
Ad.1. Bestaande landelijke richtlijnen
De volgende richtlijnen en addenda zijn geïdentificeerd door de werkgroepleden en zijn meegenomen vanwege relevantie en overlap met deze richtlijn:
- Multidisciplinaire richtlijn addendum Depressie bij Jeugd [18];
- Richtlijn KOPP (Kinderen van Ouders met Psychische (en/of Verslavings-) Problemen in de Jeugdhulp (van der Zanden et al., 2015);
- Richtlijn Stemmingsproblemen in de Jeugdzorg [75].
Ad.2. Databanksearch
A. Databank effectieve jeugdinterventies van NJi
Om een zo up-to-date mogelijke lijst met interventies te creëren is een search verricht in de ‘Databank effectieve jeugdinterventies’ (in het vervolg te noemen ‘databank’) van het NJi. De search is uitgevoerd op 1 juli 2014, waarbij is gezocht naar ‘depressie’ en ‘schoolverzuim’ onder het kopje ‘erkende interventies’.
De in de databank opgenomen interventies zijn door een erkenningscommissie interventies beoordeeld op hun effectiviteit. Als een interventie opgenomen is in de databank, betekent dat dat deze minimaal goed onderbouwd is. Vervolgens kan de bewijskracht van de interventie toenemen naar effectief volgens eerste, goede of sterke aanwijzingen. Hieronder staat een overzicht en beschrijving van de categorieën van effectiviteit die worden gehanteerd door de NJi.
Goed onderbouwd: Een interventie krijgt deze classificatie als deze op z'n minst goed beschreven is en als aannemelijk is gemaakt dat met die interventie het gestelde doel kan worden bereikt.
Effectief volgens eerste aanwijzingen: Een interventie is effectief volgens eerste aanwijzingen als uit onderzoek met zwakke of indicatieve bewijskracht, zoals veranderingsonderzoek, blijkt dat er voldoende effect optreedt bij uitvoering van de interventie, ook al staat nog niet vast dat dit effect (helemaal) door de interventie wordt veroorzaakt.
Effectief volgens goede aanwijzingen: Een interventie is effectief volgens goede aanwijzingen als uit onderzoek met beperkte bewijskracht blijkt dat bepaalde doelen er in de praktijk beter mee worden bereikt dan met andere interventies of met niets doen.
Effectief volgens sterke aanwijzingen: Een interventie is effectief volgens sterke aanwijzingen als uit voldoende onderzoek met sterke of zeer sterke bewijskracht blijkt dat bepaalde doelen er in de praktijk beter mee worden bereikt dan met andere interventies of met niets doen.
B. Interventiedatabase Gezond en Actief Leven
Ter aanvulling van de NJi-databanksearch is een search verricht in de ‘Interventiedatabase Gezond en Actief Leven’ van het Nederlands Instituut voor Sport en Beweging (NISB) en RIVM Centrum Gezond Leven in samenwerking met Trimbos-instituut. De search is uitgevoerd op 23 februari 2015, waarbij is gezocht naar ‘depressie’ en ‘ziekteverzuim’ onder het kopje ‘zoeken interventiedatabase’.
De in de databank opgenomen interventies doorlopen een Erkenningstraject waarbij interventie-eigenaren hun interventie laten beoordelen op kwaliteit, uitvoerbaarheid en effectiviteit. Het erkenningstraject is een samenwerking tussen het RIVM Centrum Gezond Leven, het NJi, NISB, en MOVISIE. Er zijn twee mogelijkheden voor beoordeling van een interventie:
Een beoordeling van de kwaliteit en uitvoerbaarheid door professionals uit de praktijk voor het oordeel “goed beschreven”.
Een beoordeling van de kwaliteit, effectiviteit en uitvoerbaarheid door de Erkenningscommissie Interventies (zie NJi beoordelingscategorieën).
Ad.3. Literatuur
Voor het identificeren van relevante jeugdinterventies werd grotendeels gebruikgemaakt van de databanksearch. Daarnaast zijn experts (afkomstig uit de werkgroep) gevraagd interventies aan te dragen. De inclusie en onderbouwing van deze jeugdinterventies werden zo veel mogelijk gebaseerd op bewijs uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek.
Effectiviteit van geselecteerde en geïndiceerde preventie
In zowel de review van [109] als de in de Multidisciplinaire richtlijn depressie bij jeugd: Addendum beschreven review van Horowitz en Garber (2006) [46] is bewijs gevonden dat selectieve preventie-interventies effectief zijn in het voorkomen van een depressie bij jeugdigen. Volgens de studieresultaten van [109] zijn effecten van selectieve interventies tot een jaar na start van de interventie zichtbaar bij jeugdigen van 5-19 jaar (zie Evidence tabel in deze paragraaf). Na twee jaar bleken de interventies geen effect meer te hebben. Naast het gunstige effect van selectieve preventie-interventies bleek uit de studieresultaten van [109] dat universele preventie-interventies ook effectief zijn in het voorkomen van depressie bij jeugdigen. Horowitz en Garber (2006) [63] vonden echter geen significant bewijs voor het effect van universele preventie-interventies.
Horowitz en Garber (2006) [63] onderzochten in een meta-analyse het effect van geïndiceerde preventieve interventies en vonden dat de interventies een gunstig effect hebben in de preventie van depressie.
Op Volle Kracht
Op Volle Kracht is een vertaling van het Amerikaanse preventieprogramma Penn Resiliency Program. De evidence wordt hier beknopt beschreven, omdat de interventie (nog) niet opgenomen is in de NJi-databank. Een studie onderzocht de relatie tussen de interventie Op Volle Kracht en het verminderen van depressieve symptomen bij jongeren ([110]. Uit dit gerandomiseerd onderzoek met controlegroep (RCT) blijkt dat Op Volle Kracht effectief is in het verlagen van depressieve symptomen bij meisjes tussen de 11-15 jaar oud met ernstige depressieve klachten [110].
