Let op: deze richtlijn is momenteel in herziening.
Dit betekent niet dat de inhoud van deze richtlijn incorrect is. Tot de herziening blijft de richtlijn leidend voor de praktijk. Wel bestaat er een kans dat een deel van de informatie verouderd is.
Heb je feedback over deze JGZ-richtlijn? Vul dan het feedback formulier in op de introductie pagina van de richtlijn.
Let op: feedback ronde loopt
Dit betekent niet dat de inhoud van deze richtlijn incorrect is. Tot de herziening blijft de richtlijn leidend voor de praktijk. Wel bestaat er een kans dat een deel van de informatie verouderd is.
Heb je feedback over deze JGZ-richtlijn? Vul dan het feedback formulier in op de introductie pagina van de richtlijn.
Let op: Praktijktest bezig
Dit betekent niet dat de inhoud van deze richtlijn incorrect is. Tot de herziening blijft de richtlijn leidend voor de praktijk. Wel bestaat er een kans dat een deel van de informatie verouderd is.
Heb je feedback over deze JGZ-richtlijn? Vul dan het feedback formulier in op de introductie pagina van de richtlijn.
Welkom op de besloten pagina voor de commentaarronde bij de herziene JGZ-richtlijn Psychosociale problemen (2025).
De commentaarronde is gesloten. De herziene JGZ-richtlijn Psychosociale problemen kan nog worden ingezien vanwege de commentaarrondes van de JGZ-richtlijnen ADHD en Autisme. In deze richtlijnen wordt verwezen naar de herziene JGZ-richtlijn Psychosociale problemen. LET OP: de herziene JGZ-richtlijn Psychosociale problemen wordt nog aangepast naar aanleiding van de commentaarronde!
Over de JGZ-richtlijn Psychosociale problemen
Behalve de inhoudelijke herziening, heeft de richtlijn nu ook een modulaire vorm. De richtlijn bevat ook geactualiseerde aanbevelingen en praktische adviezen.
Wat er in grote lijnen veranderd is, vind je in onderstaand overzicht.
Wijzigingen ten opzichte vorige versie van de richtlijn Psychosociale problemen (2016):
Deze richtlijn Psychosociale problemen wordt gezien als een voorloper voor vier andere JGZ-richtlijnen Angst, ADHD, ASS en Depressie.
De tekst is ingekort en geactualiseerd op basis van nieuwe, recente literatuur.
Kennismodule
De tabellen zijn geactualiseerd.
Informatie over de prevalentie is uitgebreider beschreven met trends over de tijd.
Informatie over risicofactoren is aangepast en uitgebreid o.a. met: sociale media, schoolstress en pesten.
Informatie over sensorische informatieverwerking is toegevoegd.
Preventie en Signaleren
Er zijn nu twee losse modules: de module Preventie en de module Signaleren. In Signaleren ligt de nadruk op de instrumenten.
Er zijn meer praktische tips (van NJi, Groeigids) toegevoegd, gerangschikt naar leeftijdsfase.
De tips in deze module zijn ook bedoeld voor andere opvoeders/betrokkenen.
Samenwerken en Verwijzen
De verwijscriteria zijn herschreven.
Een stroomdiagram voor Verwijzing is opgesteld, met aandacht op normaliseren.
Een tabel met Netwerkpartners is toegevoegd (in overeenstemming met andere richtlijnen binnen de clusters Psychosociaal & Gedrag en Opvoeden & Ondersteunen).
Nieuwe paragraaf toegevoegd over de rol van school.
Nieuwe paragraaf toegevoegd over het delen van informatie.
Begeleiden
Een overzicht van alle relevante interventies is toegevoegd (zie de tabel).
Daarnaast zijn ook meer praktische adviezen rond emotionele problemen, gedragsproblemen en sociale problemen toegevoegd.
Deze richtlijn heeft geen bijgevoegde bestanden
[1] Zeijl, Crone, Wiefferink, Keuzenkamp, Reijneveld. Kinderen in Nederland SCP/TNO 2015
[2] Huisman J., Flapper B.C.T., Kalverdijk L.J., L’Hoir M.P., van Weel E.A.F.. Gedragsproblemen bij kinderen 2010
[4] Klein Velderman M, Crone MR, Wiefferink CH, Reijneveld SA. Identification and management of psychosocial problems among toddlers by preventive child health care professionals European Journal of Public Health 2009;20(3):332
[5] Arslan İB, Lucassen N, van Lier PAC, de Haan AD, Prinzie P. Early childhood internalizing problems, externalizing problems and their co-occurrence and (mal)adaptive functioning in emerging adulthood: a 16-year follow-up study Soc Psychiatry Psychiatr Epidemiol 2021/02/;56(2):193
[6] Reijneveld SA, Vogels AGC, Hoekstra F, Crone MR. Use of the Pediatric Symptom Checklist for the detection of psychosocial problems in preventive child healthcare BMC Public Health 2006/07/27;6():197
[7] Theunissen MH, de Wolff MS, Reijneveld SA. The Strengths and Difficulties Questionnaire Self-Report: A Valid Instrument for the Identification of Emotional and Behavioral Problems Academic Pediatrics 2019;19(4):471
[8] Kemper H.C.G.. Gezondheid van jongeren en jongvolwassenen in Nederland vanuit het perspectief van de voeding Informatorium voor Voeding en Diëtetiek 2013
[9] Gutman LM, Codiroli McMaster N. Gendered Pathways of Internalizing Problems from Early Childhood to Adolescence and Associated Adolescent Outcomes J Abnorm Child Psychol 2020/05/;48(5):703
[10] Zahn-Waxler C, Shirtcliff EA, Marceau K. Disorders of Childhood and Adolescence: Gender and Psychopathology Annual Review of Clinical Psychology 2008;4(1):275
[11] Kerr DCR, Lopez NL, Olson SL, Sameroff AJ. Parental Discipline and Externalizing Behavior Problems in Early Childhood: The Roles of Moral Regulation and Child Gender Journal of Abnormal Child Psychology 2004;32(4):369
[12] Bannink R., Broeren S., Heydelberg J., van ’t Klooster E., van Baar C., Raat H.. Proces- en effectevaluatie van een extra contactmoment in het mbo (Your Health) om de gezondheid en het gedrag van adolescenten te bevorderen JGZ Tijdschrift voor jeugdgezondheidszorg 2015;47(2):29
[13] Boer, van Dorsselaer, de Looze, de Roos, Brons, van den Eijnden, Stevens. HBSC 2021. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland. 2022
[14] Zijlmans J, Luijten M, van Oers H, Tieskens J, Alrouh H, Haverman L, Bartels M, Popma A, Polderman TJ. 3.78 Mental Health Problems During the COVID-19 Pandemic in Dutch Children and Adolescents With and Without Pre-existing Mental Health Problems Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry 2022;61(10):S253
[15] van Oers HA, Alrouh H, Tieskens JM, Luijten MAJ, de Groot R, Broek E, van der Doelen D, Klip H, De Meyer R, van der Mheen M, Ruisch IH, van den Berg G, Bruining H, Buitelaar J, van der Rijken R, Hoekstra PJ, Kleinjan M, Lindauer R, Oostrom KJ, Staal W, Vermeiren R, Cornet R, Haverman L, Popma A, Bartels M, Polderman TJC, Zijlmans J. Changes in child and adolescent mental health across the COVID-19 pandemic (2018-2023): Insights from general population and clinical samples in the Netherlands JCPP Adv 2023/12/14;4(3):e12213
[17] Kraemer HC, Stice E, Kazdin A, Offord D, Kupfer D. How Do Risk Factors Work Together? Mediators, Moderators, and Independent, Overlapping, and Proxy Risk Factors American Journal of Psychiatry 2001;158(6):848
[18] van Baar AL, Vermaas J, Knots E, de Kleine MJK, Soons P. Functioning at School Age of Moderately Preterm Children Born at 32 to 36 Weeks' Gestational Age Pediatrics 2009;124(1):251
[19] Reijneveld SA, de Kleine MJK, van Baar AL, Kollée LAA, Verhaak CM, Verhulst FC, Verloove-Vanhorick SP. Behavioural and emotional problems in very preterm and very low birthweight infants at age 5 years Arch Dis Child Fetal Neonatal Ed 2006/11/;91(6):F423
[20] Arpi E, Ferrari F. Preterm birth and behaviour problems in infants and preschool‐age children: a review of the recent literature Developmental Medicine & Child Neurology 2013;55(9):788
[21] Talge NM, Holzman C, Wang J, Lucia V, Gardiner J, Breslau N. Late-Preterm Birth and Its Association With Cognitive and Socioemotional Outcomes at 6 Years of Age Pediatrics 2010;126(6):1124
[22] Potijk MR, de Winter AF, Bos AF, Kerstjens JM, Reijneveld SA. Higher rates of behavioural and emotional problems at preschool age in children born moderately preterm Archives of Disease in Childhood 2011;97(2):112
[23] Fernández de Gamarra-Oca L, Ojeda N, Gómez-Gastiasoro A, Peña J, Ibarretxe-Bilbao N, García-Guerrero MA, Loureiro B, Zubiaurre-Elorza L. Long-Term Neurodevelopmental Outcomes after Moderate and Late Preterm Birth: A Systematic Review The Journal of Pediatrics 2021;237():168
[24] Allotey J, Zamora J, Cheong‐See F, Kalidindi M, Arroyo‐Manzano D, Asztalos E, van der Post JAM, Mol BW, Moore D, Birtles D, Khan KS, Thangaratinam S. Cognitive, motor, behavioural and academic performances of children born preterm: a meta‐analysis and systematic review involving 64 061 children BJOG: An International Journal of Obstetrics & Gynaecology 2017;125(1):16
[25] Wu Y-C, Hsieh W-S, Hsu C-H, Chang J-H, Chou H-C, Hsu H-C, Chiu N-C, Lee W-T, Chen W-J, Ho Y-W, Jeng S-F. Intervention effects on emotion regulation in preterm infants with very low birth weight: A randomize controlled trial Research in Developmental Disabilities 2016;48():1
[26] Goldsmith HH, Buss AH, Plomin R, Rothbart MK, Thomas A, Chess S, Hinde RA, McCall RB. Roundtable: What Is Temperament? Four Approaches Child Development 1987;58(2):505
[27] Goodnight JA, Donahue KL, Waldman ID, Van Hulle CA, Rathouz PJ, Lahey BB, D'Onofrio BM. Genetic and Environmental Contributions to Associations between Infant Fussy Temperament and Antisocial Behavior in Childhood and Adolescence Behav Genet 2016/09/;46(5):680
[28] TEERIKANGAS OM, ARONEN ET, MARTIN RP, HUTTUNEN MO. Effects of Infant Temperament and Early Intervention on the Psychiatric Symptoms of Adolescents Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry 1998;37(10):1070
[29] SCHWARTZ CE, SNIDMAN NANCY, KAGAN JEROME. Adolescent Social Anxiety as an Outcome of Inhibited Temperament in Childhood Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry 1999;38(8):1008
[30] Caspi A, Henry B, McGee RO, Moffitt TE, Silva PA. Temperamental Origins of Child and Adolescent Behavior Problems: From Age Three to Age Fifteen Child Development 1995;66(1):55
[31] Berdan LE, Keane SP, Calkins SD. Temperament and externalizing behavior: social preference and perceived acceptance as protective factors Dev Psychol 2008/07/;44(4):957
[32] Biederman J, Faraone SV, Hirshfeld-Becker DR, Friedman D, Robin JA, Rosenbaum JF. Patterns of Psychopathology and Dysfunction in High-Risk Children of Parents With Panic Disorder and Major Depression American Journal of Psychiatry 2001;158(1):49
[33] Bayer JK, Ukoumunne OC, Lucas N, Wake M, Scalzo K, Nicholson JM. Risk Factors for Childhood Mental Health Symptoms: National Longitudinal Study of Australian Children Pediatrics 2011;128(4):e865
[35] Runions KC, Vithiatharan R, Hancock K, Lin A, Brennan-Jones CG, Gray C, Payne D. Chronic health conditions, mental health and the school: A narrative review Health Education Journal 2019;79(4):471
[36] Buckley N, Glasson EJ, Chen W, Epstein A, Leonard H, Skoss R, Jacoby P, Blackmore AM, Srinivasjois R, Bourke J, Sanders RJ, Downs J. Prevalence estimates of mental health problems in children and adolescents with intellectual disability: A systematic review and meta-analysis Australian & New Zealand Journal of Psychiatry 2020;54(10):970
[37] Totsika V, Liew A, Absoud M, Adnams C, Emerson E. Mental health problems in children with intellectual disability The Lancet Child & Adolescent Health 2022;6(6):432
[38] Kaptein S., Jansen DEMC, Vogels AGC, Reijneveld SA. Mental health problems in children with intellectual disability: use of the Strengths and Difficulties Questionnaire Journal of Intellectual Disability Research 2007;52(2):125
[39] Oeseburg B., Jansen DEMC, Groothoff JW, Dijkstra GJ, Reijneveld SA. Emotional and behavioural problems in adolescents with intellectual disability with and without chronic diseases Journal of Intellectual Disability Research 2009;54(1):81
[40] Glasson EJ, Buckley N, Chen W, Leonard H, Epstein A, Skoss R, Jacoby P, Blackmore AM, Bourke J, Downs J. Systematic Review and Meta-analysis: Mental Health in Children With Neurogenetic Disorders Associated With Intellectual Disability Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry 2020;59(9):1036
[41] Wakefield CE, McLoone J., Goodenough B., Lenthen K., Cairns DR, Cohn RJ. The Psychosocial Impact of Completing Childhood Cancer Treatment: A Systematic Review of the Literature Journal of Pediatric Psychology 2009;35(3):262
[43] DE COCK S, DE GROOTE I, VAN ZANDWEGHE C, BAL S. Het diagnostische classificatiesysteem voor baby’s en peuters: hulpmiddel in de zorg voor jonge kinderen met psychische problemen Tijdschrift voor Geneeskunde 2015
[44] Dolan CV, Geels L, Vink JM, van Beijsterveldt CEM, Neale MC, Bartels M, Boomsma DI. Testing Causal Effects of Maternal Smoking During Pregnancy on Offspring's Externalizing and Internalizing Behavior Behav Genet 2016/05/;46(3):378
[45] Ashford J, Smit F, Van Lier PA, Cuijpers P, Koot HM. Early risk indicators of internalizing problems in late childhood: a 9‐year longitudinal study Journal of Child Psychology and Psychiatry 2008;49(7):774
[46] Monshouwer K, Huizink AC, Harakeh Z, Raaijmakers QA, Reijneveld SA, Oldehinkel AJ, Verhulst FC, Vollebergh WA. Prenatal Smoking Exposure and the Risk of Behavioral Problems and Substance Use in Adolescence: the TRAILS Study European Addiction Research 2011;17(6):342
[47] Motlagh MG, Sukhodolsky DG, Landeros-Weisenberger A, Katsovich L, Thompson N, Scahill L, King RA, Peterson BS, Schultz RT, Leckman JF. Adverse effects of heavy prenatal maternal smoking on attentional control in children with ADHD J Atten Disord 2011/10/;15(7):593
[48] Alvik A, Aalen OO, Lindemann R. Early Fetal Binge Alcohol Exposure Predicts High Behavioral Symptom Scores in 5.5‐Year‐Old Children Alcoholism: Clinical and Experimental Research 2013;37(11):1954
[49] Roncero C, Valriberas-Herrero I, Mezzatesta-Gava M, Villegas JL, Aguilar L, Grau-López L. Cannabis use during pregnancy and its relationship with fetal developmental outcomes and psychiatric disorders. A systematic review Reprod Health 2020/02/17;17(1):25
[50] Madigan S, Oatley H, Racine N, Fearon RP, Schumacher L, Akbari E, Cooke JE, Tarabulsy GM. A Meta-Analysis of Maternal Prenatal Depression and Anxiety on Child Socioemotional Development Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry 2018;57(9):645
[52] Lahtela H, Flykt M, Nolvi S, Kataja E-L, Eskola E, Tervahartiala K, Pelto J, Carter AS, Karlsson H, Karlsson L, Korja R. Mother–Infant Interaction and Maternal Postnatal Psychological Distress Associate with Child’s Social-Emotional Development During Early Childhood: A FinnBrain Birth Cohort Study Child Psychiatry & Human Development 2024
[53] Abubakar I, Aldridge R, Devakumar D, Orcutt M. 1.8-W1Research from the UCL-Lancet Commission on migration and health European Journal of Public Health 2018;28(suppl_1):
[54] de Leeuw AE, Ester WA, Bolhuis K, Hoek HW, Jansen PW. Maternal Migration, Prenatal Stress and Child Autistic Traits: Insights From a Population-Based Cohort Study Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry 2025;64(1):41
[55] Molenaar N.M., Tiemeier H., van Rossum E.F.C., Hillegers M.H.J., Bockting C.L.H., Hoogendijk W.J.G., van den Akker E.L., Lambregtse-van den Berg M.P., El Marroun H.. Prenatal maternal psychopathology and stress and offspring HPA axis function at 6 years Psychoneuroendocrinology 2019;99():120
[58] Thorup AA, Laursen TM, Munk-Olsen T, Ranning A, Mortensen PB, Plessen KJ, Nordentoft M. Incidence of child and adolescent mental disorders in children aged 0-17 with familial high risk for severe mental illness - A Danish register study Schizophrenia Research 2018;197():298
[60] Clark DB, Cornelius J, Wood DS, Vanyukov M. Psychopathology risk transmission in children of parents with substance use disorders Am J Psychiatry 2004/04/;161(4):685
[61] Cuijpers P, Langendoen Y, Bijl RV. Psychiatric disorders in adult children of problem drinkers: prevalence, first onset and comparison with other risk factors Addiction 1999;94(10):1489
[62] Goodman SH, Rouse MH, Connell AM, Broth MR, Hall CM, Heyward D. Maternal Depression and Child Psychopathology: A Meta-Analytic Review Clinical Child and Family Psychology Review 2011;14(1):1
[63] McLaughlin KA, Gadermann AM, Hwang I, Sampson NA, Al-Hamzawi A, Andrade LH, Angermeyer MC, Benjet C, Bromet EJ, Bruffaerts R, Caldas-de-Almeida JM, de Girolamo G, de Graaf R, Florescu S, Gureje O, Haro JM, Hinkov HR, Horiguchi I, Hu C, Karam AN, Kovess-Masfety V, Lee S, Murphy SD, Nizamie SH, Posada-Villa J, Williams DR, Kessler RC. Parent psychopathology and offspring mental disorders: results from the WHO World Mental Health Surveys Br J Psychiatry 2012/04/;200(4):290
[64] HIPWELL AE, GOOSSENS FA, MELHUISH EC, KUMAR R.. Severe maternal psychopathology and infant–mother attachment Development and Psychopathology 2000;12(2):157
[65] Flouri E, Tzavidis N, Kallis C. Adverse life events, area socioeconomic disadvantage, and psychopathology and resilience in young children: the importance of risk factors’ accumulation and protective factors’ specificity European Child & Adolescent Psychiatry 2009;19(6):535
[66] Halligan SL, Murray L, Martins C, Cooper PJ. Maternal depression and psychiatric outcomes in adolescent offspring: A 13-year longitudinal study Journal of Affective Disorders 2007;97(1-3):145
[69] Herbert SD, Harvey EA, Lugo-Candelas CI, Breaux RP. Early fathering as a predictor of later psychosocial functioning among preschool children with behavior problems J Abnorm Child Psychol 2013/07/;41(5):691
[70] Sieh DS, Meijer AM, Oort FJ, Visser-Meily JMA, Van der Leij DAV. Problem behavior in children of chronically ill parents: a meta-analysis Clin Child Fam Psychol Rev 2010/12/;13(4):384
[72] Visser A, Huizinga GA, van der Graaf WT, Hoekstra HJ, Hoekstra-Weebers JE. The impact of parental cancer on children and the family: a review of the literature Cancer Treatment Reviews 2004;30(8):683
[73] Myhre MC, Dyb GA, Wentzel-Larsen T, Grøgaard JB, Thoresen S. Maternal childhood abuse predicts externalizing behaviour in toddlers: A prospective cohort study Scandinavian Journal of Public Health 2013;42(3):263
[74] Plant DT, Barker ED, Waters CS, Pawlby S, Pariante CM. Intergenerational transmission of maltreatment and psychopathology: the role of antenatal depression Psychol Med 2013/03/;43(3):519
[76] Zijlstra A, Joosten D, van Nieuwenhuijzen M, de Castro BO. The first 1001 days: A scoping review of parenting interventions strengthening good enough parenting in parents with intellectual disabilities Journal of Intellectual Disabilities 2023
[77] Coren E, Thomae M, Hutchfield J. Parenting Training for Intellectually Disabled Parents: A Cochrane Systematic Review Research on Social Work Practice 2011;21(4):432
[78] Hindmarsh G, Llewellyn G, Emerson E. The Social‐Emotional Well‐Being of Children of Mothers with Intellectual Impairment: A Population‐Based Analysis Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities 2016;30(3):469
[79] Willems DL, De Vries J.‐N., Isarin J., Reinders JS. Parenting by persons with intellectual disability: an explorative study in the Netherlands Journal of Intellectual Disability Research 2007;51(7):537
[80] Ranson KE, Urichuk LJ. The effect of parent–child attachment relationships on child biopsychosocial outcomes: a review Early Child Development and Care 2008;178(2):129
[81] Groh AM, Roisman GI, van IJzendoorn MH, Bakermans‐Kranenburg MJ, Fearon RP. The Significance of Insecure and Disorganized Attachment for Children’s Internalizing Symptoms: A Meta‐Analytic Study Child Development 2012;83(2):591
[82] Fearon RP, Bakermans‐Kranenburg MJ, Van IJzendoorn MH, Lapsley A, Roisman GI. The Significance of Insecure Attachment and Disorganization in the Development of Children’s Externalizing Behavior: A Meta‐Analytic Study Child Development 2010;81(2):435
[83] Lanjekar PD, Joshi SH, Lanjekar PD, Wagh V. The Effect of Parenting and the Parent-Child Relationship on a Child's Cognitive Development: A Literature Review Cureus 2022/10/22;14(10):e30574
[84] Cabaj JL, McDonald SW, Tough SC. Early childhood risk and resilience factors for behavioural and emotional problems in middle childhood BMC Pediatr 2014/07/01;14():166
[85] Velders FP, Dieleman G, Henrichs J, Jaddoe VWV, Hofman A, Verhulst FC, Hudziak JJ, Tiemeier H. Prenatal and postnatal psychological symptoms of parents and family functioning: the impact on child emotional and behavioural problems Eur Child Adolesc Psychiatry 2011/07/;20(7):341
[87] Albanese AM, Russo GR, Geller PA. The role of parental self‐efficacy in parent and child well‐being: A systematic review of associated outcomes Child: Care, Health and Development 2019;45(3):333
[88] Bot M., de Leeuw den Bouter BJE, Adriaanse MC. Prevalence of psychosocial problems in Dutch children aged 8–12 years and its association with risk factors and quality of life Epidemiology and Psychiatric Sciences 2011;20(4):357
[89] Ezpeleta L, Granero R, de la Osa N, Domènech JM. Risk factor clustering for psychopathology in socially at-risk Spanish children Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology 2008;43(7):559
[90] van Dijk R, van der Valk IE, Deković M, Branje S. A meta-analysis on interparental conflict, parenting, and child adjustment in divorced families: Examining mediation using meta-analytic structural equation models Clinical Psychology Review 2020;79():101861
[91] Timmermans M., van Lier PAC, Koot HM. The role of stressful events in the development of behavioural and emotional problems from early childhood to late adolescence Psychological Medicine 2010;40(10):1659