Download hier de evidence tabel van het thema Interventies.
Thema: Samenwerken en ketenafspraken
Gebaseerd op praktijkervaring zijn de volgende bronnen geraadpleegd:
- Een stevig fundament: Evaluatie van het basispakket JGZ, Commissie evaluatie basistakenpakket JGZ, 2013 [108].
- Een beknopte evaluatie van het Basistakenpakket JGZ, TNO-rapport 2012 ([107]).
- Kompas kinder- en jeugdpsychiatrie: Voor de jeugdzorg, poh-ggz, basis-ggz, jeugdgezondheidszorg en het onderwijs, Frits Boer en Frank Verhulst, 2014 [63].
Kennislacunes
Thema: Wat is een depressie?
- Een groot deel (25-75%) van de AMA’s heeft last van psychische problemen, het is niet duidelijk hoeveel daarvan last van een depressie hebben (Bean, Eurelings-Bontekoe, & Spinhoven, 2005). In de internationale literatuur is er wel iets bekend over absolute cijfers van een depressie bij vluchtelingenkinderen, het komt bij 3 tot 30% voor (Bronstein & Montgomery, 2011). Maar de gegevens lopen sterk uiteen en het gaat hier om alle vluchtelingenkinderen.
- Er ontbreekt kennis over de geestelijk gezondheid van baby’s (infant mental health).
Thema: Risico- en beschermende factoren
- Er zijn allerlei ontwikkelingen op het gebied van ‘risico-inschatting’ door de JGZ en in de sociale wijkteams. Onder andere de herziening van het Balansmodel van Bakker, maar bijvoorbeeld ook de ontwikkeling van de GIZ-methode (Gezamenlijk Inschatten en vaststellen van de Zorgbehoefte van jeugdigen en hun gezin (GIZ-methodiek) en de Zelf Redzaamheids Matrix (GGD Amsterdam), de Quick Scan (Tilburg), het ERNST taxatie-instrument (Rotterdam Rijnmond). Het is niet bekend welk instrument voor de JGZ (rekening houdend met de diverse samenwerkingsverbanden) het meest geschikt is, nader onderzoek en landelijke afstemming is raadzaam.
Thema: Signaleren, ernst vaststellen en toeleiden naar zorg
- Hoe om te gaan met depressieproblematiek bij specifieke doelgroepen, bijv. jeugdigen met een verstandelijke handicap, vluchtelingen, jeugdigen met taalproblemen.
- Er zijn geen gevalideerde specifieke screeningsinstrumenten voor depressie bij jeugdigen onder de 8 jaar.
- Er is geen evidence over wanneer depressie-specifieke screeningsinstrumenten ingezet kunnen worden en wanneer generieke instrumenten?
- Binnen de groep migranten wordt verwacht dat kinderen van asielzoekers een verhoogd risico lopen op depressie. Signalering is van belang. Er zijn echter geen specifieke methoden voor signaleren van depressie bij jeugdigen in asielzoekerscentra.
Thema: Interventies
- Over het effect van psycho-educatie ter preventie van een depressie of behandeling van depressieve klachten is weinig bekend.
- De evidentie voor effectieve minimale interventies gericht op ouders die een kind of jongere hebben met depressieve klachten en symptomen is zeer beperkt.
- In de NJi-databank en de ‘Interventiedatabase Gezond en Actief Leven’ staan goed beschreven en onderbouwde interventies waarvan effectonderzoek meestal ontbreekt.
- Er is geen relevant wetenschappelijk bewijs gevonden over hoe de jeugdgezondheidszorg ouders kunnen betrekken bij de zorg voor kinderen en jongeren met depressieve klachten en samenwerking te bevorderen. Voor de beantwoording van de uitgangsvraag is gebruikgemaakt van expert opinion.
- Een grote groep alleenstaande minderjarige asielzoekers (AMA’s) heeft last van psychische problemen. Er is hulpaanbod in de GGZ, voornamelijk gaat het om traumabehandeling en medicamenteuze therapie (Bean, Eurelings-Bontekoe, & Spinhoven, 2007). Het is onduidelijk wat voor interventies in de JGZ (kunnen) worden toegepast. Binnen de JGZ zijn nog geen evidence based interventies die kunnen worden toegepast.
- De richtlijn dient over 5 jaar herzien te worden, omdat interventies ontwikkeld en onderzocht worden waardoor aanbevelingen kunnen wijzigen. De interventies gericht op psychosociale problemen zijn niet per se ook voor depressieve klachten geschikt.
Thema: Samenwerken en ketenafspraken
- De afspraken die per gemeente gemaakt zijn, zijn niet bekend.
9.1 Module Suïcidaliteit
Deze richtlijntekst is gebaseerd op de JGZ-richtlijn Depressie, gepubliceerd in 2016. In 2025 is de kennismodule Depressie beperkt herzien op grond van recente richtlijnen en overzichtsartikelen en op geleide van de in de subgroep aanwezige kennis en praktijkervaring. De herziening bestaat uit de toevoeging van twee modules over suïcidaliteit (signaleren en begeleiden). Conceptteksten werden geschreven door het projectteam van het Trimbos-instituut met input van de cluster-subgroep. De oude richtlijntekst is omgezet naar het nieuwe modulaire format.
9.1.1 Methoden systematische review
Er werd een systematische zoekactie uitgevoerd aan de hand van door de cluster-subgroep vastgestelde uitgangsvragen met als doel het vinden van wetenschappelijke literatuur om deze vragen te beantwoorden. Op basis van de uitgangsvragen werden twee PICO’s gemaakt voor de modules Signaleren van suïcidaliteit en Begeleiding in geval van suïcidaliteit (zie Zoekstrategie).
Hiërarchische aanpak:
- Stap A: Met het oog op efficiëntie werd hiërarchisch gezocht. Dat wil zeggen allereerst uitgaande van bestaande geaggregeerde literatuur: systematische reviews en meta-analyses.
- Stap B: Als dit niet genoeg opleverde of als de gevonden literatuur niet toepasbaar was in Nederland of de JGZ, werd de search uitgebreid met RCTs en/of observationeel onderzoek. Daarnaast is een search gedaan in verschillende (inter)nationale richtlijn databases.
- Stap C: Bij onvoldoende onderzochte methoden of onderwerpen werd uitgegaan van in de werkgroep beschikbare kennis en praktijkervaring.
Zoekstrategie
Op basis van de vastgestelde uitgangsvraag zijn twee PICO’s opgesteld om een overzicht te krijgen in de manieren waarop JGZ-professionals suïcidaliteit bij jeugdigen kunnen signaleren en begeleiding kunnen bieden. De zoekstrategieën zijn in OVID MEDLINE en PsycInfo gedraaid.
PICO: signaleren en begeleiden
| PICO 1 – Uitgangsvraag: Hoe en wanneer kan signaleren van suïcidaliteit door JGZ-professionals het beste plaatsvinden? | |
| Vraag volgens PICO-systematiek |
Populatie: Jeugdigen met depressieve klachten of een depressieve stoornis met een vermoeden van suïcidaliteit in de leeftijdsgroepen:
Aandacht voor kwetsbare doelgroepen (selectieve preventie)
Interventie: Signaleringsinstrument (gericht op depressie met een onderdeel over suïcidaliteit of een specifiek instrument gericht op suïcidaliteit) Lijst van signalen en kenmerken die mogelijk duiden op suïcidaliteit.
Controle: (potentiële) Referentie standaarden:
Uitkomsten Sensitiviteit (Se): proportie ware ‘positieven’ binnen de groep jeugdigen waarbij suïcidaliteit is vastgesteld. Specificiteit (Sp): proportie ware ‘negatieven’ binnen de groep jeugdigen waarbij geen suïcidaliteit is vastgesteld. |
| Welke typen onderzoek zijn geschikt? | Richtlijnen, Systematische reviews/meta-analyses |
| Setting: | Jeugdgezondheidszorg |
| Databases: | Ovid MEDLINE, PsycInfo |
| Datum search | 16 juli 2024 |
| Publicatie periode: | 2010-2024 |
| Talen: | Engels en Nederlands |
|
|
|
| PICO 2 – Uitgangsvraag: Hoe kunnen JGZ-professionals jeugdigen en hun ouders bij een depressie met suïcidaliteit begeleiden? | |
| Vraag volgens PICO-systematiek |
Populatie: Jeugdigen met depressieve klachten of een depressieve stoornis met een vermoeden van suïcidaliteit in de leeftijdsgroepen:
Aandacht voor kwetsbare doelgroepen (selectieve preventie)
Interventie: Psychosociale en psychologische interventies (niet-medicamenteuze behandeling) die toepasbaar zijn in de JGZ
Controle:
Uitkomsten
|
| Welke typen onderzoek zijn geschikt? | Richtlijnen, Systematische reviews/meta-analyses |
| Setting: | Jeugdgezondheidszorg |
| Databases: | Ovid MEDLINE, PsycInfo |
| Datum search | 16 juli 2024 |
| Publicatie periode: | 2010-2024 |
| Talen: | Engels en Nederlands |
|
|
|
|
Toelichting: Beide uitgangsvragen zijn in één search opgepakt door de informatiespecialist. De lijst met zoektermen die hieronder wordt weergegeven heeft dus betrekking op beide PICO’s. |
|
| Database | Zoektermen |
| OVID MEDLINE |
1 "filter medline systematic reviews".ti. (0) 2 meta analysis.pt. (204095) 3 (meta-anal$ or metaanal$).tw,kf. (313702) 4 (systematic$ adj10 (review$ or overview$)).tw,kf. (375475) 5 (quantitativ$ adj10 (review$ or overview$)).tw,kf. (14904) 6 (methodologic$ adj10 (review$ or overview$)).tw,kf. (17749) 7 medline.tw. and review.pt. (110208) 8 (pooled adj3 analy*).tw,kf. (32190) 9 "cochrane$".fc_jour. (16674) 10 or/2-9 (598749)=sr 11 *Depression/ (91365) 12 exp *depressive disorder/ (100189) 13 (depressi* or depressed).ti,kw. (225175) 14 (dysthymi* or distress*).ti,kw. (41980) 15 (mood? or mental health or ((emotion* or psychological) adj trauma*)).ti,kw. (127813) 16 "common mental disorder*".ti,kw. (1589) 17 or/11-16 (413667)= depressie 18 "depressie focus".ti. (0) 19 "cipriani$".fc_auts. and "depres*".fc_titl. and "2019".fc_pubyr. (11) 20 "Comparative efficacy and tolerability of antidepressants for major depressive disorder in children and adolescents: a network meta-analysis".fc_titl. (1) 21 "Zhou$".fc_auts. and "Comparative efficacy and acceptability of antidepressants, psychotherapies, and their combination for acute treatment of children and adolescents with depressive disorder".fc_titl. (1) 22 "filter kind conform Cox uit cochrane 2015".ti. (0) 23 Adult Children/ (1926) 24 Minors/ (2867) 25 Homeless Youth/ (1460) 26 (juvenile$ or underage$ or teen$ or youth$ or pubescen$ or adolescen$).tw,kw. (573594) 27 (young adult$ or young men or young women or young people or young person$).tw,kw. (208897) 28 (undergraduate$ or college student$ or