[92] Reijneveld SA, Brugman E, Verhulst FC, Verloove-Vanhorick SP. Area deprivation and child psychosocial problems Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology 2005;40(1):18
[93] Reijneveld SA, Veenstra R, de Winter AF, Verhulst FC, Ormel J, de Meer G. Area Deprivation Affects Behavioral Problems of Young Adolescents in Mixed Urban and Rural Areas: The TRAILS Study Journal of Adolescent Health 2010;46(2):189
[94] Oswald TK, Rumbold AR, Kedzior SGE, Moore VM. Psychological impacts of "screen time" and "green time" for children and adolescents: A systematic scoping review PLoS One 2020/09/04;15(9):e0237725
[95] Kasturiratna KTAS, Hartanto A, Chen CHY, Tong EMW, Majeed NM. Umbrella review of meta-analyses on the risk factors, protective factors, consequences and interventions of cyberbullying victimization Nature Human Behaviour 2024
[96] Keles B, McCrae N, Grealish A. A systematic review: the influence of social media on depression, anxiety and psychological distress in adolescents International Journal of Adolescence and Youth 2019;25(1):79
[97] Twenge JM, Campbell WK. Associations between screen time and lower psychological well-being among children and adolescents: Evidence from a population-based study Prev Med Rep 2018/10/18;12():271
[98] Santos RMS, Mendes CG, Sen Bressani GY, de Alcantara Ventura S, de Almeida Nogueira YJ, de Miranda DM, Romano-Silva MA. The associations between screen time and mental health in adolescents: a systematic review BMC Psychol 2023/04/20;11(1):127
[99] Eirich R, McArthur BA, Anhorn C, McGuinness C, Christakis DA, Madigan S. Association of Screen Time With Internalizing and Externalizing Behavior Problems in Children 12 Years or Younger: A Systematic Review and Meta-analysis JAMA Psychiatry 2022/05/01;79(5):393
[100] Peverill M, Dirks MA, Narvaja T, Herts KL, Comer JS, McLaughlin KA. Socioeconomic status and child psychopathology in the United States: A meta-analysis of population-based studies Clin Psychol Rev 2021/02/;83():101933
[101] Rijlaarsdam J, Stevens GWJM, van der Ende J, Hofman A, Jaddoe VWV, Mackenbach JP, Verhulst FC, Tiemeier H. Economic disadvantage and young children's emotional and behavioral problems: mechanisms of risk J Abnorm Child Psychol 2013/01/;41(1):125
[102] Taggart L., Taylor D., McCrum-Gardner E.. Individual, life events, family and socio-economic factors associated with young people with intellectual disability and with and without behavioural/emotional problems Journal of Intellectual Disabilities 2010;14(4):267
[103] Crone MR, Bekkema N, Wiefferink CH, Reijneveld SA. Professional Identification of Psychosocial Problems among Children from Ethnic Minority Groups: Room for Improvement The Journal of Pediatrics 2010;156(2):277
[104] Janssen MMM, Verhulst FC, Bengi-Arslan L, Erol N, Salter CJ, Crijnen AAM. Comparison of self-reported emotional and behavioral problems in Turkish immigrant, Dutch and Turkish adolescents Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology 2004;39(2):133
[106] Fazel M, Reed RV, Panter-Brick C, Stein A. Mental health of displaced and refugee children resettled in high-income countries: risk and protective factors The Lancet 2012;379(9812):266
[108] Garcia-Reid P, Peterson CH, Reid RJ, Peterson NA. The Protective Effects of Sense of Community, Multigroup Ethnic Identity, and Self-Esteem Against Internalizing Problems Among Dominican Youth: Implications for Social Workers Social Work in Mental Health 2013;11(3):199
[109] Whittaker JEV, Harden BJ, See HM, Meisch AD, Westbrook TR. Family risks and protective factors: Pathways to Early Head Start toddlers’ social–emotional functioning Early Childhood Research Quarterly 2011;26(1):74
[110] Oliva A, Jiménez JM, Parra Á. Protective effect of supportive family relationships and the influence of stressful life events on adolescent adjustment Anxiety, Stress & Coping 2009;22(2):137
[111] Hogye SI, Lucassen N, Jansen PW, Schuurmans IK, Keizer R. Cumulative Risk and Internalizing and Externalizing Problems in Early Childhood: Compensatory and Buffering Roles of Family Functioning and Family Regularity Adversity and Resilience Science 2022;3(2):149
[112] Buchanan M, Walker G, Boden JM, Mansoor Z, Newton-Howes G. Protective factors for psychosocial outcomes following cumulative childhood adversity: systematic review BJPsych Open 2023/10/19;9(6):e197
[113] Zhou Z, Cheng Q. Relationship between online social support and adolescents’ mental health: A systematic review and meta‐analysis Journal of Adolescence 2022;94(3):281
[114] Wright M, Reitegger F, Cela H, Papst A, Gasteiger-Klicpera B. Interventions with Digital Tools for Mental Health Promotion among 11-18 Year Olds: A Systematic Review and Meta-Analysis J Youth Adolesc 2023/04/;52(4):754
[115] Ridout B, Campbell A. The Use of Social Networking Sites in Mental Health Interventions for Young People: Systematic Review J Med Internet Res 2018/12/18;20(12):e12244
[116] Heberle AE, Krill SC, Briggs-Gowan MJ, Carter AS. Predicting externalizing and internalizing behavior in kindergarten: examining the buffering role of early social support J Clin Child Adolesc Psychol 2015;44(4):640
[117] Astill RG, Van der Heijden KB, Van IJzendoorn MH, Van Someren EJW. Sleep, cognition, and behavioral problems in school-age children: A century of research meta-analyzed. Psychological Bulletin 2012;138(6):1109
[118] Lindsay G, Dockrell JE, Strand S. Longitudinal patterns of behaviour problems in children with specific speech and language difficulties: Child and contextual factors British Journal of Educational Psychology 2007;77(4):811
[119] Veldman K, Bültmann U, Stewart RE, Ormel J, Verhulst FC, Reijneveld SA. Mental health problems and educational attainment in adolescence: 9-year follow-up of the TRAILS study PLoS One 2014/07/21;9(7):e101751
[121] McCrory E, De Brito SA, Viding E. Research Review: The neurobiology and genetics of maltreatment and adversity Journal of Child Psychology and Psychiatry 2010;51(10):1079
[122] Teicher MH, Andersen SL, Polcari A, Anderson CM, Navalta CP, Kim DM. The neurobiological consequences of early stress and childhood maltreatment Neuroscience & Biobehavioral Reviews 2003;27(1-2):33
[123] Reef J., Diamantopoulou S., Van Meurs I., Verhulst F., Van Der Ende J.. Child to adult continuities of psychopathology: a 24‐year follow‐up Acta Psychiatrica Scandinavica 2009;120(3):230
[124] HOFSTRA MB, VAN DER ENDE JAN, VERHULST FC. Child and Adolescent Problems Predict DSM-IV Disorders in Adulthood: A 14-Year Follow-up of a Dutch Epidemiological Sample Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry 2002;41(2):182
[125] Commisso M, Temcheff C, Orri M, Poirier M, Lau M, Côté S, Vitaro F, Turecki G, Tremblay R, Geoffroy M-C. Childhood externalizing, internalizing and comorbid problems: distinguishing young adults who think about suicide from those who attempt suicide Psychological Medicine 2021;53(3):1030
[126] Vergunst F, Commisso M, Geoffroy M-C, Temcheff C, Poirier M, Park J, Vitaro F, Tremblay R, Côté S, Orri M. Association of Childhood Externalizing, Internalizing, and Comorbid Symptoms With Long-term Economic and Social Outcomes JAMA Netw Open 2023/01/03;6(1):e2249568
[127] van Steijn, de Winter, Seijneveld. Stabiliteit en verandering van psychosociale gezondheid en leefstijl bij adolescenten en mogelijkheden voor interventies. Bouwstenen voor het Extra Contactmoment Adolescenten. RUG; UMCG 2014
[129] Koopman-Verhoeff, Jansen, Boomsma, Branje, Oldehinkel, Hillegers. Risicofactoren voor psychische problemen en mogelijke interventies in de jonge jaren: Nederlands cohortonderzoek Tijdschrift voor Psychiatrie 2021
[130] Venneste, Wessels, van den Haak, Pijpers, Feron. Stress bij kinderen: hoe houden we het gezond? NCJ 2019
[132] Romijn, de Graaf, de Jonge. Kwetsbare kinderen: literatuurstudie over verhoogde en onder kinderen van ouders met psychische of verslavingsproblemen. Trimbos 2010
[134] Lalmuanawma, Elizabeth. Psychosocial Issues of Adolescents Living with Single Parent Families. Mizoram University Journal of Humanities and Social Sciences 2022
[135] Raza. The Influence of Family Structures on Child Development: An Interdisciplinary Approach. Journal for Current Sign 2024
[136] Mercier. NIEUW SAMENGESTELDE GEZINNEN: HET VERBAND TUSSEN PERSOONLIJKHEID EN BEÏNVLOEDING IN DE PLUSOUDER-KIND RELATIE. Universiteit Gent. Master thesis 2019
[139] Letourneau, Duffett-Leger, Levac, Watson, Young-Morris. Socioeconomic status and child development: A meta-analysis. Journal of Emotional and Behavioral Disorders 2013
[141] Schlack, Peerenboom, Neuperdt, Junker, Beyer. The effects of mental health problems in childhood and adolescence in young adults: Results of the KiGGS cohort. Journal of Health Monitoring 2021
[142] Kalthoff. Opgroeien en opvoeden in armoede. NJI 2020
[143] Fischer, Tieskens, Luijten, Zijlmans, van Oers, de Groot, Popma. Internalizing problems before and during the COVID-19 pandemic in independent samples of Dutch children and adolescents with and without pre-existing mental health problems European child & adolescent psychiatry 2023
[144] Boer, Verhulst. Kompas Kinder-en Jeugd-psychiatrie. De Tijdstroom, Utrecht 2014
[145] Zhang Q, Wang J, Neitzel A. School-based Mental Health Interventions Targeting Depression or Anxiety: A Meta-analysis of Rigorous Randomized Controlled Trials for School-aged Children and Adolescents Journal of Youth and Adolescence 2023;52(1):195
[146] Cohen KA, Ito S, Ahuvia IL, Yang Y, Zhang Y, Renshaw TL, Larson M, Cook C, Hill S, Liao J. Brief school-based interventions targeting student mental health or well-being: a systematic review and meta-analysis Clinical child and family psychology review 2024;27(3):732
[147] Rastogi S, Cadmus-Bertram L, Meyers L. Psychosocial effects of physical activity interventions for preschoolers, children, and adolescents: role of intervention settings American Journal of Health Promotion 2023;37(4):538
[148] Spruit A, Assink M, van Vugt E, van der Put C, Stams GJ. The effects of physical activity interventions on psychosocial outcomes in adolescents: A meta-analytic review Clinical psychology review 2016;45():56
[149] Achenbach, T. M., McConaughy, S. H., Howell, C. T.. Child/adolescent behavioral and emotional problems: Implications of cross-informant correlations for situational specificity 1987
[150] Armitage, R.. Bullying in children: impact on child health 2021
[151] Belhadj Kouider, E., Koglin, U., Petermann, F.. Emotional and behavioral problems in migrant children and adolescents in Europe: A systematic review 2014
[152] Bolten, M., Nast, I., Skrundz, M., Stadler, C., Hellhammer, D. H., Meinlschmidt, G.. Prenatal programming of emotion regulation: Neonatal reactivity as a differential susceptibility factor moderating the outcome of prenatal cortisol levels 2013
[153] Bontje, M.. Van risicotaxatie naar gezamenlijk inschatten zorgbehoeften (GIZ) Samen met ouders en jeugdigen krachten en behoeften in beeld brengen 2013
[154] Bontje, M. C., de Ronde, R. W., Dubbeldeman, E. M., Kamphuis, M., Reis, R., Crone, M. R.. Parental engagement in preventive youth health care: Effect evaluation 2021
[155] Briggs, R.D., Stettler, E.M., Johnson Silver, E., Schrag, R.D.A., Nayak, M., Chinitz, S., Racine, A.D.. Social-emotional screening for infants and toddlers in primary care 2012
[156] Camerini, A. L., Marciano, L., Carrara, A., Schulz, P. J.. Cyberbullying perpetration and victimization among children and adolescents: A systematic review of longitudinal studies 2020
[157] Christina, S., Magson, N. R., Kakar, V., Rapee, R. M.. The bidirectional relationships between peer victimization and internalizing problems in school-aged children: An updated systematic review and meta-analysis 2021
[163] Fischer, K., Tieskens, J. M., Luijten, M. A. J., Zijlmans, J., van Oers, H. A., de Groot, R., van der Doelen, D., van Ewijk, H., Klip, H., van der Lans, R. M., De Meyer, R., van der Mheen, M., van Muilekom, M. M., Hyun Ruisch, I., Teela, L., van den Berg, G., Bruining, H., van der Rijken, R., Buitelaar, J., … Popma, A.. Internalizing problems before and during the COVID-19 pandemic in independent samples of Dutch children and adolescents with and without pre-existing mental health problems 2023
[164] Flinn, C., McInerney, A., Nearchou, F.. The prevalence of comorbid mental health difficulties in young people with chronic skin conditions: A systematic review and meta-analysis 2024
[165] Geeraert, L., Noortgate van den, W., Grietens, H., Onghena, P.. The effects of early prevention programs for families with young children at risk for physical child abuse and neglect: a meta-analysis 2004
[166] Goodnight, J. A., Donahue, K. L., Waldman, I. D., Van Hulle, C. A., Rathouz, P. J., Lahey, B. B., D’Onofrio, B. M.. Genetic and Environmental Contributions to Associations between Infant Fussy Temperament and Antisocial Behavior in Childhood and Adolescence 2016
[168] Harland, P., Reijneveld, S. A., Brugman, E., Verloove-Vanhorick, S. P., Verhulst, F. C.. Family factors and life events as risk factors for behavioural and emotional problems in children 2002
[169] Heberle, A. E., Krill, S. C., Briggs-Gowan, M. J., Carter, A. S.. Predicting externalizing and internalizing behavior in kindergarten: examining the buffering role of early social support 2015
[172] Kerr, D. C. R., Lopez, N. L., Olson, S. L., Sameroff, A. J.. Parental Discipline and Externalizing Behavior Problems in Early Childhood: The Roles of Moral Regulation and Child Gender 2004
[173] Klasen, F., Otto, C., Kriston, L., Patalay, P., Schlack, R., Ravens-Sieberer, U.. Risk and protective factors for the development of depressive symptoms in children and adolescents: results of the longitudinal BELLA study 2015
[176] Lavigne, J. V., Meyers, K. M., Feldman, M.. Systematic review: classification accuracy of behavioral screening measures for use in integrated primary care settings 2016
[177] Li, C., Cheng, G., Sha, T., Cheng, W., Yan, Y.. The Relationships between Screen Use and Health Indicators among Infants, Toddlers, and Preschoolers: A Meta-Analysis and Systematic Review 2020
[179] Madigan, S., Deneault, A.-A., Duschinsky, R., Bakermans-Kranenburg, M. J., Schuengel, C., van IJzendoorn, M. H., Ly, A., Fearon, R. M. P., Eirich, R., Verhage, M. L.. Maternal and paternal sensitivity: Key determinants of child attachment security examined through meta-analysis. 2024
[180] Madigan, S., Oatley, H., Racine, N., Fearon, R. M. P., Schumacher, L., Akbari, E., Cooke, J. E., Tarabulsy, G. M.. A Meta-Analysis of Maternal Prenatal Depression and Anxiety on Child Socioemotional Development 2018
[182] McGorry, P. D., Mei, C., Dalal, N., Alvarez-Jimenez, M., Blakemore, S. J., Browne, V., Dooley, B., Hickie, I. B., Jones, P. B., McDaid, D., Mihalopoulos, C., Wood, S. J., El Azzouzi, F. A., Fazio, J., Gow, E., Hanjabam, S., Hayes, A., Morris, A., Pang, E., … Killackey, E.. The Lancet Psychiatry Commission on youth mental health 2024
[183] McKenzie Smith, M., Pinto Pereira, S., Chan, L., Rose, C., Shafran, R.. Impact of well-being interventions for siblings of children and young people with a chronic physical or mental health condition: a systematic review and meta-analysis 2018
[184] Metzner, F., Adedeji, A., Wichmann, M. L. Y., Zaheer, Z., Schneider, L., Schlachzig, L., Richters, J., Heumann, S., Mays, D.. Experiences of Discrimination and Everyday Racism Among Children and Adolescents With an Immigrant Background – Results of a Systematic Literature Review on the Impact of Discrimination on the Developmental Outcomes of Minors Worldwide 2022
[185] Mieloo, C. L., Bevaart, F., Donker, M. C., van Oort, F. V., Raat, H., Jansen, W.. Validation of the SDQ in a multi-ethnic population of young children 2014
[186] Moore, S. E., Norman, R. E., Suetani, S., Thomas, H. J., Sly, P. D., Scott, J. G.. Consequences of bullying victimization in childhood and adolescence: A systematic review and meta-analysis 2017
[188] Peverill, M., Dirks, M. A., Narvaja, T., Herts, K. L., Comer, J. S., McLaughlin, K. A.. Socioeconomic status and child psychopathology in the United States: A meta-analysis of population-based studies 2021
[189] Pinquart, M.. Systematic Review: Bullying Involvement of Children With and Without Chronic Physical Illness and/or Physical/Sensory Disability—a Meta-Analytic Comparison With Healthy/Nondisabled Peers 2017
[190] Plant, D. T., Barker, E. D., Waters, C. S., Pawlby, S., Pariante, C. M.. Intergenerational transmission of maltreatment and psychopathology: the role of antenatal depression 2013
[191] Rijlaarsdam, J., Stevens, G. W. J. M., van der Ende, J., Hofman, A., Jaddoe, V. W. V, Mackenbach, J. P., Verhulst, F. C., Tiemeier, H.. Economic disadvantage and young children’s emotional and behavioral problems: mechanisms of risk 2013
[192] Rijnders, M., Vink, R., Bontje, M.. Kraamzorg op maat Gezamenlijk Inschatten Zorgbehoeften (GIZ) in de kraamzorg 2021
[193] Roncero, C., Valriberas-Herrero, I., Mezzatesta-Gava, M., Villegas, J. L., Aguilar, L., Grau-López, L.. Cannabis use during pregnancy and its relationship with fetal developmental outcomes and psychiatric disorders 2020
[194] Rutherford, H. J., Wallace, N. S., Laurent, H. K., Mayes, L. C.. Emotion regulation in parenthood 2015
[195] Sanders, M. R., Mazzucchelli, T. G.. The promotion of self-regulation through parenting interventions 2013
[196] Smits, I. A., Theunissen, M. H., Reijneveld, S. A., Nauta, M. H., Timmerman, M. E.. Measurement invariance of the parent version of the Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) across community and clinical populations 2016
[197] Stevens, G. W. J. M., Vollebergh, W. A. M.. Mental health in migrant children 2008
[199] Theunissen, M. H., de Wolff, M. S., Eekhout, I., van Vulpen, C., Reijneveld, S. A.. A study on the applicability of the Strengths and Difficulties Questionnaire among low-and higher-educated adolescents 2024
[200] Theunissen, M. H., Vogels, A. G., de Wolff, M. S., Reijneveld, S. A.. Characteristics of the strengths and difficulties questionnaire in preschool children 2013
[201] Theunissen, M. H., Vogels, A. G., de Wolff, M. S., Crone, M. R., Reijneveld, S. A.. Comparing three short questionnaires to detect psychosocial problems among 3 to 4-year olds 2015
[202] Wright, M., Reitegger, F., Cela, H., Papst, A., Gasteiger-Klicpera, B.. Interventions with Digital Tools for Mental Health Promotion among 11-18 Year Olds: A Systematic Review and Meta-Analysis 2023
[203] Zeanah, P. D., Stafford, B. S., Nagle, G. A., Rice, T.. Addressing Social-Emotional Development and Infant Mental Health in Early Childhood Systems 2005
[204] Zeijl, E., Crone, M., Wiefferink, K., Keuzenkamp, S., Reijneveld, M.. Kinderen in Nederland 2005
[205] Vogels AGC. The identification by Dutch preventive child health care of children with psychosocial problems: do short questionnaires help? 2008
[206] Theunissen MHC, de Wolff MS, Vogels AGC, Reijneveld SA. Het opsporen van psychosociale problemen bij kinderen in de leeftijd van nul tot en met zes jaar door de jeugdgezondheidszorg JGZ Tijdschrift voor jeugdgezondheidszorg 2014;46(3):46
[207] Lane SJ, Reynolds S, Dumenci L. Sensory overresponsivity and anxiety in typically developing children and children with autism and attention deficit hyperactivity disorder: cause or coexistence? The American Journal of Occupational Therapy 2012;66(5):595
[208] Koning I, Vossen H, Brons H, van den Eijnden R. RICHTLIJN GEZOND SCHERMGEBRUIK 2025
[209] Bjornestad J, Hegelstad WTV, Berg H, Davidson L, Joa I, Johannessen JO, Melle I, Stain HJ, Pallesen S. Social Media and Social Functioning in Psychosis: A Systematic Review J Med Internet Res 2019;21(6):e13957
[210] Renkens J, Rommes E, van den Muijsenbergh M. Refugees’ agency: On resistance, resilience, and resources International journal of environmental research and public health 2022;19(2):806
[211] Kleinjan M, Pieper I, Stevens GWJM, Van de Klundert N, Rombouts M, Boer M, Lammers J. Geluk onder druk?: Onderzoek naar het mentaal welbevinden van jongeren in Nederland 2020
[212] Simeon D, Yehuda R, Cunill R, Knutelska M, Putnam FW, Smith LM. Factors associated with resilience in healthy adults Psychoneuroendocrinology 2007;32(8-10):1149
[213] Sroufe LA. Attachment and development: A prospective, longitudinal study from birth to adulthood Attachment & human development 2005;7(4):349
[214] de Wolff MS, Theunissen MH, Vogels AG, Reijneveld SA. Three questionnaires to detect psychosocial problems in toddlers: a comparison of the BITSEA, ASQ: SE, and KIPPPI Academic pediatrics 2013;13(6):587
[215] Vugteveen J, de Bildt A, Serra M, de Wolff MS, Timmerman ME. Psychometric properties of the Dutch strengths and difficulties questionnaire (SDQ) in adolescent community and clinical populations Assessment 2020;27(7):1476
[216] Mieloo C. Early detection and referral of young children with psychosocial problems in the preventive child health care 2015
[217] Vogels AGC, Siebelink BM, Theunissen MHC, De Wolff MS, Reijneveld SA. Vergelijking van de KIVPA en de SDQ als signaleringsinstrument voor problemen bij adolescenten in de Jeugdgezondheidszorg null: (null) 2011
[218] Reijneveld SA, Vogels AGC, Brugman E, Van Ede J, Verhulst FC, Verloove‐Vanhorick SP. Early detection of psychosocial problems in adolescents: how useful is the Dutch short indicative questionnaire (KIVPA)? The European Journal of Public Health 2003;13(2):152