high-school student$).tw,kw. (98497) 29 Adolescent/ (2260043) 30 exp Child/ (2215256) 31 child$.tw,kw. (1736326) 32 or/23-31 (4268903)= kind Annotation: kind 33 "depressie vb in cochrane".ti. (0) 34 "Psychological therapies versus antidepressant medication, alone and in combination for depression in children and adolescents".fc_titl. (2) 35 "cognitive and behavioural therapies versus treatment as usual for depression ".fc_titl. (3) 36 from 35 keep 3 (1) 37 "Switching to another SSRI or to venlafaxine with or without cognitive behavioral therapy for adolescents with SSRI-resistant depression: the TORDIA randomized controlled trial".fc_titl. (1) 38 "The effectiveness of SPARX, a computerised self help intervention for adolescents seeking help for depression: randomised controlled non-inferiority ".fc_titl. (1) 39 "Evidence Base Update of Psychosocial Treatments for Child and Adolescent Depression".fc_titl. (1) 40 "Psychological therapies for treatment-resistant depression in adults".fc_titl. (1) 41 (activation adj1 therap*).ti. (218) 42 from 41 keep 15 (1) 43 "P voor depressie".ti. (0) 44 "P voor depressie conform recente cochrane reviews".ti. (0) 45 Depression/ (159639) 46 exp depressive disorder/ (125380) 47 (depressi* or depressed).tw,kw. (579258) 48 (dysthymi* or distress*).tw,kw. (178466) 49 (mood? or mental health or ((emotion* or psychological) adj trauma*)).tw,kf. (345156) 50 "common mental disorder*".tw,kf. (4106) 51 or/45-50 (986036) 52 (dutch or german or english).la. (33636494) 53 51 and 52 (938971) 54 "onderdeel psychotherapie".ti. (0) 55 exp behavior therapy/ or exp cognitive behavioral therapy/ (93249) 56 (behavio* adj2 (therapy or activatio*)).tw,kw. (34116) 57 (social adj2 skill? adj2 training).tw. (1270) 58 (social adj2 skill? adj2 training).kf. (119) 59 (relaxation adj2 therap*).tw,kf. (1234) 60 ((Cognitive or emotive or Problem?solving or "self control") adj2 therap*).tw. (29619) 61 ((Cognitive or emotive or Problem?solving or "self control") adj2 therap*).kf. (8545) 62 "Third‐wave CBT".tw. (0) 63 Mindfulness/ (7080) 64 (mindfulness adj2 therap*).tw,kw. (935) 65 "Acceptance and commitment therapy".tw,kw. (1983) 66 "Extended behavioural activation".tw. (4) 67 ("'third wave CBT or compassionate mind training or functional analytic psychotherapy" or "meta-cognitive therapy" or "dialectical behaviour therapy").tw,kw. (287) 68 "meta-cognitive therapy".tw,kw. (17) 69 interpersonal psychotherapy/ or psychotherapy, psychodynamic/ or psychotherapy, rational-emotive/ (1134) 70 Motivational Interviewing/ (2720) 71 exp Psychotherapy/ (224953) 72 or/55-70 (117994) 73 53 and 72 (32106) 74 "filter medline systematic reviews".ti. (0) 75 meta analysis.pt. (204095) 76 (meta-anal$ or metaanal$).tw,kf. (313702) 77 (systematic$ adj10 (review$ or overview$)).tw,kf. (375475) 78 (quantitativ$ adj10 (review$ or overview$)).tw,kf. (14904) 79 (methodologic$ adj10 (review$ or overview$)).tw,kf. (17749) 80 medline.tw. and review.pt. (110208) 81 (pooled adj3 analy*).tw,kf. (32190) 82 "cochrane$".fc_jour. (16674) 83 or/75-82 (598749) 84 meta-analysis/ (204095) 85 meta?analy*.tw,kw. (66315) 86 84 or 85 (226580) 87 Placebos/ (35972) 88 Waiting Lists/ (14209) 89 "treatment as usual".tw,kw. (6523) 90 (placebo? or (waiting adj2 list?)).tw,kw. (271693) 91 or/87-90 (300479) 92 exp Antidepressive Agents/tu (58231) 93 (antidepressiv* adj1 (agent? or drug?)).tw,kw. (1163) 94 exp "serotonin and noradrenaline reuptake inhibitors"/ or exp serotonin uptake inhibitors/ (50170) 95 ("serotonin and noradrenaline reuptake inhibitors" or "serotonin and noradrenaline uptake inhibitors" or "serotonin and norepinephrine reuptake inhibitors" or "serotonin and norepinephrine uptake inhibitors").tw,kw. (1543) 96 Citalopram/ (5385) 97 escitalopram/ (263) 98 fluoxetine/ (10147) 99 fluvoxamine/ (2029) 100 paroxetine/ (4229) 101 sertraline/ (3529) 102 or/96-101 (22873) 103 desvenlafaxine/ (363) 104 duloxetine/ (1933) 105 venlafaxine/ (2927) 106 103 or 104 or 105 (4922) 107 (citalopram or escitalopram or fluoxetine or fluvoxamine or paroxetine or sertraline or desvenlafaxine or duloxetine or venlafaxine).tw,kw. (35610) 108 Neurotransmitter Uptake Inhibitors.rn. (1206) 109 Antidepressive Agents.rn. (50297) 110 or/92-109 (117258) 111 51 and 72 and 110 and 83 (326) 112 exp Psychiatric Status Rating Scales/ (87677) 113 "hamilton rating scale".tw. (3971) 114 "HAMD-17".kw. (11) 115 (depression adj3 rating?).tw. (18471) 116 113 or 114 or 115 (18838) 117 112 or 116 (100912) 118 51 and 72 and 83 and 117 (98) 119 limit 118 to yr="2010 -Current" (81) 120 91 and 119 (21) 121 91 and 111 (89) 122 limit 121 to yr="2010 -Current" (73) 123 "initial treatment".tw,kw. (28513) 124 51 and 72 and 110 and 83 and 123 (8) 125 "Severity of Illness Index"/ (274850) 126 (depressi* adj3 severity).tw,kw. (15663) 127 116 or 125 or 126 (302448) 128 51 and 72 and 110 and 127 and 83 (50) 129 from 120 keep 1-17 (17) 130 from 124 keep 1-7 (7) 131 from 128 keep 1-39 (39) 132 51 and 72 and 83 and 127 (228) 133 132 (228) 134 limit 133 to yr="2010 -Current" (197) 135 51 and 110 and 83 (3882) 136 Crisis Intervention/ (6342) 137 32 and 51 and 52 and 110 and 83 (539) 138 137 (539) 139 limit 138 to yr="2010 -Current" (339) 140 32 and 51 and 52 and 110 and 83 and 72 (77) 141 32 and 51 and 52 and 83 and 72 (778) 142 *Depressive Disorder/th (7198) 143 32 and 51 and 52 and 83 and (72 or 142) (823) 144 Evidence-Based Medicine/ (76654) 145 143 and 144 (24) 146 limit 145 to yr="2010 -Current" (15) 147 143 not 146 (808) 148 147 (808) 149 limit 148 to yr="2010 -Current" (694) 150 meta-analysis.pt. (204095) 151 meta-analysis/ (204095) 152 ((meta-anal$ or metaanal$ or meta) adj1 analy$).tw. (309308) 153 or/150-152 (334646) 154 149 and 153 (444) 155 dt.fs. (2714918) 156 154 and 155 (24) 157 zhou-*.au. (425224) 158 beck depression inventory.mp. (15552) 159 ((Quick adj3 Inventor* adj2 Depressi*) or (beck* adj2 depress* adj2 invent*)).ti. (507) 160 (children* adj2 depress* adj2 rating*).ti. (17) 161 cdrs*.kf. (37) 162 (depress* adj3 rating*).tw. (18918) 163 Psychometrics/ (91988) 164 162 and 163 (1080) 165 164 and 17 and 32 and 52 (229) 166 165 and 10 (4) 167 10 and 164 (31) 168 (depress* adj3 rating*).ti. (627) 169 158 or 159 or 160 or 161 or 168 (16199) 170 169 and 10 and 17 (219) 171 "Psychiatric Status Rating Scales"/ (80173) 172 depression/di (24557) 173 171 and 172 (4712) 174 10 and 17 and 32 (4327) 175 168 and 174 (3) 176 32 and 171 and 172 (1374) 177 176 (1374) 178 limit 177 to yr="2010 -Current" (955) 179 "diagnose filter SIGN".ti. (0) 180 exp "Sensitivity and Specificity"/ (661043) 181 sensitivity.tw,kw. (1040884) 182 specificity.tw,kw. (584893) 183 ((pre-test or pretest) adj probability).tw. (3014) 184 post-test probability.tw. (763) 185 predictive value$.tw. (145420) 186 likelihood ratio$.tw. (20732) 187 or/180-186 (1818013) 188 (diagnosis or diagnostic).tw. (2535179) 189 (diagnosis or diagnostic).kf. (166423) 190 exp Diagnosis/ (9587430) 191 diagnosis.fs. (3037083) 192 exp "Reproducibility of Results"/ (482740) 193 exp "Predictive Value of Tests"/ (226707) 194 exp "Sensitivity and Specificity"/ (661043) 195 exp Data Accuracy/ (4353) 196 accuracy.tw. (605683) 197 (early adj2 identificat*).tw,kf. (27362) 198 reliability.tw,kf. (230384) 199 or/188-198 (12307137) 200 "onderdeel diagnose conform Sansavini 2021".ti. (0) 201 187 or 199 (12961064) 202 "diagnose filter sign of sansivini".ti. (0) 203 170 and 199 (131) 204 203 (131) 205 limit 204 to yr="2015 -Current" (76) 206 126 and 17 and 10 and 32 (98) 207 10 and 17 and 32 (4327) 208 199 and 207 (1258) 209 169 and 208 (18) 210 207 and (72 or 110) (754) 211 210 (754) 212 limit 211 to yr="2010 -Current" (578) 213 212 and effecti*.tw,kf. (319) 214 (BLUEPRINT adj3 youth adj2 suic* adj2 prevent*).ti. (1) 215 (suici* adj3 preven* adj5 youth).tw. (372) 216 10 and 215 (28)= sr + suicide preventie jeugdigen 217 "medline filter rct".ti. (0) 218 controlled-clinical-trial.pt. (95574) 219 randomized-controlled-trial.pt. (617530) 220 randomized controlled trial/ (617530) 221 randomi?ed controlled trial?.tw. (273648) 222 randomi?ed controlled trial?.kf. (22154) 223 random-allocation.tw,kf. (2221) 224 double-blind-method.tw,kf. (569) 225 single-blind-method.tw,kf. (107) 226 (random adj8 (selection? or sample?)).kf,tw. (54805) 227 random*.tw,kf. (1539310) 228 or/218-227 (1755885) 229 215 and 228 (47) 230 229 not 216 (39)=suicide preventie jeugdigen rct 231 (factor? or screen*).ti. (1095122) 232 (prevent* adj4 suici*).ti. (3645) 233 231 and 232 (89) 234 17 and 32 and 233 (4) 235 17 and 232 (456) 236 235 (456) 237 limit 236 to (abstracts and yr="2010 -Current") (288) 238 "medline filter observationele studies".ti. (0) 239 epidemiologic studies/ (9564) 240 exp case-control studies/ (1521182) 241 exp cohort studies/ (2628638) 242 cross-sectional studies/ (508621) 243 (case adj3 control).tw,kf. (173043) 244 (cohort adj5 (study or studies or analy$)).tw,kf. (460557) 245 (follow-up adj5 (study or studies)).tw,kf. (116097) 246 (longitudinal or retrospective or prospective or (cross adj5 sectional)).tw,kf. (2324923) 247 (observational adj5 (study or studies)).tw,kf. (249842) 248 or/239-247 (4293494) 249 237 and 248 (37)= observat |
| PsycInfo |