[219] Cianchetti, C.. Early detection of behavioral and emotional problems in school-aged children and adolescents: the parent questionnaires 2020
[220] Pontoppidan, M., Niss, N. K., Pejtersen, J. H., Julian, M. M., Væver, M. S.. Parent report measures of infant and toddler social-emotional development: a systematic review 2017
[221] Byrne, E. M., Eneberi, A., Barker, B., Grimas, E., Iles, J., Pote, H., ..., O’Farrelly, C. M.. Psychometric properties of the preschool strengths and difficulties questionnaire (SDQ) in UK 1-to-2-year-olds 2024
[222] Patel, J., Smith, R., O’Farrelly, C., Iles, J., Rosan, C., Ryan, R., Ramchandani, P.. Assessing behavior in children aged 12–24 months using the Strengths and Difficulties Questionnaire 2021
[223] Hattangadi, N., Cost, K. T., Birken, C. S., Borkhoff, C. M., Maguire, J. L., Szatmari, P., Charach, A.. Parenting stress during infancy is a risk factor for mental health problems in 3-year-old children 2020
[224] Gustafsson, B. M., Gustafsson, P. A., Proczkowska-Björklund, M.. The Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) for preschool children—a Swedish validation 2016
[226] Staal, I.I.E., Van Stel, H.F., Hermanns, J.M.A., Schrijvers, A.J.P.. Early detection of parenting and developmental problems in young children: nonrandomised comparison of visits to the well-baby clinic with or without a validated interview 2016
[227] Staal, I.I.E., Van Stel, H.F., Hermanns, J.M.A., Schrijvers, A.J.P.. Early detection of parenting and developmental problems in toddlers: a randomized trial of home visits versus well-baby clinic visits in the Netherlands 2015
[228] Staal, I.I.E., Hermanns, J.M.A., Schrijvers, A.J.P., van Stel, H.F.. Vroegsignalering van opvoed- en opgroeiproblemen bij peuters: validiteit en betrouwbaarheid van een gestructureerd interview 2013
[229] Stone, L. L., Janssens, J. M., Vermulst, A. A., Van Der Maten, M., Engels, R. C., Otten, R.. The Strengths and Difficulties Questionnaire: Psychometric properties of the parent and teacher version in children aged 4–7 2015
[230] Vugteveen, J., de Bildt, A., Timmerman, M. E.. Normative data for the self-reported and parent-reported Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) for ages 12–17 2022
[231] Vugteveen, J., de Bildt, A., Theunissen, M., Reijneveld, S. A., Timmerman, M.. Validity aspects of the strengths and difficulties questionnaire (SDQ) adolescent self-report and parent-report versions among Dutch adolescents 2021
[232] Vugteveen, J., Timmerman, M., De Bildt, A., De Wolff, M., Theunissen, M.. SDQ bruikbaar voor jongeren tot achttien jaar: Scores nog beter benutten met'SDQ-profiel' 2020
[233] Vugteveen, J., De Bildt, A., Hartman, C. A., Timmerman, M. E.. Using the Dutch multi-informant Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) to predict adolescent psychiatric diagnoses 2018
[234] Geerlings J., Noordewier Y., Kromhout M., van Kleef N.. Ervaringen en aanpak van pestgedrag tegenover lhbtiq+ jongeren in het voortgezet onderwijs null: (null) 2022
[237] Theunissen MHC. The early detection of psychosocial problems in children aged 0 to 6 years by Dutch preventive child healthcare: professionals and their tools 2013
[238] Vugteveen J. Measurement quality of the Strengths and Difficulties Questionnaire for assessing psychosocial behaviour among Dutch adolescents 2020
[239] Theunissen MH, de Wolff MS, Deurloo JA, Vogels AG, Reijneveld SA. Computerized adaptive testing to screen children for emotional and behavioral problems by preventive child healthcare BMC pediatrics 2020;20(1):119
[240] Brugman E, Reijneveld SA, Verhulst FC, Verloove-Vanhorick SP. Onderkenning van en beleid bij psychosociale problemen in de schoolgezondheidszorg Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2001;145(37):1790
[241] Maciver D, Rutherford M, Arakelyan S, Kramer JM, Richmond J, Todorova L, Romero-Ayuso D, Nakamura-Thomas H, Ten Velden M, Finlayson I. Participation of children with disabilities in school: A realist systematic review of psychosocial and environmental factors PloS one 2019;14(1):e0210511
[242] De Graaf I, Speetjens P, Smit F, De Wolff M, Tavecchio L. Effectiveness of the Triple P Positive Parenting Program on behavioral problems in children: A meta-analysis Behavior modification 2008;32(5):714
[243] Schappin R, De Graaf IM, Reijneveld SA. Effectiviteit van Triple P in Nederland: stand van zaken en controverse Kind en adolescent 2017;38(2):75
[244] Staal IIE. Early detection of parenting and developmental problems in young children: A structured dialogue with parents null: (null) 2016
[245] Ince D, Udo N. Wat werkt in Opvoedingsondersteuning? What works in Parenting Support 2018
[246] van IJzendoorn MH, Schuengel C, Wang Q, Bakermans-Kranenburg MJ. Improving parenting, child attachment, and externalizing behaviors: Meta-analysis of the first 25 randomized controlled trials on the effects of Video-feedback Intervention to promote Positive Parenting and Sensitive Discipline Development and Psychopathology 2023;35(1):241
[247] Bastounis A, Callaghan P, Banerjee A, Michail M. The effectiveness of the Penn Resiliency Programme (PRP) and its adapted versions in reducing depression and anxiety and improving explanatory style: A systematic review and meta-analysis Journal of adolescence 2016;52():37
[248] Sanchez AL, Cornacchio D, Poznanski B, Golik AM, Chou T, Comer JS. The effectiveness of school-based mental health services for elementary-aged children: A meta-analysis Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry 2018;57(3):153
[249] Blossom JB, Jungbluth N, Dillon-Naftolin E, French W. Treatment for Anxiety Disorders in the Pediatric Primary Care Setting Child and Adolescent Psychiatric Clinics 2023;32(3):601
[250] Tuenter T, Van den Berg B, Bastiaanssen I. Tuenter, van den Berg & Bastiaanssen Nederlangs Jeugdinstituur 2021
[251] Ginsburg GS, Silverman WK, Kurtines WK. Family involvement in treating children with phobic and anxiety disorders: A look ahead Clinical Psychology Review 1995;15(5):457
[252] Leahy‐Warren P, McCarthy G, Corcoran P. First‐time mothers: social support, maternal parental self‐efficacy and postnatal depression Journal of clinical nursing 2012;21(3‐4):388
[253] Asscher JJ, Hermanns JM, Deković M. Effectiveness of the Home‐Start parenting support program: Behavioral outcomes for parents and children Infant Mental Health Journal: Official Publication of The World Association for Infant Mental Health 2008;29(2):95
[254] Deković M, Asscher JJ, Hermanns JO, Reitz E, Prinzie P, van den Akker AL. Tracing changes in families who participated in the home-start parenting program: Parental sense of competence as mechanism of change Prevention science 2010;11(3):263
[255] Van Aar JV, Asscher JJ, Zijlstra BJ, Deković M, Hoffenaar PJ. Changes in parenting and child behavior after the home-start family support program: A 10 year follow-up Children and youth services review 2015;53():166
[256] American Psychological Association. Health Advisory on Social Media Use in Adolescence (null) 2023
De JGZ-richtlijn “Psychosociale problemen” richt zich op het voorkomen (collectieve en individuele preventie), signaleren en begeleiden bij psychosociale problemen. Het doel van de richtlijn is om JGZ-professionals te ondersteunen bij het leveren van kwalitatief goede en eenduidige zorg, gebaseerd op actuele wetenschappelijke inzichten en praktijkervaring. De richtlijn biedt handvatten voor het signaleren van (risico op) problemen, het bieden van passende ondersteuning en het samenwerken met andere professionals en organisaties in de keten van jeugdgezondheid en jeugdhulp.
Een richtlijn helpt professionals om, samen met ouders en jeugdigen, goede beslissingen te nemen in de praktijk. De inhoud is gebaseerd op bestaande kennis uit eerdere richtlijnen, nieuw wetenschappelijk onderzoek en professionele consensus. Professionals gebruiken richtlijnen ook om hun kennis up-to-date te houden, voor opleiding en bijscholing, en om afspraken en protocollen voor samenwerking op te stellen.
Voor deze richtlijn is de standaard herzieningstermijn van vijf jaar van toepassing.
1.2 Waar gaat deze richtlijn over?
Deze richtlijn omvat de volgende modules:
De Kennismodule is een introductie op het onderwerp “Psychosociale problemen” voor professionals in de jeugdgezondheidszorg. Het beschrijft de definitie, prevalentie, risico- en beschermende factoren, en gevolgen van psychosociale problemen.
De module ‘Preventie’ beschrijft per leeftijdsfase besproken hoe de JGZ-professional de gezonde psychosociale ontwikkeling van een kind kan stimuleren. Er worden per leeftijdsfase tips en adviezen gegeven voor ouders hoe zij kunnen bijdragen aan een gezonde emotie-regulatie (= het vermogen om op een gepaste manier met gevoelens om te gaan)
De module ‘Signaleren’ beschrijft per leeftijdsfase hoe de JGZ-professional psychosociale problemen kan signaleren.
De module ‘Samenwerken en verwijzen’ gaat in op de samenwerking tussen JGZ-professionals en andere zorgverleners en instanties.
De Module ‘Begeleiden’ beschrijft welke (lichte) interventies de JGZ-professional kan inzetten, zodra psychosociale problemen zijn vastgesteld. Ook worden adviezen gegeven voor jeugdigen met gedragsproblemen, emotionele problemen en sociale problemen. Tenslotte bevat deze module enkele adviezen voor scherm- en mediagebruik
1.3 Voor wie is de richtlijn bedoeld?
Deze JGZ-richtlijn is bedoeld voor alle professionals die werkzaam zijn binnen de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) en betrokken zijn bij de preventie, signalering, begeleiding en verwijzing van jeugdigen en hun ouders. Dat zijn jeugdartsen, jeugdverpleegkundigen, doktersassistenten, verpleegkundig specialisten en gedragswetenschappers in dienst van de JGZ.
Daarnaast kan de richtlijn ook relevant zijn voor andere professionals die nauw samenwerken met de JGZ, zoals huisartsen, pedagogisch medewerkers in de kinderopvang, professionals in het onderwijs, maatschappelijk werkers, of jeugd- en gezinscoaches in de jeugdhulp. Het uiteindelijke doel van de richtlijn is dat (aanstaande) ouders, opvoeders en jeugdigen (0-18 jaar) profiteren van de goede zorg.
1.4 Afbakening
Scope
Deze module omschrijft de definitie en achtergrondinformatie van psychosociale problemen bij jeugdigen (0-18 jaar). Het doel van deze module is om JGZ-professionals te informeren over de omvang, risico’s en mogelijke gevolgen van psychosociale problemen bij kinderen en jongeren.
1.5 Afstemming
De richtlijn Psychosociale Problemen fungeert als voorloper voor vier andere JGZ-richtlijnen: Angst,ADHD, ASS en Depressie (zie Figuur 1). Deze richtlijn moet worden gezien als een overkoepelende richtlijn voor psychosociale problemen. Voor gedetailleerde informatie over de achtergrond (prevalentie), preventie, signaleren, samenwerken, verwijzen en begeleiden met betrekking tot deze specifieke onderwerpen dient de betreffende richtlijn te worden geraadpleegd.
Figuur 1.Stroomdiagram JGZ-richtlijnen rondom het thema psychosociale problemen, binnen het cluster Psychosociaal Gedrag. De JGZ-richtlijn Psychosociale Problemen fungeert als een overkoepelende richtlijn.
Daarnaast hebben de onderstaande JGZ- en externe richtlijnen ook betrekking tot de JGZ-richtlijn Psychosociale Problemen:
Deze richtlijn Psychosociale Problemen wordt gezien als een voorloper voor vier andere JGZ-richtlijnen Angst, ADHD, ASS en Depressie
2.1 Kernpunten
De kernpunten vormen de samenvatting van de belangrijkste informatie, die een JGZ-professional nodig heeft om te kunnen werken met de richtlijn.
Het doel van deze kennismodule is om JGZ-professionals te informeren over de omvang, risico’s en mogelijke gevolgen van psychosociale problemen bij kinderen en jongeren.
Deze richtlijn dient als voorloper voor vier andere JGZ-richtlijnen:Angst, ADHD, ASS en Depressie en is een overkoepelende richtlijn voor psychosociale problemen. Voor meer informatie over de achtergrond, preventie, signalering, samenwerking, verwijzing en begeleiding bij deze onderwerpen, zie de specieke JGZ- richtlijn.
Psychosociale problemen kunnen zich voordoen op drie verschillende gebieden: emotionele problemen (internaliserende problemen), gedragsproblemen (externaliserende problemen) en sociale problemen (contact met anderen).
Een enkel symptoom is nog geen teken van een psychosociaal probleem. Er is sprake van een psychosociaal probleem wanneer meerdere, aan elkaar gerelateerde symptomen tegelijk voorkomen
Gedragingen van kinderen moeten altijd in de bredere context worden beoordeeld, met oog voor wat als ‘normaal’ gedrag kan worden beschouwd. Juist de variatie tussen kinderen is normaal. Psychosociale problemen komen wereldwijd gemiddeld tussen de 10-20% van de kinderen en adolescenten voor, afhankelijk van leeftijd.
Er zijn weinig actuele cijfers over psychosociale problemen bij jonge kinderen (0-12 jarigen) in Nederland. Mede door verschillende bronnen en meetmethodes die gebruikt kunnen worden
Volgens data uit de JGZ in 2005 komen psychosociale problemen voor bij 11% van de baby’s (14 maanden), 28% van de 5-6 jarigen en 21% van de 8-12 jarigen [204].
Er zijn verschillen in de prevalentie en het type psychosociale problemen tussen jongens en meisjes, waarbij meisjes meer internaliserende problemen en jongens meer externaliserende problemen rapporteren [9]; [10].
Deze verschillen beginnen al in de vroege kindertijd en blijven stabiel over de tijd, met een piek in externaliserende problemen bij jongens tijdens de vroege adolescentie [127].
In de afgelopen tien jaar is het aantal (zelfgerapporteerde) psychosociale problemen onder jongeren in het basis- en voortgezet onderwijs toegenomen.
Deze stijging is zowel bij jongens als bij meisjes (12 – 18 jaar) geobserveerd. Bij meisjes is de stijging sterker in vergelijking met jongens..
De stijging in (zelf-gerapporteerde) mentale problemen onder jongeren wordt onder andere toegeschreven aan een afname in positieve sociale relaties, co-ruminatie (excessief praten over zorgen en negatieve emoties binnen vriendschappen) en schooldruk
Risicofactoren voor het ontstaan van psychosociale problemen worden onderverdeeld in het micro – (kind, ouders), meso – (gezin, sociaal, buurt) en macrosysteem (culturele, politieke en economische invloeden op de ontwikkeling van het kind, bijvoorbeeld de wet- en regelgeving van een land).
Risicofactoren op microniveau zijn o.a. prematuriteit, temperament, geslacht of onderliggende aandoeningen (kind), Early Life Stress, en psychische en/of verslavingsproblematiek ouders.
Risicofactoren op mesoniveau zijn opvoedingsstijl, gezinssamenstelling, de buurt en ingrijpende gebeurtenissen. Ook sociale media gebruik is een risicofactor op mesoniveau.
Risicofactoren op macroniveau zijn SES en niet-westerse migratieachtergrond.
Beschermende factoren zijn onder andere intelligentie, veergracht en zelfvertrouwen (kind), positieve ouder-kind interactie en steun van sociale netwerk (kind en ouders).
Kinderen die opgroeien met psychosociale problemen hebben als (jong)volwassene een grotere kans op psychische stoornissen, waaronder suïcidale gedachten of gedrag. Het opgroeien met psychosociale problemen kan ook invloed hebben op het inkomen en de sociale contacten als volwassene.
2.2 Uitgangsvragen
Wat is de definitie en prevalentie van psychosociale problemen bij kinderen en jongeren, uitgesplitst naar leeftijd (0-4 jaar; 4-12 jaar en 12-18 jaar)
Wat zijn risico/ beschermende factoren van psychosociale problemen, uitgesplitst naar leeftijd? (NB: diversiteitsaspecten)
Wat zijn de gevolgen van psychosociale problemen voor kind, ouder(s) en gezin?
2.3 Begrippen
Begrippen
De psychosociale ontwikkeling verwijst naar de manier waarop kinderen zich ontwikkelen in relatie tot hun sociale omgeving en hoe ze omgaan met anderen. Wanneer er sprake is van psychosociale problemen, kan dit zich op drie verschillende gebieden uiten:
Gedragsproblemen (externaliserende problemen) zoals agressief gedrag, onrustig gedrag en delinquent gedrag;
Sociale problemen, dit zijn problemen die het kind heeft in het maken en onderhouden van het contact met anderen;
Uitgegaan wordt van de definitie die eveneens gehanteerd wordt binnen de Lokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid (zie ook [204]) en een aantal proefschriften over vroegsignalering van psychosociale problemen door de JGZ [205];[206];[216];[174]; [244][237][238].
Mijlpalen in psychosociale ontwikkeling
Om psychosociale problemen bij kinderen en jongeren te signaleren, is het belangrijk om rekening te houden met wat past bij hun leeftijd. Een overzicht van de ontwikkelingsmijlpalen helpt de JGZ-professional bij het onderscheiden van de normale ontwikkeling van een afwijkende psychosociale ontwikkeling.
Tabel 1 geeft de mijlpalen weer die een kind doorloopt op het gebied van persoonlijke sociaal-emotionele ontwikkeling, uitgesplitst naar leeftijd. Deze tabel is gebaseerd op het Opvoeding & Ondersteuning schema van het NCJ. Hierbij is het van belang dat mijlpalen altijd in context dienen te worden gezien. Bij een te vroeg geboren kind bijvoorbeeld moet de leeftijd bijvoorbeeld gecorrigeerd worden (zie Richtlijn te vroeg en/of SGA geboren kinderen). Het gedrag van kinderen moet altijd in een bredere context worden bekeken, met aandacht voor wat als ‘normaal’ gedrag wordt gezien. Variatie tussen kinderen is juist normaal [178]. Zo kan een kind bijvoorbeeld tijdelijk angstig zijn of kieskeuriger worden met eten, zonder dat er direct sprake is van een probleem. Bij twijfel over het gedrag is het belangrijk om te letten op andere signalen en het algemene functioneren van het kind (zie Tabel 2 Symptomen van psychosociale problemen hieronder en de modules Signaleren en Verwijzen). Daarnaast kunnen sociale media en de grote hoeveelheid online informatie over opvoeding, ouderschap en (probleem)gedrag onzekerheid of twijfel bij ouders over wat normaal gedrag is vergroten [178].
Tabel 1. Ontwikkelingsaspecten sociaal-emotionele en persoonlijke ontwikkeling per leeftijd (gebaseerd op O&O schema)
Leeftijd
Persoonlijke mijlpalen
Sociaal-emotionele mijlpalen
0-1 maanden
Uiten van temperament
Herkennen van – en reageren op stem, geur en aanraking
1-4 maanden
Teruglachen (6 weken)
– Reageren op stem en geur
– Uiten van gevoelens via lichaamstaal en huilgedrag
4-8 maanden
Uitsluitend op zichzelf gericht
Eenkennigheid
8-12 maanden
– Doelbewust dingen doen
– Laten merken wat ze willen
– Besef eigen ik groei, herkennen van eigen naam
– Eenkennig en ontstaan van verlatingsangst
– Gevoeligheid voor stemmingen van anderen (meehuilen)
– Handen klappen en zwaaien bij weggaan
1-2 jaar
– Ontwikkeling eigen wil: zelf doen
– Toenemend ik-besef
– Imitatie van gedrag
– Interesse in andere kinderen, parallel spelen
– Meehelpen
2-3 jaar
– Nee-fase (peuterpuberteit)
– Wisselend temperament
– Driftbuien
– Op zichzelf gericht in contact
– Kan zich nog niet in een ander verplaatsen
– Grenzen verkennen
3-4 jaar
– Vragen stellen (waarom-vragen)
– Nieuwsgierig: geen gevaar zien
– Grote fantasie: peuterangsten
– Ontwikkelen eigen identiteit (ik t.o.v. een ander)
– Bewustwording van gevoelens van anderen (helpen en troosten)
– Rekening houden met anderen (op beurt wachten)
4-6 jaar
– Start gewetensontwikkeling
– Ontwikkeling schaamtegevoelens
– Piek in magisch denken
– Leren door spel: symbolisch spel en doen alsof
– Overgang van egocentrisch naar maatschappelijk perspectief
– Vriendschappen sluiten
6-12 jaar
– Vorming van zelfbeeld: assertiviteit
– Morele ontwikkeling: normbesef, gemeenschapszin en rechtvaardigheidsbesef
– Identificatie met ouders, klasgenoten, buurtkinderen
– Apart spelen jongens en meisjes
– Werkelijkheid willen leren kennen
– Behoefte om erbij te horen en geaccepteerd te worden
10-15 jaar
– Gedrag wordt beïnvloed door veranderingsproces in het brein
– Drang naar intense ervaringen en risico’s nemen
– Identiteitsontwikkeling: aarding gevonden willen worden door leeftijdsgenoten
– Onzekerheid, vergelijken met anderen
– Wisselend humeur
– Zelf over- en onderschatting
15-18 jaar
– Vorming (eigen) waardensysteem, aanpassen gedrag aan in de omgeving geldende sociale norm
– Onafhankelijke positie innemen ten opzichte van anderen (omgaan met autoriteit)
– Bewustzijn eigen identiteit (zelfbewust, talent ontwikkeling)
– Empathie, rekening houden met sociale en emotionele gevolgen van gedrag
– Verantwoordelijk opstellen naar zichzelf en anderen
– Gevoelige periode voor ontwikkelen van een (positief) zelfbeeld en zelfvertrouwen
Symptomen van psychosociale problemen
Een symptoom van een psychosociaal probleem, zoals druk gedrag, is een specifieke gedraging die als ongewenst of minder optimaal kan worden bestempeld. Op zichzelf kan dit echter niet worden gezien als een teken van (ernstig) disfunctioneren. Er is sprake van een psychosociaal probleem wanneer meerdere, aan elkaar gerelateerde symptomen tegelijk voorkomen. Dit kan wijzen op een ernstiger situatie dan een enkel symptoom. Er is geen meetlat beschikbaar die aangeeft wanneer er sprake is van een psychosociaal probleem. Wel zijn er goede vroegsignaleringsinstrumenten (bijv. de SDQ) beschikbaar die een betrouwbaar en valide onderscheid kunnen maken tussen kinderen met – en zonder problemen.
Symptomen van psychosociale problemen kunnen doorgaans worden ingedeeld in drie hoofdgebieden: internaliserende, externaliserende en sociale problemen.
Toch passen niet alle symptomen in deze categorieën. Eet- en slaapproblemen, evenals symptomen bij jonge kinderen (0-1 jaar), zijn bijvoorbeeld moeilijker in te delen. Daarnaast kunnen problemen in elk gebied zich op verschillende manieren uiten, afhankelijk van de levensfase. De focus ligt daarom op de combinatie van symptomen, aangezien individuele symptomen soms passen binnen de leeftijdsgebonden ontwikkelingsmijlpalen (zie Tabel 2).
Tabel 2. Mogelijke symptomen van psychosociale problemen per leeftijdsgroep.[1][2]
Agressief gedrag (bijv. met andere kinderen vechten, andere kinderen pesten, driftbuien, doorgaans niet gehoorzaam aan volwassenen, maakt ruzie met volwassenen, gemeen doen tegen volwassenen); Zie richtlijn Pesten
Onrustig gedrag (bijv. wiebelen en friemelen, niet lang stil kunnen zitten, opdrachten niet afmaken, gemakkelijk afgeleid, niet kunnen concentreren, denkt niet na voordat hij/zij iets doet); Zie richtlijn ADHD
Delinquent gedrag (bijv. dingen stelen thuis, op school of elders, liegen of bedriegen)
Bijvoorbeeld moeite met vriendschappen maken en/of onderhouden en/of gepest worden, beter opschieten met volwassenen dan met andere kinderen, geen rekening met gevoelens van anderen houden
* op deze leeftijd nog moeilijk van elkaar te onderscheiden
Epidemiologie
Psychosociale problemen komen bij 10-20% van de kinderen en adolescenten wereldwijd voor[3]. Vroege signalering, screening, begeleiding en zo nodig behandeling van psychosociale problematiek is noodzakelijk geacht om langdurige gevolgen op latere leeftijd te voorkomen en risico’s op overige psychosociale problematiek te verminderen.[5]
Volgens JGZ-professionals varieert in Nederland het aantal kinderen met psychosociale problemen tussen de 11% bij baby’s (14 maanden), 28% bij 5-6 jarigen en 21% bij 8-12 jarigen.[1] Ouders blijken minder psychosociale problemen te rapporteren in vergelijking met JGZ-professionals, variërend tussen de 4 – 9% bij jeugdigen tussen 14-maanden en 11 jaar (Tabel 3).[1][6] Jongeren daarentegen rapporteren zelf juist vaker psychosociale problemen dan ouders. Ouderrapportage kan aanvullende informatie bieden over psychosociale problemen bovenop zelfrapportage, vooral ten aanzien van externaliserende problemen bij jongeren. Dit benadrukt het belang van het gezamenlijk beoordelen van ouder- en kindrapportages.[7]
Er zijn weinig actuele cijfers over de psychosociale problemen bij jonge kinderen in Nederland. Het is lastig om landelijke gegevens te verzamelen over kinderen van 0 tot 4 jaar, omdat hun gedrag sterk afhangt van hun ontwikkelingsfase. Ook maken verschillende manieren van meten en het gebruik van verschillende bronnen (zoals ouders, zelfrapportage en JGZ-professionals) het moeilijk om cijfers goed te vergelijken (zie Tabel 3).
Tabel 3: Prevalentie psychosociale problemen per leeftijdsgroep in Nederlands onderzoek.
Leeftijdsgroep
Prevalentie
Informant
Soort rapportage
Bron
Dreumes
(14 maanden)
11%
JGZ-professionals
Vragenlijst*
[204]
4%
Ouders
ITSEA/ CBCL
[204]
Peuter
(2-5 jaar)
19%
JGZ-professionals
Vragenlijst*
[204]
6%
Ouders
ITSEA/ CBCL
[204]
Kleuter
(5-6 jaar)
28%
JGZ-professionals
Vragenlijst*
[204]
6%
Ouders
ITSEA/ CBCL
[204]
Basisonderwijs
(8-12 jaar)
21%
JGZ-professionals
Vragenlijst*
[204]
6%
Ouders
ITSEA/ CBCL
[204]
9%
Ouders
CBCL
[19]
26%
Jongeren (groep 8)
SDQ jongeren
[13]
Voortgezet onderwijs
(13 – 18 jaar)
31%
Jongeren
SDQ jongeren
[13]
*vragenlijst niet nader gespecificeerd
De Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) rapporten geven inzicht in de gezondheid en welzijn van jongeren vanaf 12 jaar. Deze onderzoeken worden elke vier jaar gehouden, waarbij leerlingen onder andere de SDQ invullen. In 2021 gaf ongeveer 26% van de groep 8 leerlingen aan dat ze psychosociale problemen hebben. Voor leerlingen in het voortgezet onderwijs was dat 31%.[13]
Verschil in type probleem per geslacht
Afhankelijk van de leeftijd en geslacht zijn er aanzienlijke verschillen in de prevalentie en type psychosociale problemen die voor kunnen komen. Zowel internaliserende als externaliserende problematiek komen bij beide geslachten voor, echter worden internaliserende problemen, zoals angst, over het algemeen vaker bij meisjes gerapporteerd (door ouders). Jongens daarentegen vertonen vaker externaliserende problemen, zoals agressie en hyperactiviteit.[9] [10] Deze verschillen kunnen zich al vanaf de eerste levensjaren presenteren en blijken stabiel te blijven over de kleutertijd heen.[11] Vanaf de schoolgaande leeftijd nemen deze verschillen nog verder toe, en kan er ook meer sprake zijn van co-ontwikkeling van internaliserend en externaliserende problemen.
Ook uit de jongere zelf-rapportages blijken deze verschillen aanwezig te zijn. Jongeren tussen de 11 en 19 jaar, die meededen aan de longitudinale TRAILS-studie (n=2230), toonden soortgelijke patronen in de prevalentie van problemen per leeftijd en geslacht.[127] Hierin werd een piek gezien in externaliserende problemen bij jongens tijdens de vroege adolescentie. De prevalentie van internaliserende problematiek neemt over het algemeen bij jongeren af in de puberteit, en komt vaker voor bij meisjes gedurende deze levensfase. De oorzaak van deze verschillen is nog niet bekend.
Trends in prevalentie psychosociale problemen
In de afgelopen decennia is een duidelijke toename zichtbaar in het aantal zelfgerapporteerde psychosociale problemen onder jongeren (Figuur 2). Zowel in het basis- als het voortgezet onderwijs zijn aanzienlijke stijgingen te zien. Leerlingen uit groep 8 gaven in 2021 ruim twee keer zo vaak emotionele problemen aan als voorheen (van 11% naar 23%). Ook het aantal jongeren met hyperactiviteits- of aandachtsproblemen nam toe (van 25% naar 31%) [13].
Op het voortgezet onderwijs werden op alle probleemgebieden significante stijgingen gezien (Figuur 2). Daarbij vallen duidelijke verschillen op tussen jongens en meisjes. Meisjes rapporteerden in 2021 drie keer zo vaak internaliserende problemen dan jongens, en de toename onder meisjes was groter dan in voorgaande jaren. Tussen 2017 en 2021 was op alle probleemgebieden een sterke stijging zichtbaar bij meisjes, terwijl bij jongens alleen een significante toename werd gezien in internaliserende en totale problemen (Figuur 2).
De stijging in (zelf-gerapporteerde) mentale problemen onder jongeren wordt onder andere toegeschreven aan een afname in positieve sociale relaties, co-ruminatie (excessief praten over zorgen en negatieve emoties binnen vriendschappen) en schooldruk [13]. De ervaren druk blijkt het afgelopen decennium te zijn toegenomen. Ongeveer 1 op de 5 jongeren op het basisonderwijs ervaart stress door school, met name rondom het schooladvies [13]. Jongeren op het voorgezet onderwijs ervaart met name stress vanwege huiswerk, verwachtingen van ouders/leraren of hun toekomst [13]. Een deel van de bovenstaande factoren hangt waarschijnlijk ook samen met de coronacrisis.
Uit Nederlands onderzoek bleken jongeren (uit zelf-rapportage of door ouders gerapporteerd) vaker internaliserende psychosociale problemen te rapporteerden tijdens en na de coronacrisis, vergeleken met daarvoor. [143] [15] Rapportages van externaliserende problemen bleken onveranderd. Ook volgens de gezondheidsenquête van het CBS was er een piek in psychische klachten (volgens de Mental Health Inventory 5) gezien rondom de coronacrisis (gemiddeld 13% in 2021, komend van gemiddeld 7% in 2020), waarna deze niet meer terug naar het oude niveau is gedaald.[128]
Etiologie en pathogenese
De etiologie en pathogenese van psychosociale problemen is complex en multifactorieel. Belangrijke factoren die kunnen bijdrage aan het ontstaan van psychosociale problemen kunnen ruwweg onderverdeeld worden in psychologische, biologische, sociale, omgevings- en culturele factoren. Soortgelijke onderverdeling wordt omschreven in het zogenaamde biopsychosociaal model van Engel & Romano waarin de interactie tussen biologische (aanleg, erfelijkheid, aangeboren talenten, ziekten, voeding en conditie), psychologische (persoonlijkheid, gedachten, overtuigingen, gevoelens) en sociale (vaardigheden, samenwerken, inlevingsvermogen, etc.) factoren gebruikt wordt voor het begrijpen van gezondheid en ziekte.[16] Dit model kijkt met een integrale blik naar de mens en niet alleen naar de problemen en risico’s in de ontwikkeling. Het is belangrijk om te erkennen dat neurodiversiteit een grote rol speelt in hoe kinderen deze problemen ervaren en dat ieder kind uniek is in de manier waarop het omgaat met uitdagingen.
Psychosociale problemen en sensorische informatieverwerking zijn sterk met elkaar verbonden. Sensorische informatieverwerking betreft het verwerken van zintuiglijke prikkels zoals tast, gehoor, zicht en evenwicht. Bij kinderen met sensorische verwerkingsproblemen kan deze verwerking overgevoelig of ondergevoelig zijn. Overgevoeligheid kan leiden tot vermijding van aanrakingen, harde geluiden of fel licht, terwijl ondergevoeligheid kan zorgen voor het zoeken naar extreme prikkels. Deze problemen beïnvloeden het dagelijks functioneren van kinderen, zoals deelname aan school en sociale interacties. Onderzoek toont aan dat kinderen met sensorische verwerkingsproblemen vaak ook psychosociale problemen hebben, zoals angst, agressie, sociale isolatie en concentratieproblemen [207].
Differentiaal diagnose
Het opstellen van een differentiaal diagnose voor psychosociale problemen is uitdagend wegens de brede aard van dit onderwerp en grote variatie aan uitingen (bijvoorbeeld per leeftijd). Binnen de JGZ dient de nadruk te liggen op het normaliseren van diverse gedragsuitingen en ontwikkeling. Hierbij is van belang dat er rekening wordt gehouden met leeftijdsadequate gedragingen, de bredere context van het kind en het evalueren van een combinatie van symptomen.
Wanneer er sprake blijkt te zijn van psychosociale problemen, dient de aanwezigheid van eventuele (psycho)somatische klachten (o.a. buikpijn, hoofdpijn, vermoeidheid, pijn op de borst en bedplassen) ook te worden nagegaan, en omgekeerd. Ook moet er bij schoolverzuim gedacht worden aan de aanwezigheid van psychosociale problemen. Schoolverzuim kan zowel de oorzaak als gevolg zijn van psychosociale problemen, en regelmatige afwezigheid kan leiden tot verdere problemen zoals leerachterstanden en verminderde sociale interacties.
Bij aanwezigheid van andere lichamelijke klachten moet ook nagegaan worden of de vastgestelde gedragingen hieraan gerelateerd kunnen worden (denk hierbij aan neurologische afwijkingen, afwijkende schildklierfunctie, chronische pijn of aandoeningen die de sensorische verwerking kunnen beïnvloeden).
Tevens is het van belang dat er onderscheid gemaakt wordt met psychiatrische aandoeningen. Er sprake is van (complexe) psychische problematiek wanneer symptomen het normale functioneren belemmeren. Voor diagnostische criteria voor psychische klachten en problemen in de kindertijd dient verwezen te worden naar de JGZ-richtlijnen ADHD, ASS, Depressie en Angst. Hier wordt verder op ingegaan in de module Preventie en Signaleren en Samenwerken en Verwijzen van deze richtlijn.
2.4 Risicofactoren en beschermende factoren
Risicofactoren worden hier omgeschreven als factoren (gedragingen, omstandigheden, kenmerken) die de ontwikkeling van psychosociale problemen bij een kind voorspellen of de kans op het voorkomen van psychosociale problemen binnen een bepaalde populatie vergroten [17];[241]. In de bespreking van de risicofactoren maken we onderscheid tussen het micro- meso- en macrosysteem die van invloed zijn op de ontwikkeling van een kind.
Microsysteem: factoren in het kind, de ouder of het gezin zelf;
Mesosysteem: sociale (gezins)factoren, de buurt en de school;
Macrosysteem: factoren in de grotere omgeving verder weg staan centraal (zoals de sociaaleconomische omstandigheden, cultuur en de maatschappij als geheel).
Hieronder worden alleen die risicofactoren besproken waarvan in onderzoek is aangetoond dat ze samenhangen met het ontstaan of het voortbestaan van psychosociale problemen bij kinderen. Waarschijnlijk spelen er meer risicofactoren een rol bij het ontstaan van psychosociale problemen. Over deze factoren is te weinig onderzoek gedaan, waardoor het beschikbare bewijs beperkt of ontbrekend is.
2.4.1 Risicofactoren op microniveau: kind
Prematuriteit en/of laag geboortegewicht
Kinderen die te vroeg (< 37 weken zwangerschapsduur) en/of te licht (< 1500 gram) geboren worden hebben een hogere kans op psychosociale problemen dan kinderen die niet te vroeg of met een normaal gewicht geboren worden Dit blijkt voor zowel matig- (32 – 37 weken) als ernstig prematuur (<32 weken) geboren kinderen, hoewel de ernst van prematuriteit wel een rol lijkt te spelen in de kans op ontwikkeling van problematiek [20][23];[22] [19][21] [18].De hoge mate van stress waarmee prematuur geboren kinderen te maken krijgen, leidt ertoe dat ze sneller geprikkeld en negatief reageren op hun omgeving en dat ze minder goed hun emoties leren te reguleren, in vergelijking met voldragen kinderen [25].
Temperament kind
De term ‘temperament’ verwijst naar een aangeboren gedragsstijl die over de levensloop grotendeels stabiel blijft. Kinderen verschillen bijvoorbeeld in de intensiteit van hun emoties, hun reactie op nieuwe prikkels, aandachtsspanne, sociabiliteit, activiteitsniveau en aanpassingsvermogen [26]. Een moeilijk temperament wordt gekenmerkt door geremdheid, prikkelbaarheid en een minder sociale houding. Baby’s met een prikkelbaar temperament hebben een grotere kans op sociale problemen op de basisschool en op psychiatrische symptomen in de adolescentie [30];[27];[28]. Peuters met een teruggetrokken of geremd temperament lopen een verhoogd risico op emotionele problemen in de puberteit [29];[28]. Kleuters met een korte aandachtsspanne blijken als tieners vaker externaliserend gedrag te vertonen [30][28]. Kinderen met een extravert en ongeremd temperament laten juist vaker hyperactief of agressief gedrag zien [31]; [32].
Geslacht kind
Er zijn duidelijke verschillen in de prevalentie en het type psychosociaal probleem tussen jongens en meisjes. Alle psychosociale problemen kunnen bij beide geslachten voorkomen, maar meisjes hebben vaker last van internaliserende problemen vooral vanaf de puberteit. Jongens hebben over het algemeen vaker externaliserende problemen [9].
Kinderen met een chronische aandoening of licht verstandelijke beperking
Kinderen met een chronische aandoening, zoals astma en Cystische Fibrose, hebben een verhoogd risico op psychosociale problemen ten opzichte van kinderen zonder chronische aandoening [33];[34];[35]. Naast de directe impact van het ziek zijn blijkt dat het hebben van een zichtbare chronische lichamelijke ziekte of beperking, zoals gezichts- en schedelaandoeningen (bijv. hazenlip, gespleten gehemelte), epilepsie, gehoorproblemen, huidaandoeningen of visuele beperkingen, indirect een verhoogd risico geeft op psychosociale problemen (o.a. door gepest worden, zie JGZ-richtlijn Pesten) [164];[189].
Ook blijkt dat kinderen met een verstandelijke beperking ruim 2 keer zo vaak psychische problemen hebben [36]; [37]. Bij kinderen met een Licht Verstandelijke Beperking (LVB, IQ 50-85 en sociale redzaamheid problemen) worden zeer hoge prevalenties van psychosociale problemen vastgesteld: maar liefst 61% van de 6-12 jarigen met een verstandelijke beperking hadden een verhoogde score op de SDQ [38]. Jongeren die te kampen hebben met zowel LVB als een chronische aandoening, hebben bovendien een nog grotere kans op psychosociale problemen: bijna de helft van deze jongeren (45%) had psychosociale problemen. Bij LVB jongeren die geen chronische ziekte hebben, lag de prevalentie van psychosociale problemen op 17% [39].
Bij kinderen met neurogene, syndromale aandoeningen blijken psychosociale en psychiatrische diagnoses aanzienlijk vaker voor te komen. Een neurogene syndromale aandoening is een erfelijke aandoening van het zenuwstelsel en kan leiden tot moeilijkheden met leren, denken of bewegen. Het type psychosociaal probleem is afhankelijk van het soort syndroom en daarbij horende sociale vaardigheden. Zo komen internaliserende problemen vaker voor bij bijvoorbeeld Prader-Willie en Williams syndroom, terwijl externaliserende problemen vaker bij kinderen met Down syndroom voorkomen [40]. Ook het doormaken van ernstige ziekte als kind geeft een verhoogde kans op het ontwikkelen van psychosociale problemen. Zo blijken kinderen die kanker hebben gehad vaker emotionele problemen te hebben [42]; [41]. Opvoeding en ouderlijke stress tijdens het ziekteproces spelen hierbij een belangrijke rol.
Stress
Langdurige of extreme stress kan invloed hebben op de ontwikkeling van kinderen en hun gevoeligheid voor het ontstaan van psychosociale problemen [57]. Het ervaren van chronische stress of ingrijpende gebeurtenissen in de kindertijd – ook wel Early Life Stress genoemd – wordt in verband gebracht met een verhoogd risico op psychosociale problemen op latere leeftijd [130]. Onderzoek laat zien dat schoolstress, zoals spanning door school, huiswerk of sociale omgang met klasgenoten, een van de belangrijkste bronnen van stress is onder jongeren [144]. Jongeren die veel schoolstress ervaren, rapporteren een lager welbevinden en een verminderd mentaal welzijn [144]. Bovendien blijkt dat meisjes vaker schoolstress en prestatiedruk ervaren dan jongens [211]
2.4.2 Risicofactoren op microniveau: ouder
Prenataal middelengebruik
Middelengebruik tijdens de zwangerschap hangt samen met een verhoogd risico op psychosociale problemen bij kinderen [129]. Vooral roken en alcoholgebruik rondom de zwangerschap worden in verband gebracht met zowel externaliserende als internaliserende problemen ([48] [45][44][46][47]. De kans op negatieve gevolgen neemt toe naarmate de moeder meer alcohol gebruikt. Cannabisgebruik tijdens de zwangerschap lijkt vooral samen te hangen met internaliserende problemen bij kinderen. Deze relatie is echter complex, omdat ook omgevings- en genetische factoren hierin een rol spelen [129][49].
Psychisch welbevinden ouders: voor de geboorte
Depressie, angst en stress bij de moeder tijdens de zwangerschap vergroten de kans op psychosociale problemen en psychopathologie bij het kind [52][50][51]. Deze psychische klachten kunnen invloed hebben op de biologische, cognitieve en gedragsmatige ontwikkeling van het kind [50]. Kinderen van moeders die tijdens de zwangerschap depressief of angstig waren, hebben tot wel twee keer zoveel kans op gedragsproblemen. Ookprenatale stress blijkt samen te hangen met ontwikkelingsstoornissen. Zo laten studies zien dat migrantenouders die verhoogde stress ervaren tijdens de zwangerschap een grotere kans hebben op kinderen met autisme (ASS), een verband dat in de literatuur wordt beschreven als de migratietheorie van autisme [53][54].
Het onderliggende biologische mechanisme lijkt te maken te hebben met een verstoring van psychofysiologische processen bij het ongeboren kind, zoals een disbalans in de activiteit van de hypothalamus-hypofyse-bijnier (HPA)-as. Dit kan leiden tot een ontregeling van het stresshormoonsysteem [55]. Zo’n disregulatie kan zowel in de prenatale periode als in de vroege kindertijd ontstaan (Early Life Stress) en heeft mogelijk langdurige invloed op de psychische gezondheid en ontwikkeling van het kind [130][57].
Psychisch welbevinden ouders: voor de geboorte
Kinderen van ouders met psychische problemen (KOPP) en/of verslavingsproblematiek (KOV) hebben een aanzienlijk verhoogd risico op het ontwikkelen van psychosociale of verslavingsproblemen; naar schatting twee tot dertien keer hoger dan gemiddeld [59][60][61][62][63][58]. In Nederland groeit ongeveer één op de vier kinderen op met een ouder die psychische problemen of een verslaving heeft [131]. De oorzaak van psychosociale problemen bij deze kinderen kan zowel erfelijk als omgevingsgerelateerd zijn. Problemen kunnen voortkomen uit genetische kwetsbaarheid, maar ook uit opvoedgedrag dat beïnvloed wordt door de psychische toestand van de ouder [45][65][64]. Of een kind daadwerkelijk problemen ontwikkelt, hangt af van meerdere factoren, zoals kenmerken van het kind zelf, de kwaliteit van de ouder-kindrelatie, de aanwezigheid van sociale steun, en de mate waarin de ouder in staat is adequaat opvoedgedrag te tonen [132].