1 "depressie PP".ti. (0) 2 exp major depression/ or anaclitic depression/ or dysthymic disorder/ or endogenous depression/ or late life depression/ or postpartum depression/ or reactive depression/ or recurrent depression/ or treatment resistant depression/ or atypical depression/ or "depression (emotion)"/ (196586) 3 exp Psychotherapy/ (227733) 4 Psychotherapy/ (60711) 5 cognitive therapy/ or exp cognitive behavior therapy/ (56880) 6 psychotherapy/ or adlerian psychotherapy/ or analytical psychotherapy/ or autogenic training/ or behavior therapy/ or brief psychotherapy/ or client centered therapy/ or cognitive behavior therapy/ or conversion therapy/ or eclectic psychotherapy/ or emotion focused therapy/ or existential therapy/ or experiential psychotherapy/ or expressive psychotherapy/ or eye movement desensitization therapy/ or feminist therapy/ or geriatric psychotherapy/ or gestalt therapy/ or group psychotherapy/ or guided imagery/ or humanistic psychotherapy/ or hypnotherapy/ or individual psychotherapy/ or insight therapy/ or integrative psychotherapy/ or interpersonal psychotherapy/ or logotherapy/ or narrative therapy/ or persuasion therapy/ or primal therapy/ or psychoanalysis/ or psychodrama/ or psychodynamic psychotherapy/ or psychotherapeutic counseling/ or rational emotive behavior therapy/ or reality therapy/ or relationship therapy/ or solution focused therapy/ or supportive psychotherapy/ or transactional analysis/ (210397) 7 exp Behavior Therapy/ (115111) 8 behavior therapy/ or aversion therapy/ or conversion therapy/ or dialectical behavior therapy/ or exposure therapy/ or implosive therapy/ or reciprocal inhibition therapy/ or response cost/ or systematic desensitization therapy/ (24253) 9 exp Cognitive Behavior Therapy/ (56880) 10 (cognitive behavior therapy/ or acceptance.mp.) and commitment therapy/ [mp=title, abstract, heading word, table of contents, key concepts, original title, tests & measures, mesh word] (0) 11 exp Cognitive Techniques/ (16804) 12 cognitive techniques/ or cognitive restructuring/ or cognitive therapy/ or self instructional training/ (16894) 13 Group Psychotherapy/ (21789) 14 group psychotherapy/ or encounter group therapy/ or therapeutic community/ (24856) 15 exp Psychotherapeutic processes/ (56770) 16 psychotherapeutic process/ (38945) 17 psychotherapeutic breakthrough/ (174) 18 exp Psychotherapeutic Techniques/ or exp Psychotherapeutic Counseling/ or exp Psychotherapeutic Processes/ (108019) 19 exp Psychotherapeutic techniques/ (34806) 20 exp Psychoanalysis/ (62997) 21 exp Hypnosis/ (9611) 22 exp Creative Arts Therapy/ (13650) 23 Catharsis/ (476) 24 Crisis Intervention/ (4639) 25 Play Therapy/ (4381) 26 (third wave or mind train* or person cent* or person* construct*).tw,id. (15428) 27 (person cent* or person* construct*).tw,id. (13923) 28 (activity scheduling or behavioral activation or pleasant event*).tw,id. (2756) 29 ((therap* or psychotherap*) adj1 (abreaction or analytic* or color or colour or compassion or diffusion or distraction or emotion* or interpersonal* or insight oriented or focus* or functional anal* or metacognitive or nondirective or non directive or problem focus* or process experiential or reciprocal inhibition or reminiscence or socioenvironmental or socio environmental or supportive or transference or transtheoretical)).tw,id. (14955) 30 griefwork.tw,id. (24) 31 mental healing.tw,id. (128) 32 or/3-31 (381844) 33 2 and 32 (20159) 34 (dutch or english or german).la. (5282940) 35 33 and 34 (19021) 36 exp *major depression/ or *anaclitic depression/ or *dysthymic disorder/ or *endogenous depression/ or *late life depression/ or *postpartum depression/ or *reactive depression/ or *recurrent depression/ or *treatment resistant depression/ or *atypical depression/ or *"depression (emotion)"/ (141153) 37 35 and 36 (13511) 38 "psycinfo SR filter".ti. (0) 39 (meta-anal* or metaanal*).tw. (57044) 40 (quantitativ* adj5 (review* or overview*)).tw. (3582) 41 (quantitativ* adj5 (review* or overview*)).id. (86) 42 (systematic* adj5 (review* or overview*)).tw,id. (62850) 43 (methodolo* adj5 (review* or overview*)).tw,id. (9076) 44 ((medline or cochrane) adj5 (review* or overview*)).tw,id. (4075) 45 (literature adj5 (overview or review)).tw,id. (98891) 46 (synthes* adj3 (literature* or research or studies or data)).tw,id. (14029) 47 (pooled adj5 analys*).tw,id. (3452) 48 (data adj2 pool*).tw,id. (3079) 49 ((hand or manual* or database* or computer* or electronic*) adj2 search*).tw,id. (17509) 50 "literature review"/ or meta analysis/ (28303) 51 "systematic review"/ (875) 52 or/39-51 (205856) 53 35 and 52 (1701) 54 53 (1701) 55 limit 54 to yr="2010 -Current" (1317) 56 55 (1317) 57 limit 56 to all journals (1197) 58 (depress* or dysthymi* or "adjustment disorder*" or "mood disorder*" or "affective symptom*").tw,id. (390448) 59 57 and 58 (1184) 60 (depress* or dysthymi* or "adjustment disorder*" or "mood disorder*" or "affective symptom*").ti,id. (208743) 61 59 and 60 (1042) 62 meta analysis/ (5473) 63 61 and 62 (36) 64 (meta?analy* or (network adj1 meta*)).tw,id. (1799) 65 62 or 64 (7073) 66 61 and 65 (98) 67 from 66 keep 1-52 (52) 68 exp treatment planning/ (9714) 69 34 and 52 and 60 and 68 (35) 70 initial.tw,id. (150402) 71 34 and 52 and 60 and 70 (354) 72 71 (354) 73 limit 72 to (all journals and yr="2010 -Current") (246) 74 *"Antidepressant Drugs"/ (19164) 75 antidepressants.id. (7644) 76 74 or 75 (21289) 77 73 and 76 (46) 78 from 77 keep 1 (1) 79 symptom remission/ (702) 80 "severity (disorders)"/ (23981) 81 "recovery (disorders)"/ or exp treatment outcomes/ (175199) 82 treatment outcomes/ or psychotherapeutic outcomes/ or treatment effectiveness evaluation/ (74867) 83 evidence based practice/ or best practices/ (28104) 84 or/79-83 (246721) 85 57 and 84 (409) 86 60 and 85 (351) 87 86 and 65 (32) 88 53 and 84 (531) 89 53 and 84 and 65 (54) 90 89 (54) 91 limit 90 to (all journals and yr="2010 -Current") (36) 92 87 or 91 (36) 93 from 87 keep 1-11 (11) 94 88 (531) 95 limit 94 to (all journals and yr="2010 -Current") (409) 96 95 and 60 (351) 97 96 and 83 (29) 98 exp Screening/ (20062) 99 exp *Diagnosis/ (190477) 100 98 or 99 (208533) 101 2 and (100 or 98) and 34 and (62 or 64) (18) 102 2 and (100 or 98) and 34 and 52 (688) 103 child.mp. (541066) 104 102 and 103 (38) 105 adolescent.mp. (437954) 106 103 or 105 (827822) 107 102 and 106 (64) 108 68 or 74 or 75 or 82 or 83 (129171) 109 2 and 108 and 34 and 52 (2438) 110 109 and 32 (549) 111 110 (549) 112 limit 111 to (all journals and yr="2010 -Current") (418) 113 effectiveness.ti,id. (57588) 114 112 and 113 (95) 115 106 and 114 (10) 116 exp Suicidal Ideation/ (13525) 117 suicid*.ti,id. (54344) 118 (suicid* adj3 prevent*).ti,id. (5057) 119 screene*.ti,id. (900) 120 2 and 118 and (youth or child* or adolesc*).ti,id. (38) 121 120 (38) 122 limit 121 to (all journals and yr="2010 -Current") (17) 123 122 and 52 (0) 124 2 and 52 (11980)= depressie + SR 125 124 and (117 or 118) (451)= depressie + SR + suicide 126 125 (451) 127 limit 126 to (all journals and yr="2010 -Current") (311) 128 127 and (103 or 104) (12)= inperking tot tijdschriften en jeugdigen 129 127 and (103 or 105) (51)= inperking tot tijdschriften en adolescent of child |
Selectieproces
De reviewers selecteerden de studies in vier fases:
- De eerste selectie vond plaats op grond van titel en abstract.
- De tweede selectie na het lezen van de full-tekst.
- Vanwege de brede PICO werden een beperkt aantal systematische reviews (met meta-analyses) geïncludeerd die het grootste gedeelte van de populatie en signaleringsinstrumenten dekken, rekening houdend met beschikbaarheid in de Nederlandse situatie of de mogelijkheid om dit in te kunnen voeren.
- Individueel onderzoek (met voorkeur voor studies die in Nederland zijn uitgevoerd en in de JGZ) werd slechts gebruikt bij gebrek aan up-to-date systematische reviews en bij voldoende tijd.
De selectiecriteria berustten op:
- Inhoudelijke criteria: onderverdeeld in patiënten (P), interventies (I), gewenste vergelijkingen (C) en uitkomsten (O).
- Publicatieperiode: 2010-2024.
- Publicatie taal: Engels en Nederlands.
- Methodologische criteria: systematische reviews/meta-analyses die gepoolde data rapporteren voor een specifiek instrument.
-
Praktische uitvoering: instrumenten die geschikt zijn om te signaleren (i.e. geen diagnostische instrumenten); instrumenten/interventies die in Nederland beschikbaar zijn (i.e. vertaald en/of materialen beschikbaar); instrumenten/interventies die binnen de JGZ toepasbaar en uitvoerbaar zijn (bijv. afnametijd, kosten, scholing).
Kwaliteit van bewijs
De reviewers bepaalden de methodologische kwaliteit van reviews met de AMSTAR2 en gebruikten de kwaliteitsbeoordeling van het individueel onderzoek die in de systematische review wordt toegepast [36]. Op basis van AMSTAR2 werd de kwaliteit van de systematische review ingedeeld in hoog, redelijk, laag of zeer laag.
Er is gezocht naar richtlijnen gepubliceerd door gerenommeerde organisaties. Er zijn geen uitgebreide AGREE II beoordelingen gedaan, de criteria van AGREE II zijn gebruikt om de kwaliteit van de richtlijnen te screenen. De uiteindelijke beslissing om de kwaliteit van een richtlijn als “voldoende” te bestempelen, is op basis van de ervaring van de richtlijnontwikkelaars gedaan.