Depressie bij de moeder wordt in het bijzonder in verband gebracht met meer psychosociale problemen bij kinderen [32][62]. Een postpartumdepressie verhoogt het risico op verstoringen in de mentale ontwikkeling, gebrekkige zelfregulatie, een laag zelfbeeld en langdurige emotionele of gedragsproblemen [59] [66]. Daarnaast is er een verband tussen postpartumdepressie en een onveilige gehechtheidsrelatie tussen moeder en kind [67] [64]. Moeders die veel angst ervaren of overbezorgd zijn, hebben bovendien vaker kinderen met internaliserende problemen [33]. Ook psychische problemen bij de vader blijken van invloed te zijn. Depressie bij vaders hangt samen met een verhoogd risico op zowel internaliserende, externaliserende als sociale problemen bij het kind [68][69]. Daarnaast laten kinderen van vaders met ADHD vaker externaliserend gedrag zien.
Chronische somatische aandoening bij de ouder
Kinderen van ouders met een chronische lichamelijke aandoening vertonen vaker internaliserend en externaliserend probleemgedrag dan kinderen van gezonde ouders [70]. Door de langdurige zorglast en de zorgen om de ouder ervaren adolescenten meer klachten als angst, somberheid, teruggetrokken gedrag en gevoelens van machteloosheid [70], Daarnaast worden zwakkere schoolprestaties gerapporteerd bij basisschoolkinderen en tienermeisjes die opgroeien met een ouder met kanker. Dit hangt vooral samen met schoolverzuim en concentratieproblemen [72].
Mishandeling van de moeder en trauma in de jeugd
Kinderen van moeders die in hun jeugd slachtoffer waren van emotionele, fysieke of seksuele mishandeling vertonen vaker externaliserend gedrag dan kinderen van moeders zonder dergelijke ervaringen — ook wanneer rekening wordt gehouden met achtergrondkenmerken zoals leeftijd, opleidingsniveau, samenlevingsvorm, partnergeweld en het geslacht van het kind [73]. Vrouwen die als kind mishandeling meemaakten en tijdens de zwangerschap een depressie ervaren, lopen bovendien een verhoogd risico om hun eigen kinderen te verwaarlozen of mishandelen. Hun kinderen hebben op hun beurt een grotere kans op het ontwikkelen van psychopathologie [74].
Ouders met een (licht) verstandelijke beperking
Ouders met een (licht) verstandelijke beperking (LVB; IQ 50–85) hebben vaak te maken met beperkte sociale steun, een lage sociaaleconomische status, armoede en/of psychische problemen [75][133]. Deze combinatie van factoren kan een vicieuze cirkel van ongunstige omstandigheden creëren, die het opvoedgedrag beïnvloedt en de kans op psychosociale problemen bij hun kinderen vergroot [76]. Hoewel het aantal studies beperkt is, wijzen onderzoeksresultaten erop dat kinderen van ouders met een LVB vaker tekorten ervaren op fysiek en sociaal-emotioneel gebied, wat kan leiden tot verwaarlozing of mishandeling [77][78][133]. Bij ongeveer de helft van deze ouders signaleren hulpverleners tekenen van verwaarlozing of mishandeling, en is ondersteuning van jeugdbeschermingsinstanties noodzakelijk [79][133].
2.4.3 Risicofactoren op microniveau: ouder-kind interactie
Gehechtheidsrelatie
De interactie tussen ouder en kind speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van psychosociale problemen [80]. In gezinnen waar deze interactie minder sensitief of warm verloopt, komen bij kinderen vaker psychosociale problemen voor. De gehechtheidsrelatie tussen ouder en kind is een belangrijke bepalende factor voor het psychosociaal functioneren van het kind.
Internaliserende problemen (zoals angst of somberheid) worden vaker gezien bij kinderen met een onveilig-vermijdende gehechtheidsrelatie, waarbij het kind weinig nabijheid zoekt en contact met de ouder vermijdt [81].
Externaliserende problemen (zoals agressie of druk gedrag) komen vaker voor bij kinderen met een gedesorganiseerde gehechtheidsrelatie [82].
In zo’n gedesorganiseerde relatie is de ouder voor het kind tegelijkertijd een bron van steun én een bron van angst, wat kan leiden tot verwarring en stress in de ontwikkeling.
Opvoedstijl
De opvoedstijl van ouders heeft vanaf de vroege kindertijd een grote invloed op de cognitieve en psychosociale ontwikkeling van het kind [83] Een sensitieve en ondersteunende opvoeding helpt kinderen bij het aanleren van emotieregulatie en gewenst gedrag. Verschillende opvoedstijlen kunnen echter samenhangen met het ontstaan van psychosociale problemen:
Vijandig of afwijzend opvoedgedrag en strenge, regelgerichte opvoeding gaan vaker samen met zowel internaliserende als externaliserende problemen [33][84][85].
Overbescherming van ouders wordt geassocieerd met meer internaliserende klachten, zoals angst en teruggetrokken gedrag [33][86].
Een lage mate van vertrouwen in de eigen opvoedcompetenties hangt samen met een verhoogde kans op gedrags- en emotionele problemen bij kinderen [87] en dit verband lijkt mede beïnvloed door het psychisch welbevinden van de ouder.
Een opvoedstijl die bedreigend, gewelddadig of verwaarlozend is, kan ernstige psychische en lichamelijke gevolgen hebben voor het kind (zie JGZ-richtlijn Kindermishandeling).
2.4.4 Risicofactoren op meso-niveau
Gezinssituatie
De gezinssituatie speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van psychosociale problemen bij kinderen. Onderzoek laat zien dat kinderen uit éénoudergezinnen vaker last hebben van stress, angst en andere psychosociale problemen dan kinderen die opgroeien in tweeoudergezinnen [89][90][135]. Een mogelijke verklaring is het ontbreken van een tweede steunende ouder of het bestaan van aanhoudende conflicten met de ex-partner. De kwaliteit van de ouder-kindrelatie blijkt daarbij een van de belangrijkste beschermende of risicofactoren [168]. Dit geldt ook voor samengestelde gezinnen met stiefouders en/of stiefkinderen, een gezinsvorm die steeds vaker voorkomt [137].
Ingrijpende gebeurtenissen
Kinderen die een scheiding of relatiebreuk van hun ouders meemaken, hebben een verhoogd risico op zowel internaliserende als externaliserende en sociale problemen [91]. Dit risico lijkt niet alleen samen te hangen met de scheiding zelf, maar vooral met de stress en onrust die eromheen ontstaat.De mate van ouderlijk conflict is een belangrijke gezinsfactor bij het ontstaan van psychosociale problemen. Het effect hiervan wordt mede bepaald door de kwaliteit van de opvoeding en de sociaaleconomische status (SES) van het gezin. Ook andere ingrijpende levensgebeurtenissen – zoals het overlijden van een familielid, een ziekenhuisopname of een verhuizing – vergroten de kans op emotionele en gedragsproblemen [169] Dergelijke gebeurtenissen kunnen bovendien het voortbestaan van probleemgedrag in stand houden [92].
De buurt
Kinderen en jongeren die opgroeien in een kwetsbare wijk (voorheen ‘achterstandswijk’) in de stad of op het platteland hebben vaker psychosociale problemen dan gemiddeld [138]. Kwetsbare wijken worden gekenmerkt door hogere werkloosheid, lage inkomens, een groter aandeel bewoners met een uitkering en een overwegend sociale-huursector [138]. De samenstelling van de buurt speelt hierbij een belangrijke rol. Factoren zoals armoede, sociale isolatie, stigmatisering en een gebrek aan sociale controle vergroten de kwetsbaarheid van jongeren. Vooral externaliserende problemen – zoals agressie of delinquent gedrag – komen vaker voor bij kinderen die opgroeien in dergelijke wijken.
Schermtijd en sociale media
Schermtijd en sociale media zijn een integraal onderdeel geworden van de wereld waarin kinderen opgroeien. Uit verscheidene onderzoeken blijkt dat blootstelling aan schermtijd in het algemeen negatieve gevolgen kan hebben op zowel psychische als fysieke gezondheid. Bij jonge kinderen (<5 jaar) hangt schermtijd samen met meer gedragsproblemen, terwijl bij oudere kinderen er zowel meer internaliserende, externaliserende als sociale problemen gezien worden [95].
Het effect van smartphones en sociale media op de mentale gezondheid van jongeren is al geruime tijd onderwerp van discussie. Door het ontbreken van eenduidig wetenschappelijk bewijs zijn concrete leeftijdsgrenzen lastig vast te stellen [209]. Onderzoek laat zien dat het gebruik van sociale media op zichzelf geen directe positieve of negatieve effecten heeft [256]. De impact hangt af van wat jongeren online doen en zien, van hun persoonlijke kenmerken en kwetsbaarheden, en van de context waarin zij opgroeien.
De inhoud van sociale media blijkt daarbij bepalend voor eventuele effecten ervan. Blootstelling aan online haat of pesten wordt bijvoorbeeld in verband gebracht met internaliserende en externaliserende problemen (zie JGZ-richtlijn Pesten) [157];[96]. Hoewel verschillende studies een verband laten zien tussen schermgebruik bij jonge kinderen en het ontstaan van psychosociale problemen – zoals agressief gedrag, hyperactiviteit en moeilijkheden in sociale relaties – is het bewijs hiervoor nog niet consistent. Dat geldt eveneens voor de mogelijke invloed van snelle mediavormen (zoals korte video’s, sociale media en games) op het ontwikkelen van aandachtsproblemen [188]. Verdere studie is nodig om hier meer zekerheid over te krijgen [178].
Naast de inhoud speelt ook de hoeveelheid schermtijd en het gebruik van sociale media een rol als risicofactor voor psychosociale problemen, met name van internaliserende aard, zoals angst en somberheid [97]. Het wetenschappelijke bewijs hiervoor is echter nog niet eenduidig, mede door verschillen in onderzoeksmethoden [100][99][98]. Bovendien bestaan veel moderne mediavormen, zoals sociale media en streamingdiensten, nog maar relatief kort, waardoor de mogelijke langetermijneffecten pas in de toekomst duidelijk zullen worden.
Pesten en gepest worden
Zowel pesten als gepest worden hangen consistent samen met een verhoogde kans op internaliserende problemen, zoals (sociale) angst, depressie en eenzaamheid [151][187]. Het verband tussen pesten en internaliserend gedrag is bovendien bi-directioneel: kinderen die gepest worden, lopen een groter risico op het ontwikkelen van internaliserende problemen, terwijl dergelijke problemen op hun beurt het risico vergroten om slachtoffer van pesten te worden [158]. Zie ook de JGZ-richtlijn Pesten. Binnen het thema pesten valt ook discriminatie, bijvoorbeeld op basis van seksuele oriëntatie, genderidentiteit of afkomst. Uit onderzoek blijkt dat lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender, intersekse en queer (LHBTIQ+) jongeren vaker slachtoffer zijn van pesten en discriminatie dan hun heteroseksuele leeftijdsgenoten [235][236].
2.4.5 Risicofactoren op macroniveau
Sociaal Economische Status (SES)
Kinderen en jongeren uit gezinnen met een lage Sociaal Economische Status (SES) hebben een verhoogde kans op het ontwikkelen van internaliserende en externaliserende problemen [100];[101]; [102]. Een lage SES wordt opgevat als een laag opleidingsniveau van de ouder(s), al dan niet in combinatie met een laag inkomen (dat wil zeggen: ouders hebben een laag inkomen doordat ze werkloos zijn of ongeschoold werk verrichten). Hoewel een lage SES samenhangt met een verhoogde kans op het ontwikkelen van psychosociale problemen, blijkt dit ook sterk samen te hangen van de diverse factoren die hierboven zijn omschreven (zoals psychische en verslavingsproblematiek ouders, gezinssituatie en sociaal netwerk) [139]; [241].
Migratieachtergrond
Onderzoek naar de relatie tussen migratieachtergrond en het ontstaan van psychosociale problemen laat geen eenduidig beeld zien. Kinderen uit migrantengezinnen vormen een diverse groep, met uiteenlopende achtergronden, zoals die van vluchtelingen of arbeidsmigranten.
Vluchtelingenkinderen worden beschouwd als een kwetsbare, maar tegelijkertijd ook veerkrachtige groep [210];[106]. De psychische gezondheid van deze jeugdigen wordt sterk beïnvloed door de stress die binnen vluchtelingengezinnen wordt ervaren. Deze stress komt vaak voort uit de ervaringen van ouders die zelf een (stressvol) vluchtproces hebben doorgemaakt, als volwassene of als kind, en kan intergenerationeel worden overgedragen. Kinderen die zelf gevlucht zijn, blootgesteld zijn geweest aan geweld, of een moeder hebben met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) of depressie, lopen een verhoogd risico op psychische klachten [106].
Naast de specifieke stressoren rondom vluchten, kunnen ook algemene ervaringen van het ‘migrant zijn’ invloed hebben op de mentale gezondheid. Factoren zoals ervaren discriminatie, taalbarrières, culturele verschillen en veranderingen in gezinsdynamiek na migratie spelen hierbij een belangrijke rol [151]; [105];[197]. Verschillende vormen van discriminatie – waaronder racisme en microagressie – kunnen de ontwikkeling belemmeren en worden in verband gebracht met een verhoogd risico op zowel internaliserende als externaliserende problemen [184].
2.4.6 Beschermende factoren
In dit hoofdstuk bespreken we de beschermende factoren, waarvan in onderzoek is vastgesteld dat ze de negatieve invloed van risicofactoren op de psychosociale ontwikkeling van kinderen daadwerkelijk inperken.
Intelligentie, veerkracht en zelfvertrouwen van het kind
Intelligentie en zelfvertrouwen worden beschouwd als belangrijke beschermende factoren binnen het kind zelf [65]; [107]. Kinderen met een hogere intelligentie beschikken doorgaans over meer veerkracht (resilience) en zijn beter in staat om problemen op te lossen dan hun minder intelligente leeftijdsgenoten. Zij hebben vaak sterkere sociale vaardigheden en een groter vermogen tot emotieregulatie.
Vanuit het veerkrachtperspectief wordt veerkracht gezien als het vermogen van kinderen om zich positief aan te passen, ondanks de aanwezigheid van (complexe) problematiek. Veerkracht speelt een belangrijke rol bij het al dan niet ontstaan van psychosociale problemen. In tegenstelling tot eerdere opvattingen wordt veerkracht tegenwoordig gezien als een dynamisch proces dat in de loop van de tijd kan veranderen. Factoren zoals een ondersteunend sociaal netwerk, duidelijke structuur en regels in het gezin, en hoge maar realistische ouderlijke verwachtingen blijken bij te dragen aan het versterken van de veerkracht van kinderen [161]. Ook werkt zelfvertrouwen beschermend tegen de ontwikkeling van psychopathologie [107]. Daarnaast kan een sterk zelfvertrouwen in combinatie met een positieve etnische identiteit, een gevoel van verbondenheid met de eigen etniciteit, bescherming bieden tegen depressieve gevoelens en angst bij jongeren die opgroeien in moeilijke omstandigheden [108].
Veilige gehechtheidsrelatie
Onderzoek laat zien dat positieve ouderlijke interacties een buffer kunnen vormen tegen verschillende risicofactoren [110];[109]. Een veilige gehechtheid tussen ouder (of verzorger) en kind vormt de basis voor een gezonde sociaal-emotionele ontwikkeling [81]; [212]; [213] (zie ook JGZ-richtlijn Ouder-kindrelatie).
Een warme opvoedingsstijl en een hechte ouder-kindband kunnen kinderen beschermen tegen emotionele en gedragsproblemen, bijvoorbeeld in situaties van pesten, hoge stress of ingrijpende gebeurtenissen zoals het verlies van een ouder [109];[110]. Het wetenschappelijke bewijs is echter niet altijd consistent. Recente studies tonen aan dat gezinsfunctioneren en regelmaat niet in alle gevallen een beschermende werking hebben tegen de aanwezigheid van meerdere risicofactoren. Verschillen in onderzoeksopzet en meetmethoden kunnen deze variatie in bevindingen deels verklaren [111].
Steun vanuit sociale netwerk
Uit verschillende studies blijkt dat steun uit het sociale netwerk (familie, vrienden, op school of in de wijk) een belangrijke beschermende factor is voor de mentale gezondheid van jongeren [112]; [173]. De aanwezigheid van een (stabiel) sociale netwerk blijkt beschermend te zijn voor het ontwikkelen van internaliserende problemen bij jongeren, zeker bij aanwezigheid van andere risicofactoren.
Hierbij blijkt ook dat de kwaliteit van steun belangrijker is dan de kwantiteit. De rol van online sociale netwerken blijkt steeds groter te worden [113]. Naast de risico’s die sociale mediagebruik met zich mee kunnen brengen, zijn er ook positieve gevolgen van het gebruik van sociale media onder jongeren. Zo blijkt het gebruik van sociale medianetwerken effectief te kunnen zijn voor het bevorderen van het psychisch welbevinden van jongeren met internaliserende problemen [115]; [114]. Ook voor ouders blijkt het gebruik van sociale netwerken gunstig voor het omgaan met moeilijk of lastig gedrag van hun kinderen. Sociale steun van het informele sociale netwerk blijkt als buffer te kunnen fungeren tussen stress voor de moeder, inadequaat opvoedgedrag en de ontwikkeling van internaliserend en externaliserend probleemgedrag van kinderen [116].
2.4.7 Overzicht van de risico- en beschermende factoren in tabel
Tabel 3: Samengevat risico- en beschermende factoren
Bedreigend
Beschermend
KIND
Matig prematuur (32-36 weken) of ernstig prematuur (<32 weken) geboren of een laag geboortegewicht ( gewicht < 1500 gram)
Geremd, prikkelbaar temperament (moeilijk of minder sociaal)
Ongeremd, extrovert temperament dat gekenmerkt wordt door lage aandachtsspanne
Opvoedstijl die vijandig, afwijzend, streng of overbeschermend is.
Weinig vertrouwen in de eigen opvoedcompetenties
Warme, sensitieve opvoedstijl (zoals acceptatie en responsiviteit) van moeder
Goede band tussen kind en ouders
GEZIN EN OMGEVING
Onveilig vermijdend of gedesorganiseerde gehechtheidsrelatie tussen ouder en kind
Eénouder gezin
Ingrijpende gebeurtenissen zoals echtscheiding
De buurt
Sociale media en scherm gebruik*
Pesten en gepest worden
SES
Migranten achtergrond*
Steun van het sociale netwerk (ouders, vrienden, school en wijk)
* geen eenduidig bewijs
2.5 Comorbiditeit
Somatische klachten en psychosociale problemen
Somatische klachten kunnen zowel een kenmerk als een oorzaak zijn van psychosociale problematiek. Zo blijkt dat aandoeningen zoals astma, een licht verstandelijke beperking of slaapproblemen het risico op psychosociale problemen kunnen verhogen [117];[34];[39]. Omgekeerd kunnen psychosociale problemen de cognitieve ontwikkeling beïnvloeden, bijvoorbeeld door het ontstaan van spraak-, taal- of leerproblemen [118];[119].
De ontwikkeling van kinderen vindt plaats binnen verschillende domeinen (zoals fysiek, motorisch, taal en cognitief) en wordt bepaald door een voortdurende interactie tussen het kind, de ouders en de omgeving. Psychosociale problemen en bijbehorende opvoedingsproblemen staan altijd in wisselwerking met deze ontwikkelingsdomeinen. De impact van psychosociale problematiek op andere ontwikkelingsgebieden hangt af van de aard, duur en frequentie van de problemen, evenals van de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van het kind.
Ernstige psychosociale problemen kunnen ook invloed hebben op de ontwikkeling van hersenstructuren, zoals de prefrontale cortex, hippocampus en amygdala [57]. Er is een duidelijk verband tussen ernstige psychosociale problemen en verstoringen in de stressreactie van het lichaam, vooral in de hypothalamus-hypofyse-bijnier-as (HPA-as). Dit kan bijdragen aan problemen in de ontwikkeling van het zenuwstelsel [55]. Een ontregelde HPA-as veroorzaakt onevenwichtige stresshormoonspiegels, waaronder cortisol, en kan resulteren in een permanente staat van verhoogde alertheid, gericht op een snelle vecht-of-vluchtreactie bij stress [121];[122]. Deze verstoringen kunnen zowel prenataal als in de kindertijd optreden en hebben mogelijk invloed op temperament en emotieregulatie [152].
Ook verstoringen in de sensorische informatieverwerking (prikkelverwerking) blijken samen te hangen met psychosociale problemen en psychiatrische aandoeningen (zie JGZ-richtlijn ASS en ADHD). Problemen in de prikkelverwerking kunnen het emotioneel, gedragsmatig en sociaal functioneren beïnvloeden [236]. Hyper- of hyporeactief reageren op zintuiglijke prikkels is hierbij kenmerkend: kinderen met een lage prikkeldrempel kunnen door bepaalde prikkels opvallend druk, fel of emotioneel reageren, terwijl kinderen met een hoge prikkeldrempel juist meer stimulatie nodig hebben om adequaat te reageren [236]. Bepaalde somatische aandoeningen kunnen bovendien bijdragen aan verstoringen in de sensorische informatieverwerking.
2.6 Gevolgen
Psychosociale problemen in de vroege kinderleeftijd kunnen voorspellend zijn voor latere problemen. Zowel externaliserend als internaliserende problemen op jonge leeftijd worden geassocieerd met psychische stoornissen in de (vroeg)volwassenheid [141]. Het bewijs hiervoor is echter niet eenduidig. Kinderen met (co-ontwikkeling van) externaliserende problemen blijken vaker agressief of delinquent gedrag te vertonen als jongvolwassenen [5];[123]. Internaliserende en externaliserende psychosociale problemen worden gerelateerd aan DSM-diagnoses op latere leeftijd [124]. Ook wordt de kans op suïcide zowel door internaliserende als externaliserende problemen in de kinderleeftijd verhoogd (zie ook JGZ-richtlijn Depressie) [125]. Bovendien blijkt opgroeien met psychosociale problemen ook invloed te hebben op latere inkomsten en sociale netwerken [142][126].
Psychosociale problemen bij kinderen hebben niet alleen invloed op hen, maar ook op hun broers en zussen, ouders en de bredere familie en omgeving. Broers en zussen kunnen vatbaarder zijn voor het ontwikkelen van eigen emotionele en gedragsproblemen, mogelijk door veranderde gezinsdynamiek en stress [183]. De aanwezigheid van psychosociale problemen en de mogelijk onzekerheid bij ouders kunnen spanningen binnen het gezin veroorzaken of verergeren (zie ook JGZ-richtlijn Opvoedondersteuning en Ouder-kind relatie). Ouders kunnen te maken krijgen met verhoogde stress, angst en gevoelens van ontoereikendheid, vooral als ze niet over de nodige middelen en ondersteuning beschikken om met de problemen van hun kind om te gaan. Dit kan leiden tot een vicieuze cirkel waarin de psychosociale problemen van het kind verergeren door de stress en spanningen binnen het gezin.
3 Preventie
De JGZ helpt psychosociale problemen bij kinderen en jongeren te voorkomen door ouders te informeren over normale ontwikkeling en zo alledaagse zorgen te normaliseren. Bij vastgestelde problemen kan de JGZ lichte interventies inzetten of, indien nodig, doorverwijzen. In deze module staat per leeftijdsfase beschreven hoe de JGZ de psychosociale ontwikkeling kan stimuleren en preventie kan toepassen. Het signaleren van psychosociale problemen en bijbehorende instrumenten worden in een aparte module behandeld.
Aanbevelingen
3.1 Uitgangsvragen
Hoe en wanneer kan preventie van psychosociale problemen (en de gevolgen daarvan) door JGZ-professionals het beste plaatsvinden?
3.2 Leeftijdspecifieke tips voor ouders/opvoeders
Jonge kinderen (0-4 jaar) hebben de taal nog niet om hun gevoelens onder woorden te brengen. Ze uiten hun gevoelens via hun lichaam, stem en gedrag [194]. Een baby gaat huilen wanneer hij/zij schrikt, een peuter kan gaan stampvoeten of op de grond liggen krijsen als iets niet lukt of niet naar wens gaat, en een kind in de basisschoolleeftijd laat enthousiasme zien door te springen of in de handen te klappen als iets heel spannends gaat gebeuren. Deze gedragingen zijn normaal en passend bij de leeftijd.
Ouders en andere opvoeders geven betekenis aan het gedrag van hun kind en reageren daarop. Zo spelen zij een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de emotieregulatie van hun kind. Emotieregulatie is het vermogen om met gevoelens om te gaan: het gaat om het herkennen, begrijpen en op een passende manier uiten of bijsturen van emoties. Voor kinderen betekent dit bijvoorbeeld dat ze leren hoe ze zichzelf kunnen kalmeren bij stress of hoe ze met teleurstellingen omgaan. Zie ook JGZ-richtlijn Ouder-kind relatie.
Wanneer je als JGZ-professional in gesprek gaat met ouders over het gedrag van hun kind, nodig hen dan uit om samen te onderzoeken welke behoefte er mogelijk achter dit gedrag schuilgaat. Vraag bijvoorbeeld wat het kind met zijn of haar gedrag probeert duidelijk te maken, of in welke situaties het gedrag vooral voorkomt. Door stil te staan bij de mogelijke oorzaken of betekenis van het gedrag, help je ouders om met meer begrip naar hun kind te kijken en de gevoelens van hun kind serieus te nemen.
Voor ouders/opvoeders van kinderen 0-4 jaar
Geef als ouder/opvoeder het goede voorbeeld: Laat zien hoe jij zelf met emoties omgaat, bijvoorbeeld: “Ik ben boos, dus ik adem rustig in en uit.”
Neem gevoelens serieus: erken de emoties van het kind, ook als ze niet logisch lijken. Stel gerust en denk mee in oplossingen (zoals een nachtlampje bij angst).
Laat weten dat alle gevoelens oké zijn, maar stel grenzen aan gedrag: “Boos zijn mag, slaan niet.”
Blijf rustig en ondersteunend. Reageer kalm op driftbuien of verdriet. Het kind heeft jouw rust en nabijheid nodig om weer tot zichzelf te komen.
Praat over gevoelens samen met het kind: “Ik zie dat je verdrietig bent omdat je speelgoed kapot is.” Zo leert je kind woorden geven aan wat hij/zij voelt.
Zorg voor een voorspelbare dagindeling en duidelijke regels. Dat geeft kinderen houvast en rust.
Meer praktische tips voor ouders/opvoeders zijn te vinden op deze pagina van het Nederlands Jeugdinstituut.
Voor ouders/opvoeders van kinderen 4 -12 jaar
Benoem en beloon positief gedrag: Geef complimenten als de jeugdige iets dappers of goeds doet, ook als het spannend is. Erken tegelijk ook gevoelens van angst of onzekerheid.
Bespreek emoties van jouzelf, de jeugdige en anderen. Gebruik situaties uit het dagelijks leven, boekjes of filmpjes om samen na te denken over hoe iemand zich voelt.
Geef het goede voorbeeld: laat zien hoe jij zelf met emoties omgaat, zoals rustig blijven bij stress. Benoem wat je voelt én wat je ermee doet.
Help de jeugdige boosheid of verdriet op een gezonde manier te uiten, bijvoorbeeld door erover te praten, te bewegen of even af te koelen in plaats van te slaan of schreeuwen.
Bij een conflict tussen ouder en kind: Praat na afloop rustig met zoon of dochter. Benoem wat er gebeurde, toon begrip en bied excuses aan als je zelf te fel reageerde. Zo leer je samen herstellen en verbinden.
Blijf betrokken bij de jeugdige, ook als hij/zij zelfstandiger wordt. Kinderen vanaf 10 jaar willen zelfstandig zijn, maar hebben nog steeds steun en aandacht van hun ouders nodig.
Meer praktische tips voor ouders zijn te vinden op deze pagina van het Nederlands Jeugdinstituut.
Voor ouders/opvoeders van jongeren 12 – 18 jaar
Wees beschikbaar en toon echte interesse. Dat helpt de jongere zich gehoord en gesteund te voelen.
Luister zonder oordeel: laat de jongere praten zonder meteen advies te geven of het probleem te bagatelliseren.
Laat merken dat gevoelens als angst, stress of verdriet normaal zijn: “Dat klinkt echt lastig. Ik ben er voor je.”
Vermijd kritiek en vergelijkingen. Zeg liever niet: “Stel je niet aan” of “Toen ik jong was…” – dat doet af aan hun ervaring.
Vraag wat de jongere nodig heeft; soms is luisteren genoeg. Vraag of en hoe je kunt helpen.
Laat de jongere zelf keuzes maken en leren van fouten. Blijf betrokken, zonder alles op te lossen.
Stimuleer gezonde gewoonten: help de jongere aan een regelmatig ritme met slaap, beweging en gezonde voeding.
Let op zorgsignalen, zoals zich terugtrekken, verlies van interesse, slaapproblemen of sombere uitspraken. Bij zorgen: neem contact op met JGZ, huisarts of een psycholoog.
Voor tips over schermgebruik en digitale media: zie Module Begeleiden van deze richtlijn.
3.3 Preventie van psychosociale problemen
Elke ouder/opvoeder die zich zorgen maakt over de psychosociale ontwikkeling van zijn/haar kind verdient zorgvuldige en passende aandacht van de JGZ-professional. Dit geldt ook voor jongeren die niet goed in hun vel zitten en via school bij een JGZ-professional terechtkomen.
Tijdens het contact met de JGZ-professional is voldoende tijd nodig om het verhaal van de ouders en/of de jongere zelf goed in kaart te brengen. De communicatie tussen professional en ouder(s) en jongere(n) is van groot belang, omdat ouders en jongeren zich door positieve aandacht en bejegening gehoord en begrepen voelen (zie Praktijkmodule Gespreksvoering in de JGZ).
Door ouders, jongeren en andere opvoeders te informeren over de normale psychosociale ontwikkeling, worden veel voorkomende vragen en zorgen van ouders en jeugdigen over gedrag en emoties genormaliseerd. Zie ook JGZ-richtlijn Opvoedondersteuning (Preventie en signaleren).
De ontwikkeling van kinderen brengt telkens nieuwe uitdagingen voor ouder/opvoeder en kind met zich mee, die voortkomen uit biologische veranderingen, motorische en cognitieve ontwikkelingen, maar ook sociale verwachtingen en (cultureel bepaalde) keuzes. Als kinderen naar de basisschool gaan, wordt van hen verwacht dat ze overdag zindelijk zijn bijvoorbeeld. Ontwikkelingspsychologen spreken van ‘ontwikkelingsopgaven’ van een kind of jongere. Het voltooien van de ontwikkelingsopgaven is belangrijk voor de psychosociale ontwikkeling van een kind. In elke ontwikkelingsfase stemmen ouders hun gedrag af op wat het kind al kan, of nog moet leren. Dat vraagt aanpassing van ouders en kind of jongere: zie het O&O schema van het NCJ met per leeftijdsfase veelvoorkomende uitdagingen.
4 Signaleren
Een belangrijke taak van de JGZ is het voorkomen van psychosociale problemen bij kinderen en jongeren. Dat doet de JGZ-professional in de eerste plaats door ouders te informeren over de normale (psychosociale) ontwikkeling van kinderen. Zo worden alledaagse vragen en problemen rond de psychosociale ontwikkeling genormaliseerd. Daarnaast heeft de JGZ een belangrijke rol bij het vroegsignaleren van psychosociale problemen of het risico daarop bij kinderen en jeugdigen. Dat is het centrale thema in deze module. In deze module wordt specifiek per leeftijdsfase besproken hoe de JGZ-professional psychosociale problemen kan signaleren. Het stellen van een diagnose behoort niet tot de taak van de JGZ
Aanbevelingen
4.1 Uitgangsvraag
Hoe en wanneer kan signaleren van psychosociale problemen (en de gevolgen daarvan) door JGZ-professionals het beste plaats vinden?
4.2 Achtergrond
Wanneer ouders/opvoeders zich zorgen maken over de manier waarop hun kind zich sociaal en emotioneel ontwikkelt—bijvoorbeeld omdat het kind weinig vriendjes heeft en erg verlegen is en/of wanneer jongeren zelf aangeven dat ze niet goed in hun vel zitten, dat ze somber zijn, of faalangstig, of niet naar school willen dan is het de taak van de jeugdarts of jeugdverpleegkundige om hier zorgvuldig naar te kijken.
4.2.1 In gesprek gaan en observeren
De JGZ-professional voert gesprekken met ouders en/of de jongere om signalen te identificeren die kunnen wijzen op (beginnende) sociaal-emotionele, gedrags- of psychische problemen. Deze problemen kunnen variëren van lichte ontwikkelingsproblemen tot ernstigere psychosociale problemen die soms kunnen leiden tot psychiatrische aandoeningen.
Naast gesprekken is de observatie van het gedrag van het kind of de jongere een belangrijke informatiebron. De JGZ-professional let op gedragsuitingen zoals:
Teruggetrokken gedrag, extreme prikkelbaarheid, angst of zelfbeschadiging (emotionele problemen).
Opstandig gedrag, concentratieproblemen, driftbuien, agressie, moeite met regels en grenzen (gedragsproblemen).
Verstoorde interactie tussen ouder en kind, pesten of gepest worden, of moeite met vrienden maken (sociale problemen).
In de verkennende fase is het belangrijk dat zowel ouders/jongere als leerkrachten op school of medewerkers in de kinderopvang informatie geven over het gedrag van het kind/jongere. Kinderen kunnen thuis en op school, kinderdagverblijf of peuterspeelzaal verschillend gedrag vertonen, omdat verschillende omgevingen verschillende eisen stellen. Soms is een lichamelijk onderzoek noodzakelijk om somatische aandoeningen, zoals visus- of gehoorproblemen, uit te sluiten.
De JGZ-professional benadert de jeugdige systemisch, in relatie tot gezin, school, leefomgeving en bredere maatschappelijke factoren. Hierbij wordt ook gekeken naar interacties en relaties binnen het gezin en hoe deze de ontwikkeling en het welzijn van de jeugdige beïnvloeden. De JGZ-professional kan helpen om deze verhoudingen inzichtelijk te maken en passende ondersteuning te bieden.
4.2.2 Meerwaarde en moment signaleringsinstrumenten
Uit onderzoek blijkt dat veel psychosociale problemen bij kinderen en jongeren niet opgemerkt worden wanneer de JGZ-professional geen gebruik maakt van een instrument: bijna driekwart (72%) van de kinderen tussen de leeftijd van 21 maanden en 4 jaar [6];[4] en bijna de helft van de 5- tot 15-jarigen met psychosociale problemen wordt niet opgemerkt door de JGZ [92]; [206]. In deze studies wordt een klinische score op de CBCL gehanteerd als criterium voor psychosociale problemen.
De inzet van betrouwbare en gevalideerde instrumenten zoals de SDQ of een andere vragenlijst (zie Tabel met overzicht) kan de signalering van deze problemen aanzienlijk verbeteren [205];[200]. Ook gevalideerde gespreksmethodieken zoals de GIZ [154] en de SPARK-methode [225] zorgen ervoor dat er meer zorgen van ouders besproken worden.
Daarnaast worden binnen de JGZ verschillende methodieken ingezet waarin het signaleren van psychosociale problemen bij de jeugdige een centrale rol speelt, zoals ‘Gezond leven? Check het even!’ en Jij en je Gezondheid. In beide methodieken wordt een digitale vragenlijst (samengesteld uit diverse lijsten) klassikaal op het VO afgenomen, waarna de leerlingen digitale tips en adviezen krijgen en eventueel een gesprek met de JGZ-professional.
Meer Informanten: beter oordeel
Onderzoek toont aan dat psychosociale problemen bij kinderen en jongeren nauwkeuriger worden ingeschat wanneer meerdere informanten, zoals ouders en leerkrachten, betrokken zijn [149]. Kinderen vertonen verschillend gedrag afhankelijk van de context. Meerdere perspectieven zorgen voor een betrouwbaardere inschatting. De studie van Theunissen [7] benadrukt de meerwaarde van het combineren van de SDQ ouderversie en zelfrapportage versie. Instrumenten vervangen echter nooit het klinisch oordeel van JGZ-professionals; ze vormen een aanvulling. Professionele inschatting blijft essentieel, gebaseerd op observatie, gespreksvaardigheden en expertise.
Inzet signaleringsinstrumenten bij praktijkonderwijs
In een studie van Theunissen en collega’s [199] [215][230] is onderzocht of de SDQ zelfrapportage geschikt is voor adolescenten uit het praktijkonderwijs (Pro en VMBO Basis/Kader). De resultaten toonden aan dat deze jongeren iets hogere SDQ scores hebben dan hoger opgeleide adolescenten, wat wijst op meer psychosociale problemen. De interne consistenties en schaalstructuur van de SDQ waren acceptabel voor beide groepen. Interviews met JGZ-professionals en adolescenten gaven aan dat het taalgebruik van de SDQ moeilijk te begrijpen is voor alle adolescenten. Desondanks kan de SDQ gebruikt worden bij zowel praktijkonderwijs als het voorbereidende middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) basis/kader en hoger opgeleide jongeren, wat de validiteit van het instrument bevestigt.
Wat is een geschikt moment voor signalering?
Van Grieken heeft onderzocht op welke leeftijden van het kind het essentieel is om een vragenlijst voor het signaleren van psychosociale problemen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt aanbevolen om voor alle relevante leeftijdsfasen in de JGZ (0-4 jaar, 4-7 jaar, 8-12 jaar, 13-14 jaar) een gevalideerd instrument in te zetten om psychosociale problemen bij de jeugdige te identificeren.
4.2.3 Beschrijving per signaleringsinstrument
Hieronder beschrijven we per instrument de uitkomsten van de literatuursearches en de search via de Databank van het NJi. In Bijlage 1 wordt een overzicht gegeven van alle gevonden instrumenten, gerangschikt naar leeftijdsfase en type instrument (gespreksmethodiek, oudervragenlijst, zelfrapportage instrument).
Gespreksmethodieken in de JGZ
De GIZ-methodiek (Gezamenlijk Inschatten van Zorgbehoeften) [153][154] wordt gebruikt om systematisch de zorgbehoeften van kinderen en gezinnen in kaart te brengen. Het is geschikt voor (aanstaande) ouders met kinderen van -9 maanden tot 22 jaar. Vanaf 8 jaar kan de JGZ-professional de GIZ samen met het kind afnemen.
De JGZ-professional en ouder/jongere bepalen samen de zorgbehoeften en vervolgstappen, met vragen als: Hoe gaat het? Wat is er aan de hand? Wat is er nodig? Hebben de acties geholpen? Twee leeftijdsspecifieke visuele schema’s met pictogrammen ondersteunen het gesprek. Samen onderzoeken ze de sterke kanten en zorgbehoeften van het kind en gezin, en beslissen over passende ondersteuning. Onderzoek toont aan dat de GIZ-methodiek een brede en relevante set ontwikkelingsdomeinen en omgevingsfactoren bevat, wat goed aansluit bij de JGZ. Het helpt professionals systematisch risico- en beschermende factoren in kaart te brengen. Er is redelijke tot goede overeenstemming tussen professionals bij het beoordelen van zorgbehoeften, wat wijst op consistente toepassing. Hoewel beperkt onderzoek naar de onderliggende structuur van de GIZ-methodiek is gedaan, suggereren eerste bevindingen dat de methode effectief is in het onderscheiden van verschillende niveaus van zorgbehoefte [153]. Er is nog geen onderzoek naar de voorspellende validiteit en de impact op zorguitkomsten voor kinderen en gezinnen.
De SPARK–methode (Signaleren van Problemen en Analyseren van het Risico bij opvoeden en opgroeien van Kinderen) is een gevalideerd vraaggesprek dat de ervaring van ouders combineert met de expertise van de jeugdverpleegkundige [225][226][227][228]. De methode kan prenataal worden ingezet en op de leeftijd van 18, 36 en 60 maanden. De methode geeft aan of een kind een laag, verhoogd of hoog risico op opvoed- en ontwikkelingsproblemen heeft en biedt inzicht in de zorgen en zorgbehoeften van ouders. De predictieve validiteit van de SPARK is goed tot uitstekend [225][226][227][228] en kan latere meldingen bij Veilig Thuis voorspellen. Er is geen onderzoek beschikbaar dat de SPARK vergelijkt met een criterium zoals de CBCL.
Oudervragenlijsten
De ASQ:SE (Ages & Stages Questionnaires: Social-Emotional) is een Amerikaanse oudervragenlijst voor het herkennen van sociaal-emotionele problemen bij kinderen van 4 weken tot 6 jaar. Internationaal toont de ASQ-SE goede psychometrische uitkomsten bij kinderen van 0-24 maanden [220]. In Nederland bleek de overeenkomst met de CBCL laag op 6, 14, 24, 36 en 48 maanden. Ouders vonden de ASQ-SE gebruiksvriendelijk, maar het is geen valide instrument voor 0-4 jarigen in Nederland [214][201].
De Brief-Infant-Toddler-Social-Emotional-Assessment (BITSEA) is een korte Amerikaanse oudervragenlijst voor kinderen van 12 tot 36 maanden. Het meet emotionele en gedragsproblemen (Probleemschaal) en sociale vaardigheden (Competentieschaal). Twee studies bevestigen dat de BITSEA valide is voor het identificeren van psychosociale problemen bij 24 maanden [174][214]. Het kan goed onderscheid maken tussen tweejarigen met en zonder problemen [214]. Voor 14 maanden is het echter niet valide in Nederland [214]. Internationale studies tonen sterke psychometrische eigenschappen voor gebruik in de eerstelijnsgezondheidszorg bij kinderen van 0-24 maanden [220].
De Psycat[239] is een online oudervragenlijst voor het meten van psychosociale problemen bij kinderen (internaliserende, externaliserende problemen en hyperactiviteit) met behulp van computerized adaptive testing (CAT). Deze techniek stelt na elk antwoord de zwaarte van de problematiek vast en bepaalt de volgende vraag, waardoor irrelevante vragen worden overgeslagen. Er zijn versies voor ouders van kinderen van 2-4 jaar en 7-12 jaar.
Voordelen van de Psycat ten opzichte van bestaande vragenlijsten zoals de SDQ:
Kort en adaptief, gemiddeld 17 vragen.
Betrouwbare informatie over de aard van de problemen.
Resultaten in een leesbare grafische weergave.
De Psycat is een valide instrument dat goed onderscheid maakt tussen kinderen met en zonder psychosociale problemen, zoals aangetoond in simulatieonderzoek bij ouders van 2-4 jaar (Theunissen et al., 2024) en 7-11 jaar (Vogels et al., 2011), en in de JGZ-praktijk bij ouders van 7-11 jaar (Theunissen et al., 2020). De resultaten tonen validiteit voor de ‘Totale probleem’ schaal en de subschalen internaliserende, externaliserende problemen en hyperactiviteit, vergeleken met de Child Behavior Checklist (CBCL).
De Pediatric Symptom Checklist (PSC) is een screeningsinstrument voor het identificeren van psychosociale en emotionele problemen bij kinderen en adolescenten in de eerstelijnszorg zoals de JGZ. Het bevat 35 items en heeft een versie voor ouders van kinderen van 4-11 jaar en een zelfrapportage versie voor 11-18 jaar. Internationale reviews tonen uitstekende psychometrische eigenschappen, waarbij de PSC goede correleert met de CBCL en SDQ [219];[176]. In Nederland is de validiteit onderzocht bij ouders van 7-11 jarigen, waarbij de sensitiviteit goed was, maar lager dan de SDQ [205]. Ook was de item non-response lager dan bij de SDQ.
De Strengths & Difficulties Questionnaires (SDQ) is een Brits instrument [62] dat psychosociale problemen, sterke kanten en de invloed van problemen op het dagelijks functioneren meet. De oudervragenlijst bevat 25 items verdeeld over vijf subschalen: Hyperactiviteit/aandachtstekort, Emotionele problemen, Problemen met leeftijdsgenoten, Gedragsproblemen en Pro-sociaal gedrag. De eerste vier subschalen vormen samen de Totale probleemschaal; de vijfde schaal wordt niet meegenomen in de totaalscore. Daarnaast is er een impactschaal die de invloed van problemen op het dagelijks leven meet.
De SDQ heeft twee ouderversies:
SDQ 2-4 voor kinderen van 2-4 jaar
SDQ 4-17 voor kinderen van 4-17 jaar
Nederlandse studies tonen aan dat de SDQ een uitstekende overeenkomst heeft met de CBCL voor kinderen van 3-17 jaar [?]; [200]; [216]; [229]; [205]; [238]. Dit betekent dat de SDQ goed onderscheid maakt tussen kinderen met en zonder problemen en de signalering door de JGZ kan verbeteren.[237]; [201]. De SDQ is ook effectief voor subgroepen op basis van geslacht, opleidingsniveau van ouders en etniciteit [185]. Dat wil zeggen: de SDQ kan ook psychosociale problemen signaleren bij kinderen van ouders met bijvoorbeeld een laag opleidingsniveau [199] of bij ouders met een migratie achtergrond.