9.1.2 Resultaten systematische review
Figuur 2. PRISMA flow diagram, modules Signaleren en Begeleiden [148]
10 Bijlage Brede Anamnese
Opzet brede anamnese voor het signaleren van risico- en beschermende factoren van een depressie
Voor de brede anamnese is gebruik gemaakt van verschillende bronnen: Opvoedingsondersteuning kaart 2 beslisschema van het NCJ, de JGZ-richtlijn Psychosociale problemen, het Balansmodel en het Kompas kinder- en jeugdpsychiatrie ([63]).
Vragen die bruikbaar kunnen zijn bij een brede anamnese.
1.Vraag naar bezorgdheid/ervaren probleem/last en de gevolgen voor de ouder of de jeugdige:
“Kun je er meer over vertellen?”
- wat gebeurt er;
- op welke momenten;
- hoe vaak;
- hoelang duurt het;
- de ernst ervan;
- wat zijn de gevolgen?
2. Wat is er vooral veranderd?
Omschrijf de jeugdige / jezelf eens voor die tijd.
3. Aanleiding?
- sinds wanneer is het;
- was er een aanleiding;
- zou het ergens mee te maken kunnen hebben denk je?
4. Spelen er ook nog andere klachten?
- bijzonderheden wat betreft gezondheid, ontwikkeling welbevinden;
- hoe is het met het eten, gewicht, inslapen, doorslapen, overdag uitgerust;
- voorgeschiedenis Heb je dit eerder gehad;
- gebruik van medicatie;
- gebruik genotmiddelen?
(Raadpleeg ook het JGZ-dossier)
5. Gezinssituatie
- hoe ziet jullie gezin eruit (bij wie woon je);
- hoe gaat het thuis met de verschillende gezinsleden;
- relatie met verschillende gezinsleden;
- verzorging en opvoeding;
- bijzonderheden;
- veranderingen? (zie ook vraag 9 ‘stressvolle omstandigheden’)
6. Hoe gaat het op school?
- wat vind je van school;
- wat vind je leuk om te doen;
- wat vind je minder leuk aan school;
- hoe zijn de resultaten;
- concentratie;
- wie zijn je vrienden;
- wordt er gepest op school / in de klas; word je wel eens gepest, of pest je zelf?
7. Vrije tijd
- wat vind je leuk om te doen;
- heb je vaste bezigheden;
- hoeveel tijd besteed je er aan;
- spreek je af met vrienden?
8. Stemming
- hoe is je stemming in het algemeen (vrolijk, ongelukkig, verdrietig);
- is er sprake van angst, zenuwachtigheid of gepieker;
- is er iets veranderd daarin de laatste tijd?
9. Stressvolle omstandigheden / ingrijpende gebeurtenissen
Jongere – gezin – school – omgeving
Zijn er de afgelopen twee jaar ingrijpende gebeurtenissen geweest in jullie gezin?
Het gaat om gebeurtenissen die je gebruikelijke leven kunnen veranderen
En welke invloed heeft dat op jou en/of jullie gezin? ( “niet zorgelijk” of “zorgelijk”)
- zorgen over een familielid of geliefd persoon, of het overlijden ervan;
- langdurige ziekte van een gezinslid;
- ongeval(len);
- slachtoffer geweld of criminaliteit;
- conflicten of ruzies binnen of buiten het gezin;
- echtscheiding of langdurige afwezigheid gezinslid;
- uitbreiding gezin door stiefouder en/of stiefkind(eren);
- problemen met andere kinderen in het gezin;
- problemen met wonen, verhuizing of migratie;
- problemen met school;
- problemen met werk of werkeloosheid;
- problemen met geld of inkomen;
- problemen met drank of verslaving;
- psychische problemen van vader of moeder of ander gezinslid;
- vlucht naar Nederland.
10. Welke eigenschappen van de jeugdige, gezin en/of omgevingsfactoren zijn juist helpend of steunend? (beschermende factoren)
- wat zijn sterke kanten van jezelf; waar ben je trots op;
- wat zeggen ouders / vrienden daarover;
- wat is plezierig aan jouw (thuis)situatie; wat gaat goed;
- wat helpt jou, als het minder goed met je gaat?
11. Sociaal netwerk van het gezin / de jeugdige
van wie heb je steun? (ouders – gezin – familie – vrienden – school)
Wanneer er sprake is van een migrantenachtergrond denk aan vragen zoals:
a. hoe zouden mensen in je (ouders) land van herkomst je klachten verklaren?
b. hoe zouden mensen in je (ouders) land van herkomst met deze klachten omgaan?
c. voel je je door je naasten begrepen?
12. Praat je over je ervaren probleem met anderen?
ouders, familie, vrienden, school, medewerkers kinderopvang
Wat merken anderen ervan, wat zeggen ze erover?
13. Wat heb je zelf mogelijk al geprobeerd om het probleem op te lossen?
- heb je informatie (online) opgezocht; welke informatie heb je gevonden; had je daar wat aan; zo ja, wat;
- heb je dingen uitgeprobeerd om het probleem op te lossen; wat was het effect; ben je daar tevreden over;
zo nee, heb je ideeën over wat mogelijk nog wel zou kunnen werken?
14. Heb je om (online) hulp gevraagd aan anderen?
- aan wie (sociaal netwerk en/of professional);
- heb je hulp gekregen;
- zo ja van wie, en wat heeft het je opgeleverd;
- zijn er al dingen veranderd?
15. Informatie opvragen bij anderen die het kind of de jongere goed kennen (ouders, kinderopvang, school, zorgteams etc)
Toestemming aan jeugdige en/ouders vragen om informatie met anderen te bespreken.
16. Noodzaak voor een vervolg
- zou je hulp willen en zo ja van wie en hoe?
Na de afname van de brede anamnese wordt een voorlopige samenvatting en conclusie opgesteld. Eveneens worden gezamenlijke afspraken tussen de JGZ-professional, de jeugdige/ouders en/of met ketenpartners over het vervolg gemaakt.
Klik op de knop hieronder om de richtlijn te printen.