De SDQ 2-4 werd oorspronkelijk ontwikkeld voor kinderen van 3-4 jaar en later uitgebreid naar 2-4 jaar. Er is nog geen onderzoek naar de betrouwbaarheid en validiteit voor kinderen jonger dan 3 jaar in Nederland, maar internationale studies tonen wisselende resultaten voor kinderen van 1-2 jaar [221]; [222];[223];[224]. De betrouwbaarheid en validiteit verbeteren bij oudere kinderen (2 en 3 jaar), vooral voor de subschaal Gedragsproblemen [223];[224].
De subschalen van de SDQ hebben soms een lage betrouwbaarheid [200][237];[199];[200], maar de subschalen Emotionele problemen en Hyperactiviteit/aandachtstekort zijn voldoende betrouwbaar en valide voor kinderen van 12-17 jaar [215]. Vanwege de wisselende resultaten dienen JGZ-professionals voorzichtig te zijn bij de interpretatie van subschalen, zelfs bij een verhoogde totaalscore. De impactscore heeft geen toegevoegde waarde voor kinderen van 3-11 jaar ten opzichte van de totaalscore, maar wel voor 12-14 jarigen [?].
Leerkrachtvragenlijsten
Er is een leerkrachtversie van de SDQ voor kinderen van 4-7 jaar. Deze versie komt uitstekend overeen met het CBCL-criterium (Teacher Report Form) ([185]; [229]. Mieloo [185][216] toonde aan dat de SDQ leerkrachtversie (totaalscore) voor kinderen van 5 en 6 jaar ook acceptabel onderscheid maakt tussen subgroepen op basis van geslacht, opleidingsniveau van ouders en etniciteit.
Zelfrapportage instrumenten
Theunissen en collega’s [7] en Vugteveen [238];[215] onderzochten de validiteit en betrouwbaarheid van de SDQ zelfrapportage voor 11-17 jaar bij 500 adolescenten van 13-14 jaar. Naast de SDQ vulden de jongeren de YSR in, en hun ouders de SDQ Ouderversie en de CBCL. De SDQ zelfrapportage bleek valide voor het vinden van psychosociale problemen. Niet alleen de SDQ totaalscore, maar ook de subschalen Emotionele problemen en Hyperactiviteit/aandachtstekort zijn voldoende betrouwbaar en valide bevonden [215][230][231][232]. De SDQ Ouderversie biedt aanvullende informatie, waardoor het nuttig is om ouders ook te betrekken bij de identificatie van psychosociale problemen.
De KIVPA, ontwikkeld in 1997 voor het voortgezet onderwijs, kreeg in 2004 een nieuwe versie op basis van onderzoek [218] en veldervaring. Deze versie is gevalideerd voor 13- en 14-jarigen in Nederland [217]. De KIVPA komt goed overeen met de Youth Self-report (CBCL) en verbetert de signalering van psychosociale problemen door JGZ-medewerkers [217].
4.2.4 Diagnostische instrumenten
Op basis van de uitkomsten van de signalering kan het nodig zijn voor nadere diagnostiek uitgebreidere generiek signaleringsinstrumenten te gebruiken, zoals één van de Achenbach System of Empirically Based Assessment (ASEBA) vragenlijsten. Deze lijsten kunnen door ouders of verzorgers (de Child Behavior Check List, CBCL), leerkrachten (Teacher Report Form, TRF) of door het kind zelf (Youth Self Report, YSR) ingevuld worden. Deze lijsten zijn door hun lengte niet standaard te gebruiken in de JGZ. Zij zijn wel gevalideerd en genormeerd en daarbij geschikt als assessment instrument, als nadere stap van probleemverkenning na gebruik van bijvoorbeeld de SDQ [4]. In het schema richtinggevende diagnostiek (NCJ) wordt aangegeven welke diagnostische instrumenten ingezet kunnen worden bij een vermoeden van bijv. angst, ADHD, autismespectrumstoornis of depressie.
De Child Behavior Checklist (CBCL) is een diagnostisch instrument om probleemgedrag en vaardigheden van kinderen en jongeren te meten. De CBCL maakt deel uit van het Achenbach System of Empirically Based Assessment (ASEBA) en heeft twee versies: één voor kinderen van 1,5-5 jaar en één voor kinderen en jongeren van 6-18 jaar. Daarnaast zijn de Teacher Report Form (TRF) voor leerkrachten en de Youth Self-Report (YSR) beschikbaar voor jongeren vanaf 11 jaar.
De CBCL voor 1,5-5 jaar bevat 100 vragen en de versie voor 6-18 jaar 140 vragen. Scores kunnen worden ingedeeld in Internaliserend, Externaliserend en Overige problemen. Internaliserend en externaliserend vormen samen de schaal Totale problemen. De vragen kunnen ook worden ingedeeld naar vijf DSM-schalen. De CBCL is zeer goed gevalideerd met een hoge betrouwbaarheid (Cronbach’s alpha vaak boven 0,90) en wordt wereldwijd gebruikt in onderzoek en klinische settings. Voor gebruik zijn licentiekosten vereist.
5 Samenwerken en verwijzen
Deze module beschrijft hoe samenwerking en verwijzing bij psychosociale problemen vorm krijgen. Voor goede samenwerking is het belangrijk dat JGZ-professionals weten welke taken en rollen andere betrokken professionals en netwerkorganisaties hebben bij het signaleren en begeleiden van psychosociale problemen. De informatie in deze module is gebaseerd op gepubliceerde (grijze) literatuur, de expertise van de werkgroep en praktijkonderzoek.
5.1 Uitgangsvragen
Wanneer moet worden verwezen en naar welke professional?
En welke criteria zijn er voor verwijzing naar de eerste of tweede lijn?
5.2 Tabellen en schema’s
Figuur 1. Stroomdiagram samenwerken en verwijzen.
Tabel 1. Taakverdeling binnen de JGZ (aangepast van GGZ standaard Psychische klachten in de kindertijd en JGZ richtlijn Psychosociale Problemen 2016).
Tabel 2. Taakverdeling buiten de JGZ (aangepast van GGZ standaard Psychische klachten in de kindertijd en JGZ-richtlijn Psychosociale Problemen 2016).
5.3 Taken van de JGZ-Professional
Van JGZ-professionals wordt verwacht dat zij psychosociale problemen tijdig signaleren, het gezin ondersteunen en – wanneer sprake is van (mogelijk) complexere problematiek – netwerkpartners betrekken of doorverwijzen naar specialistische zorg (zie Tabel 1b Netwerkpartners).
De JGZ komt psychosociale problematiek vaak tegen in een vroeg stadium. Bij slechts een klein deel van de (jonge) kinderen is de problematiek direct duidelijk te benoemen. Het vinden van passende ondersteuning of zorg is een gezamenlijk proces met ouders en jeugdigen. Dit proces begint met het bespreken van hun vragen, wensen en zorgen, waarna samen wordt verkend wat nodig is om de psychosociale problemen te verlichten of op te lossen.
Het signaleren van psychosociale problemen kan plaatsvinden op basis van informatie van ouders of jeugdigen, signalen van netwerkpartners, of de eigen observaties en professionele inzichten van de JGZ-professional tijdens contacten. Wanneer gedrag niet goed te verklaren is vanuit normale ontwikkelingsfasen of bestaande (psycho)somatische problemen, kunnen signaleringsinstrumenten worden ingezet om de aanwezigheid van psychosociale problemen te beoordelen.
Vooral bij jonge kinderen is het belangrijk om een betrouwbaar (screenings)instrument te gebruiken en informatie te verzamelen van meerdere bronnen, zoals ouders, het consultatiebureauteam, het dossier en de kinderopvang (of de school bij oudere kinderen) [240]. Beschikbare signaleringsinstrumenten worden beschreven in de module Preventie en Signaleren van deze richtlijn.
Wanneer een kind één of meer symptomen van psychosociale problemen laat zien, is het belangrijk eerst na te gaan of het gedrag past binnen de normale variatie van ontwikkeling. Als het gaat om een enkel symptoom dat het dagelijks functioneren niet belemmert of niet wijst op een onderliggende aandoening, kan de JGZ bekijken hoe ouders het best kunnen worden ondersteund, bijvoorbeeld bij de opvoeding (zie module Begeleiden en de JGZ-richtlijn Opvoedondersteuning).
Wanneer een kind meerdere psychosociale symptomen vertoont die niet passen bij de leeftijd, kan de JGZ in extra contacten ondersteuning bieden. Als er meer hulp nodig is dan alleen advies vanuit de JGZ, kunnen beschikbare interventies worden ingezet, eventueel in samenwerking met netwerkpartners. (zie module Begeleiden voor meer informatie). De JGZ heeft hierbij een uitvoerende rol en betrekt netwerkpartners ter ondersteuning.
Bij signalen van mogelijke kindermishandeling of huiselijk geweld moet de (KNMG) meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling worden gevolgd. Als er twijfel is over het starten van de meldcode, kan overleg plaatsvinden met een aandachtsfunctionaris (zie ook JGZ-richtlijn Kindermishandeling).
5.4 Wanneer verwijst de JGZ-professional de ouder/jeugdige door?
Bij vermoedens van complexere problematiek, zowel psychosociaal als multifactorieel (bijv. door onderliggende aandoeningen, de situatie van ouders of de omgeving), kan worden besloten netwerkpartners (tabel 1) te betrekken of door te verwijzen, omdat dit vaak de beste ondersteuning biedt.
Daarnaast wordt gekeken of de symptomen het functioneren van het kind belemmeren (zie richtlijn ADHD) of kenmerkend zijn voor psychiatrische aandoeningen (zie JGZ-richtlijnen Angst, ASS, Depressie), zoals weergegeven in Figuur 1.
Bij een eventuele verwijzing is het belangrijk gestructureerd en transparant te werken in overleg met ouders en jongeren. Zij worden daarom actief betrokken bij het besluitvormingsproces (shared decision-making). De JGZ speelt hierbij een coördinerende rol.
De JGZ-professional verwijst door wanneer:
Er een vermoeden bestaat van psychosociale problemen (gebaseerd op professioneel inzicht en/of signaleringsinstrumenten) én het professionele oordeel is dat adviezen en lichte ondersteuning vanuit de JGZ onvoldoende zijn. Adviezen en lichte ondersteuning vanuit de JGZ kunnen bijvoorbeeld onvoldoende zijn bij:
Licht verstandelijke beperking bij een van de ouders
Er signalen zijn van mogelijke kindermishandeling, huiselijk geweld of verwaarlozing.
Daarnaast kan doorverwijzing nodig zijn wanneer aanvullende contacten binnen de JGZ niet voldoende zijn. Binnen JGZ-organisaties kunnen hierover afspraken bestaan, bijvoorbeeld over een maximaal aantal extra momenten van contact.
Figuur 1. Stroomdiagram samenwerken en verwijzen bij psychosociale problemen
5.5 Samenwerken
Kenmerkend voor de JGZ-professional is zijn/haar integrale visie, dat wil zeggen: de JGZ-professional kijkt niet alleen naar lichamelijke, psychische en sociale aspecten van het kind, maar ook naar het sociale en fysieke leefmilieu van de jeugdige. De JGZ werkt samen met andere professionals die betrokken zijn bij de jeugdige en/of zijn leefomgeving (tabel 1).
Goede taakverdeling, aansluiting en samenwerking binnen de JGZ en met verschillende netwerkpartners is hierbij noodzakelijk.
5.5.1 Taakverdeling binnen de JGZ
Tabel 1. Taakverdeling binnen de JGZ
(aangepast van GGZ standaard Psychische klachten in de kindertijd en JGZ richtlijn Psychosociale Problemen 2016).
Titel
Taken
Jeugdartsen*
Basistaken (raadpleging door ouders/jeugdigen; inschatten zorgbehoefte doormiddel van informatie vanuit ouders/jeugdigen, netwerkpartners of professionele inschatting; advisering en ondersteuning op basis van zorgbehoefte)
Zo nodig betrekken van en/of doorverwijzen naar netwerkpartners voor (specialistische) zorg of diagnostiek
Jeugdverpleegkundigen*
Basistaken (raadpleging door ouders/jeugdigen; inschatten zorgbehoefte doormiddel van informatie vanuit ouders/jeugdigen, netwerkpartners of professionele inschatting; advisering en ondersteuning op basis van zorgbehoefte)
Bieden van aanvullende ondersteuning op spreekuren en huisbezoeken, groepsconsulten en activiteiten, oudercursussen en programma’s
Uitvoeren van preventieve gezondheidsonderzoeken (PGO’s)
Zo nodig betrekken van en/of doorverwijzen netwerkpartners (direct met perspectief plan of indirect via Jeugdarts).
N.B. er is veel overlap tussen de taken van de jeugdarts en jeugdverpleegkundigen. Basistaken kunnen overkoepelend worden beschouwd.
(Dokters)assistenten
Triage functie opvoedingsvragen:
uitvoeren periodieke gezondheidsonderzoek van niet-risicokinderen en -gezinnen;
verlenen van standaardinformatie over algemene vragen rondom opvoeding, ontwikkeling en gedrag; doorverwijzing naar jeugdarts of jeugdverpleegkundige bij vermoeden problematiek of risico’s.
(JGZ) pedagoog**
Aanbieden van aanvullende ondersteuning (w.o. pedagogische thuisbegeleiding en observaties) in zowel particuliere, JGZ en opvangcentra setting.
Uitvoeren en coördineren pedagogische spreekuren, voorlichting, advisering.
Coachen jeugdverpleegkundigen en jeugdartsen bij complexe casussen, bieden van consultatie en deskundigheidsbevordering (JGZ pedagoog).
Verpleegkundig specialist*
Bijdrage aan geïntegreerde werkwijze voor vroegtijdig signaleren, onderkennen, voorkomen en terugdringen van somatische, psychosociale en ontwikkelingsproblematiek bij jeugdigen.
* taken van Jeugdarts jeugdverpleegkundige en verpleegkundig Specialist lopen in de praktijk vaak door elkaar heen
** niet bij elke JGZ organisatie aanwezig
5.5.2 Taakverdeling buiten de JGZ
Tabel 2. Taakverdeling buiten de JGZ
(aangepast van GGZ standaard Psychische klachten in de kindertijd en JGZ-richtlijn Psychosociale Problemen, 2016). N.B. beschikbaarheid en taakverdeling kunnen per regio verschillen.
Titel
Taken
Maatschappelijk werk (algemeen en school)
Opvoedingsondersteuning door psychosociale hulpverlening, signalering en preventie:
advisering en begeleiding van ouders/jeugdige, al dan niet i.c.m. school- en leerproblemen. Vaak in de vorm van individuele contacten met ouders (spreekuren), of oudercursussen (fysiek of video-hometraining).
Gedragswetenschapper
Wetenschappelijk onderbouwde vakbekwaamheid;
Consultatief/adviserende rol naar andere beroepsgroepen en domeinen betrokken bij opvoeding jeugdige.
Jeugdconsulenten binnen de Ouder en Kind Advies Team (OKA, multidisciplinair team met professionals in de verloskundige zorg, kraamzorg, jeugdgezondheidszorg en opvoedhulp).
Onderzoeken de hulpbehoefte, verwijzen naar passende zorg, regisseren de zorg en monitoren de veiligheid in het gezin.
Huisartsen
Poortwachtersfunctie.
Gerichte afgestemde doorverwijzing naar relevante professionals (o.a. niet vrij toegankelijke jeugdhulp en gespecialiseerde hulp).
Contactpunt ouders.
Praktijkondersteuning huisarts (POH)- jeugd
Samenwerking met huisarts
Het begeleiden van ouders en/of jeugdigen met psychosociale problemen
Laagdrempelig contact bij vragen of zorgen over ontwikkeling, opvoeding, en welzijn.
Verloskundige
Zorg, advies en begeleiding (aanstaande) zwangeren.
Signaleren en evt doorverwijzing naar POP-poli bij aanwezigheid psychopathologie moeder
Uitvoeren medische controles.
Overleg met andere medische hulpverleners
Leerkrachten
Ontwikkelingsproblemen signaleren en bespreken met ouders
Gesprekspartner ouders
Inzicht bieden bij zorg- en adviesteam (ZAT)
Leerplichtambtenaar
Leerlingen stimuleren om (weer) naar school te gaan
Beoordeling van vrijstellingen
Handhaven van schoolverzuim
Intern begeleider (IB)
Schakel tussen interne en externe ondersteuning op school (o.a. met betrekking tot gedrags- en leerproblemen)
Ondersteuning leerkracht en leerling
Onderhouden contacten met zorginstanties/ netwerkpartners
Zorg- en adviesteam (ZAT)
Taxeren problemen bij kind en/of het gezin
Beoordelen en adviseren schoolpraktijk
Doorschakelen naar lokaal aanbod
Pedagogisch medewerker kindercentra
Ontwikkelingsproblemen signaleren en bespreken met ouders
Uitvoeren kinderobservaties **
Aanbieden van opvoedingsondersteuning ouders **
Jeugdhulp
Begeleiden en behandelend licht tot matig-ernstige problematiek bij kinderen en hun gezinnen
Residentiële jeugdhulp
Begeleiden en behandelend licht tot matig-ernstige en ernstige problematiek bij kinderen en hun gezinnen
Jeugdbescherming
Onderzoek en advies bij meldingen
Advies, begeleiding en behandeling
Jeugdreclassering
Onderzoek, toezicht, begeleiding en behandeling bij jongeren die een strafbaar feit hebben gepleegd
Pleegzorg
Begeleiding van kinderen (en hun gezin) die tijdelijk of blijvend niet meer thuis kunnen wonen
Veilig Thuis
Advies en ondersteuning en het melden van huiselijk geweld en kindermishandeling (fysiek, psychisch of seksueel geweld en verwaarlozing)
Zorgcoördinator
Coördineren van zorg wanneer meerdere hulpverleners/instanties bemoeienis hebben met de jeugdige of het gezin
Begeleiden van ouders en jeugdige
Bewaken van veilige ontwikkeling van het kind (wanneer bemoeienis van een instantie bijvoorbeeld is afgerond)
Generalistische-basis-jeugd-GGZ (GB GGZ Jeugd)
Diagnostiek en behandeling van licht tot matig-ernstige problematiek bij kinderen en hun gezinnen
Gespecialiseerde jeugd-GGZ (S GGZ jeugd)
(Complexe) diagnostiek en behandeling van matig-ernstig tot ernstige problematiek bij kinderen en hun gezinnen.
Ambulant, deeltijd en klinisch.
Centrum Seksuele Gezondheid (CSG) van de GGD
Gratis toegankelijke hulp voor jongeren onder de 25 jaar mbt:
ervaringen met seksueel grensoverschrijdend gedrag;
sexting, online gedrag en wensen en grenzen;
passende anticonceptie, bijwerkingen en hoe je het gebruikt;
onbedoelde zwangerschap;
seksuele problemen zoals pijn bij het vrijen, moeite met klaarkomen, of een negatieve beleving van seksualiteit;
vragen of problemen rondom verliefdheid, seksuele contacten;
vragen over acceptatie van seksuele diversiteit of genderidentiteit.
* niet bij elke JGZ organisatie aanwezig
** gespecialiseerd pedagogisch medewerker
5.6 Betrekken van (voor)schoolse voorzieningen
Scholen hebben de wettelijke plicht om passend onderwijs te bieden. Dit houdt in dat ieder kind recht heeft op een zo passend mogelijke plek binnen het onderwijs, ongeacht eventuele extra ondersteuningsbehoeften van de leerling. Daarnaast hebben scholen een zorgplicht: zij zijn verantwoordelijk voor het bieden van een geschikte onderwijsplek, hetzij op de eigen school, hetzij op een andere school. Het is scholen niet toegestaan om een leerling te weigeren of te verwijderen vanwege diens ondersteuningsbehoefte, tenzij er eerst een passende alternatieve onderwijsplek is geregeld.
Voor de JGZ is het belangrijk dat de ondersteuning die JGZ-professionals bieden goed aansluit bij het onderwijs en de ondersteuning die aangeboden wordt op school. De JGZ kan intensief met scholen samenwerken in de uitvoering van haar taken, zoals het adviseren over collectieve gezondheidszorg.
Een sterke samenwerking tussen onderwijs, JGZ, zorgaanbieders en hulpverleners vormt de basis voor het bieden van passende ondersteuning aan jeugdigen. Wanneer deze samenwerking goed is ingericht, is de school niet alleen een vindplaats van problemen, maar ook de plek waar daadwerkelijk hulp wordt geboden. Politie en justitie kunnen ook betrokken worden indien noodzakelijk. Het verstrekken van informatie in het kader van samenwerking moet voldoen aan de geldende wettelijke bepalingen.
5.7 Informatie delen
Het is van belang dat er vanuit de netwerkpartner een terugkoppeling naar de JGZ plaatsvindt. Zo nodig vraagt de JGZ actief om een terugkoppeling vanuit de (netwerk)partner.
Een JGZ-professional mag bij het verwijzen naar een netwerkpartner alleen informatie delen die:
Noodzakelijk en relevant is: de gedeelde informatie moet direct van belang zijn voor de hulpvraag en ondersteuning door de netwerkpartner.
Met toestemming gedeeld wordt: ouders en jongeren vanaf 12 jaar, moeten expliciet toestemming geven voor het delen van hun gegevens. Deze toestemming moet vrijwillig, geïnformeerd en specifiek zijn. Het is belangrijk dat zij begrijpen welke informatie wordt gedeeld, met wie, en voor welk doel.
Binnen wettelijke kaders valt: de informatie-uitwisseling moet voldoen aan de privacywetgeving, zoals de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Ook moet rekening worden gehouden met de criteria uit de Juridische Toolkit JGZ.
Goed gedocumenteerd is: de verleende toestemming en de gedeelde informatie moeten goed worden vastgelegd in het dossier. Dit is belangrijk om transparantie te waarborgen en misverstanden te voorkomen.
Let op: In uitzonderlijke situaties, zoals acute bedreiging van de veiligheid van een kind, kan het delen van informatie zonder toestemming gerechtvaardigd zijn. Dit moet wel zorgvuldig worden afgewogen en onderbouwd.
6 Begeleiden
Deze module omschrijft samenwerken en verwijzen bij psychosociale problemen. Om te kunnen komen tot goede samenwerking is het van belang dat JGZ-professionals op de hoogte zijn van de taken en rollen van relevante professionals en netwerkorganisaties betrokken bij het signaleren en begeleiden van psychosociale problemen. Informatie is verkregen van zowel gepubliceerde (grijze) literatuur als (expertise)werkgroepen en praktijkonderzoek.
Aanbevelingen
6.1 Uitgangsvragen
Hoe kunnen JGZ-professionals jeugdigen met psychosociale problemen en hun ouders/opvoeders begeleiden?
6.2 Algemeen handelen bij psychosociale problemen
JGZ-professionals stimuleren ouders en jeugdigen om zelf actief bij te dragen aan het vinden van oplossingen voor hun zorgen/problemen en betrekken hen actief bij preventie en hulp. Dat wil zeggen: als ouders hun vragen of zorgen over de psychosociale ontwikkeling van hun kind voorleggen, luister dan heel goed, vraag na wat de ouder zelf ervan denkt en wat hij/zij al gedaan heeft en nodig de ouder uit om andere oplossingen te bedenken. Benadruk daarbij de deskundigheid van de ouders; en koppel terug wat je als professional opvalt of waarneemt. Daarbij past een wijze van bejegening, zoals die in de NCJ Handreiking ‘Aansluiting bij de ouders van vandaag’ is aangereikt.
Neem tijdens het contact voldoende tijd om het verhaal van de ouder(s) en/of de jeugdige goed in beeld te krijgen. Een open en respectvolle communicatie tussen professional, ouders en kinderen draagt eraan bij dat zij zich gehoord, gezien en begrepen voelen. Zie ook praktijkmodule Gespreksvoering in de JGZ.
Betrekken van (voor)schoolse voorzieningen
Er zijn diverse programma’s voor scholen die een gezonde leefstijl van de leerlingen stimuleren èn aandacht besteden aan het signaleren van leefstijl- of gezondheidsproblemen, waaronder psychosociale problemen. Gezonde School is daar een bekend voorbeeld van. De Gezonde School aanpak (een samenwerking van het RIVM, GGD GHOR, en de PO-, VO- en MBO-raad) is een werkwijze voor scholen om structureel te werken aan gezondheid. Dat gebeurt onder andere met concrete lesprogramma’s en/of projecten die ingezet worden op school.
De digitale vragenlijst ‘Jij en Je Gezondheid (JEJG)’ kan onderdeel zijn van de Gezonde School aanpak en wordt via de JGZ op school afgenomen. In het basisonderwijs vullen de ouders de vragenlijst in, in het voortgezet onderwijs vullen leerlingen zelf de lijst in, waarna een gesprek met een JGZ-professional kan volgen.
Ook ‘Gezond leven? Check het even!’ (GLCE) is een gezondheidsinterventie voor jongeren op het regulier voortgezet onderwijs (klas 1 tot en met 4) die vanuit de JGZ wordt aangeboden. Jongeren worden gestimuleerd te reflecteren op hun gezondheid en de keuzes die zij daarin maken. Zij krijgen toegang tot betrouwbare informatie en online hulp over verschillende thema’s. GLCE richt zich op de individuele leerling die een vragenlijst invult, gepersonaliseerde gezondheidsinformatie ontvangt en eventueel een gesprek voert met een JGZ-professional. De interventie is ook bedoeld voor de hele school; scholen krijgen collectieve gezondheidsinformatie waarmee zij hun schoolgezondheidsbeleid kunnen versterken.
6.3 Adviezen om de psychosociale ontwikkeling te stimuleren
De JGZ-professional informeert ouders/opvoeders over de normale psychosociale ontwikkeling en veelvoorkomende klachten van jeugdigen zoals druk gedrag, angst of somberheid Ook geeft de JGZ-professional uitleg over hoe deze klachten op een gezonde manier kunnen worden benaderd. Zo helpt de JGZ om alledaagse problemen rondom de psychosociale ontwikkeling te normaliseren.
Elke ouder/opvoeder die vragen heeft of zich zorgen maakt over de psychosociale ontwikkeling van zijn/haar kind, verdient zorgvuldige aandacht van de JGZ-professional. Neem tijdens het contact voldoende tijd om het verhaal van de opvoeder en/of jongere goed te begrijpen. Goede communicatie tussen de professional en ouder(s)/opvoeders en jeugdigen is belangrijk. Door positieve aandacht en een respectvolle benadering voelen ouders/opvoeders en jeugdigen zich gehoord en begrepen. Zie ook de praktijkmodule Gespreksvoering in de JGZ.
Op basis van de andere JGZ-richtlijnen (ASS, ADHD, Angst en Depressie) werden onderstaande adviezen opgesteld ter preventie van emotionele, gedrags- en sociale problemen bij kinderen en jeugdigen.
6.3.1 Adviezen bij emotionele problemen
Ouders/opvoeders
Ouders/opvoeders krijgen voorlichting over de ontwikkeling van de jeugdige en over ‘normale’ angsten tijdens in de kindertijd of tienerjaren. Daarnaast kan de jeugdarts/verpleegkundige ouders adviseren over strategieën om het angstige of sombere gedrag van de jeugdige om te buigen.
Leg de ouder uit dat angst een normale emotie is die bij de ontwikkeling hoort, vooral bij jonge kinderen. Bepaalde angsten zijn typerend voor bepaalde leeftijden (bijv. scheidingsangst rond de leeftijd van 1en 2 jaar) angst voor monsters bij kleuters en verlegenheid/ sociale angst op de basisschoolleeftijd.
Stimuleer als ouder/opvoeder zelfstandigheid bij de jeugdige. Help het kind kleine stapjes te zetten buiten de comfortzone, en beloon dat met complimenten.
Leg ouders/opvoeders uit dat het helpend is voor kinderen en jongeren wanneer…
de ouder de angst van de jeugdige erkent en benoemt; bijv. door te zeggen: “Ik zie dat je het spannend vindt.” Erkenning en begrip kan de jeugdige helpen.
de ouder de jeugdige niet forceert of dwingt iets te doen wat hij/zij iets niet wilt of durft. Duw de jeugdige niet direct in de angstige situatie, maar bouw dit stapsgewijs op (exposure).
de ouder zelf rustig blijft in een spannende situatie: kinderen en jongeren nemen emoties over van ouders/opvoeders. Een kalme houding van jou als opvoeder is helpend.
de ouder het goede voorbeeld geeft door te laten zien hoe hij/zij zelf met spanning omgaat, en laat zien dat angst erbij mag horen.
Bij het voorkomen en verminderen van emotionele problemen bij jeugdigen maken veel interventies gebruik van cognitieve gedragstherapie (CGT) waarin de jongere leert om negatieve of ongezonde denkpatronen te herkennen en te veranderen, zodat ze beter met hun emoties kunnen omgaan.
Ze ontwikkelen vaardigheden om situaties vanuit een ander perspectief te bekijken en daar op een meer helpende manier op te reageren. daarnaast worden vaak ook andere belangrijke vaardigheden aangeleerd, zoals:
Probleemoplossende vaardigheden, bijvoorbeeld omgaan met conflicten of moeilijke situaties.
Sociale vaardigheden, zoals het voeren van een gesprek, onderhandelen of samenwerken in een groep.
Deze combinatie van cognitieve en gedragsmatige technieken helpt jongeren om beter met hun emoties en sociale uitdagingen om te gaan.
6.3.2 Adviezen bij gedragsproblemen
Normaliseer gedrag: Uitleggen welk gedrag past bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind (bijv. peuterdriftbuien zijn normaal, maar zouden moeten afnemen naarmate het kind ouder wordt).
Gedrag is communicatie: help ouders/opvoeders het gedrag te zien als uiting van onderliggende emoties of behoeften (vermoeidheid, frustratie, aandacht of angst).
Stimuleer ouders/opvoeders om …
Hun aandacht vooral te richten op situaties waarin hun kind het gewenste gedrag laat zien, en beloon dat gedrag. Aandacht is effectieve bekrachtiging van gedrag.
Duidelijke grenzen te stellen: bij voorkeur zijn ouders voorspelbaar, consequent en kalm in de omgang met ongewenst gedrag.
Positieve instructies te gebruiken naar hun kind toe: Zeg wat je wél wilt (“Loop alsjeblieft naast me” in plaats van “Niet rennen!”).
Langdurige strijd of discussies te vermijden. Korte, duidelijke correcties zijn effectiever dan veel uitleg of discussie op het moment zelf.
Ouders kunnen samen met hun kind werken aan verminderen van gedragsproblemen door:
Op een rustig moment met de jeugdige in gesprek te gaan over het ongewenste gedrag. De ouder kan het kind helpen door woorden te geven aan gevoelens: “Was je boos omdat het niet lukte?”.
Door het kind/jongere alternatieven aan te bieden. Bijvoorbeeld: boos zijn mag, maar slaan mag niet. Als ouder kun je laten zien hoe je boosheid op een andere manier kunt uiten.
Door de jeugdige keuzemogelijkheden te geven heeft hij/zij meer regie en ervaart mogelijk minder weerstand.
Bij het voorkomen en verminderen van gedragsproblemen maken de meeste interventies gebruik van (cognitieve) gedragstherapie, waarbij positieve feedback gegeven wordt op het gewenste, positieve gedrag van jeugdigen. Ongewenst gedrag wordt zoveel mogelijk genegeerd. Hierdoor neemt het positieve gedrag van jeugdigen vaak toe en het ongewenste gedrag af. Gedragstherapie kan zowel individueel als in groepen worden aangeboden.
Programma’s voor ouders bij gedragsproblemen
Zeker bij jongere kinderen worden gedragsproblemen in de regel aangepakt via de ouders. Ouders krijgen vaardigheden aangeleerd om positief gedrag bij hun kind te stimuleren en negatief gedrag te negeren. Verderop in deze richtlijn komen deze programma’s aan bod. Enkele kenmerken van effectieve ouderprogramma’s zijn [245]:
Ouders leren om het gedrag dat veranderd moet worden te identificeren en te monitoren;
Gewenst gedrag wordt bekrachtigd en negatief gedrag genegeerd of er worden negatieve consequenties aan verbonden. Concrete voorbeelden van vaardigheden om gewenst, positief gedrag te stimuleren zijn: tijd en aandacht geven, praten met de jeugdige en complimenten geven. Concrete voorbeelden van vaardigheden om ongewenst gedrag te hanteren zijn: basisregels afspreken, heldere instructies geven en consequent reageren als regels worden overschreden zoals het toepassen van een ’time-out’ [2].
Ouder worden ondersteund bij het bedenken van manieren om opvoedproblemen op te lossen; dit vergroot hun zelfvertrouwen.
Het sociale netwerk van ouders wordt versterkt
Zorgen over schermgebruik door de jeugdige
Ouders die zich zorgen maken over het schermgebruik van hun kind, kunnen gewezen worden op de nieuwe richtlijn gezond schermgebruik 2025 voor ouders en andere opvoeders. De term ‘schermgebruik’ wordt dan breed opgevat als: “Het gebruik van (digitale) schermen, zoals smartphones, tablets, computers, televisies of spelconsoles in het dagelijkse leven.” De richtlijn Gezond schermgebruik is bedoeld voor alle opvoeders van kinderen (0-16 jaar) en wil opvoeders te ondersteunen bij het stimuleren van gezond schermgebruik van hun kinderen. De richtlijn is gebaseerd op vragen van opvoeders over hoe kinderen veilig kunnen omgaan met digitale media. De richtlijn is tot stand gekomen op basis van wetenschappelijke kennis.
Hieronder sommen we beknopt de adviezen op voor ouders en opvoeders, gerangschikt naar vier thema’s uit deze richtlijn [208]:
1. Verbinden & Vertrouwen
Toon interesse: vraag zonder oordeel naar de online activiteiten van je kind.
Wees betrokken: doe samen activiteiten, zowel met als zonder scherm.
Geef ruimte: laat zien dat je vertrouwen hebt in je kind, maar blijf beschikbaar als steun.
2. Mediawijs & Weerbaar
Bespreek gedrag: online gedrag moet net zo respectvol zijn als offline gedrag.
Stel samen de privacy van het profiel van je kind in: zorg dat profielen goed afgeschermd zijn.
Toestemming vragen: laat je kind toestemming vragen bij apps en ‘inapp’ aankopen.
Stimuleer kritisch denken: help je kind onderscheid maken tussen echt en nep.
Bespreek grensoverschrijdend gedrag: geef handvatten wat te doen bij online problemen.
3. Balans & Structuur
Zorg voor afwisseling: combineer schermtijd met beweging en spel. Gebruik de 20-20-2-regel.
Maak afspraken over:
Waar & wanneer: geen schermen bij eten of in de slaapkamer.
Hoe lang: leeftijdsafhankelijke schermtijd
0-2 jaar: geen scherm
2-4 jaar: max. 30 min/dag
4-8 jaar: max. 1 uur/dag
8-10 jaar: max. 1,5 uur/dag
10-12 jaar: max. 2 uur/dag
12+: max. 3 uur/dag
Wat: rustige, leeftijdsgepaste media; geen sociale media <13 jaar.
Volg leeftijdsadviezen: gebruik de Kijkwijzer en Gamewijzer.
Gebruik filters: beperk toegang tot ongeschikte content via ouderlijk toezicht.
4. Eigen gedrag & mediagebruik
Geef het goede voorbeeld: houd je zelf ook aan schermregels.
Wees echt aanwezig: leg je telefoon weg, zet meldingen uit en geef volle aandacht aan je kind.
6.3.3 Adviezen bij sociale problemen
Sociale problemen — zoals moeite met vriendschappen, pesten, verlegenheid of onzekerheid in sociale situaties — zijn in het voorgaande al aan bod gekomen. Hieronder nog enkele algemene adviezen voor ouders die zich zorgen maken over eventuele sociale problemen bij hun kind.
Adviezen voor ouders
Wees als ouder betrokken bij je kind en luister actief naar het kind/jongere; zonder heel sturend te zijn. Dat wil zeggen; laat hem/haar het verhaal helemaal doen, zonder onderbreking, vat het dan samen en vraag door om het beter te begrijpen.
Laat merken dat je de zorgen van je kind serieus neemt, zonder meteen te oordelen of oplossingen aan te dragen.
Moedig je kind aan om deel te nemen aan clubs, sport of andere groepsactiviteiten.
Ouders die zich té beschermend opstellen naar hun kind, belemmeren de ontwikkeling van een gezonde zelfstandigheid en veerkracht van hun kind.
Geef het kind de ruimte om zelf keuzes te maken, problemen op te lossen (passend bij de leeftijd) en fouten te maken.
Geef het kind het vertrouwen: “Ik weet dat je dit kunt.” Ook als het niet meteen goed gaat.
Laat zien dat falen of teleurstelling niet erg is, maar juist helpt om te groeien.
Probeer niet elk probleem van je kind meteen op te lossen of voor te zijn.
Let op veranderingen in gedrag zoals terugtrekking, boosheid, verdriet of schoolverzuim. Dit kunnen signalen zijn van problemen of zorgen waar het kind mee zit. Praat hierover op een open manier met je kind.
Oefen sociale vaardigheden thuis, zoals luisteren, vragen stellen of conflicten oplossen.
Ga in gesprek met de leerkracht of mentor van je kind over wat zij op school signaleren.
Adviezen aan jongeren:
Praat erover met iemand die je vertrouwt: dit kan een ouder, mentor, vriend(in) of JGZ-professional zijn.
Werk aan zelfvertrouwen: schrijf bijvoorbeeld iedere dag iets op wat goed ging.
Bedenk: je bent niet de enige. Veel jongeren vinden sociale situaties lastig — ook al lijkt dat soms niet zo. Het is oké om sociale situaties moeilijk te vinden, je hoeft niet altijd “sociaal perfect” te zijn.
Oefen sociale vaardigheden. Bijvoorbeeld: luisteren, een gesprek beginnen, complimenten geven, of omgaan met kritiek. Begin met kleine dingen zoals oogcontact maken, hallo zeggen of een simpele vraag stellen. Iedere stap helpt je groeien, hoe klein ook.
Zoek mensen die bij je passen. Zoek contact via hobby’s, sport, online communities of schoolprojecten. Je hoeft niet met iedereen bevriend te zijn — het gaat erom dat je mensen vindt bij wie je jezelf kunt zijn.
Leer omgaan met afwijzing. Afwijzing zegt niets over jouw waarde als persoon.
Stel haalbare doelen en wees mild voor jezelf als iets moeilijk gaat.
Zorg goed voor jezelf: Goed slapen, gezond eten, bewegen en ontspanning helpen ook om je mentaal sterker te voelen.
In de NJi Databank Effectieve Jeugdinterventies worden interventies beschreven die in Nederland beschikbaar zijn en tenminste theoretisch goed onderbouwd. Een onafhankelijke commissie beoordeelt op basis van nationaal en internationaal onderzoek de effectiviteit van deze interventies. De resultaten van deze beoordeling worden gepubliceerd op de website van het Nederlands Jeugdinstituut.
Voor deze richtlijn is gebruikgemaakt van de NJi-databank om beschikbare interventies te vinden voor de preventie of behandeling van psychosociale problemen bij kinderen en jongeren. Daarbij zijn interventies geselecteerd die volgens de databank gericht zijn op ‘psychosociale problemen’, ‘angst problemen’, ‘psychische problemen’, ‘gedragsproblemen’, ‘emotionele problemen’, sociale problemen’ en ‘weerbaarheid’. En als aanvullend criterium dat de interventie inzetbaar is door JGZ-professionals, wijkteams, Centra voor Jeugd en Gezin (CJG), of professionals die op school werkzaam zijn.
In de bijlagen zijn overzichten te vinden van de beschikbare interventies, gebaseerd op de dataank van het NJI. Zie:
6.4.1 Interventies voor ouders/opvoeders en kinderen tussen 0 – 4 jaar
Er zijn vijf (preventieve) interventies die erop gericht zijn de opvoedvaardigheden van de ouder en het contact met hun jonge kind te verbeteren: Video-feedback Intervention to Promote Positive Parenting and Sensitive Discipline (VIPP-SD), Kortdurende Video Hometraining (K-VHT) in gezinnen met jonge kinderen, Triple P niveau 3, Triple P niveau 4 en 5, en de Gordon training. Deze interventies worden ook beschreven in de JGZ-Richtlijn Opvoedondersteuning.
Drie interventies voor deze leeftijdsgroep staan in de databank vermeld als ‘effectief’: de VIPP-SD, Triple P niveau 3 en Triple P niveau 4 en 5. De VIPP-SD is een individueel huisbezoekprogramma waar video-interactie begeleiding wordt ingezet om ouders te ondersteunen in het vergroten van sensitiviteit en het verbeteren van opvoedvaardigheden De VIPP SD heeft aantoonbaar effect op zowel het gedrag van de ouder (het gebruik van sensitieve disciplineringstrategieën) als op het gedrag van het kind[246].
Triple P niveau 3 is een opvoedtraining waarin lichte, veelvoorkomende opvoedvragen van ouders behandeld worden. De training maakt dat ouders zich meer competent gaan voelen als ouder en hun kinderen rapporteren een toename in welbevinden [242][243].
Triple P niveau 4 en 5 biedt meer intensieve opvoedondersteuning aan ouders wanneer het kind meer of ernstiger gedrags- en emotionele problemen laat zien.De programmaonderdelen zijn flexibel en afgestemd op de ontwikkelingsfase van het kind. Naast opvoedvaardigheden wordt hier ook gewerkt aan het verminderen van belemmerende factoren binnen het gezin, zoals relatieproblemen of ouderlijke stress. Er zijn eerste aanwijzingen gevonden voor effectiviteit: probleemgedrag van de jeugdige, dysfunctioneel opvoedgedrag en psychische klachten bij ouders nemen af [242];[243].
6.4.2 Interventies voor ouders/opvoeders en kinderen tussen 5 – 12 jaar
Voor kinderen in de basisschoolleeftijd zijn er diverse interventies beschikbaar die zich richten op het bevorderen van hun sociaal-emotionele ontwikkeling, het verminderen van gedragsproblemen, en het versterken van opvoedvaardigheden bij ouders.
Een goed onderzochte interventie is de VIPP-SD (Video-feedback Intervention to Promote Positive Parenting and Sensitive Discipline), gericht op ouders van jonge kinderen tot 6 jaar. Deze methode, waarbij ouders thuis begeleid worden met behulp van video-opnames, stimuleert sensitief opvoedgedrag en effectieve disciplinering en blijkt effectief in het verminderen van gedragsproblemen[246].
Een vergelijkbare (maar minder onderzochte) aanpak is Kortdurende Video-hometraining (K-VHT) voor gezinnen met kinderen van 4 tot 12 jaar. Via korte video-opnames van alledaagse interacties leren ouders/opvoeders hun kinderen beter begrijpen en reageren ze sensitiever, wat leidt tot een positievere opvoedrelatie.
Voor ouders van kinderen van 4 tot en met 8 jaar die opgroeien met veel spanning en stress als gevolg van ziekte, psychosociale, psychische of verslavingsproblemen in het gezin bestaat de interventie Piep zei de muis.Het programma bevat ouderbijeenkomsten en gezinsbegeleiding. Ouders leren hun kind beter leren begrijpen en ondersteunen. De interventie beoogt het risico op psychische problemen bij deze kinderen te verkleinen.
Kindgerichte interventies die de sociale en emotionele vaardigheden van kinderen in deze leeftijdsgroep versterken zijn Minder Boos en Opstandig en Alles Kidzzz.
Minder Boos en Opstandig is gericht op kinderen van 8 tot 11 jaar met gedragsproblemen en werkt zowel met het kind als de ouders aan emotieregulatie en opvoedvaardigheden.
Eveneens effectief isAlles Kidzzz, een individuele gedragsinterventie op school voor kinderen van 9 tot 12 jaar met externaliserend gedrag, zoals agressie. De training omvat sessies met het kind, ouders en leerkracht.
Voor kinderen met angstklachten zijn er de programma’s VRIENDEN en Denken + Doen = Durven (DDD). Deze trainingen zijn gebaseerd op cognitieve gedragstherapie, een methode waarbij kinderen leren hoe hun gedachten, gevoelens en gedrag elkaar beïnvloeden en hoe ze hier op een helpende manier mee om kunnen gaan. VRIENDEN is bedoeld voor kinderen van 4 tot 16 jaar en DDD voor de leeftijd van 8 tot 18 jaar. Beide programma’s leren kinderen omgaan met angstige gedachten, lichamelijke reacties en gedrag, en hebben bewezen effect op het verminderen van angstklachten.
Opvoedinterventies voor ouders/ovoeders zijn onder andere Triple P (Positive Parenting Program) niveau 3 biedt korte ondersteuning bij lichte opvoedvragen, terwijl niveau 4 en 5 zich richten op gezinnen met ernstiger gedragsproblemen en bijkomende gezinsfactoren. Beide blijken effectief in het verbeteren van opvoedgedrag en het verminderen van probleemgedrag.
Incredible Years is een groepstraining voor ouders van kinderen met (risico op) gedragsproblemen, gericht op het versterken van positief opvoedgedrag. Ouders leren via rollenspellen en oefeningen hoe ze positief gedrag kunnen stimuleren en negatief gedrag kunnen begrenzen. De interventie heeft effect op zowel de ouder als het kind: tegendraads en agressief gedrag nemen af.
Verder is voor deze leeftijdsgroep de oudercursus Praten met kinderen beschikbaar. De oudercursus verbetert de communicatie tussen ouders en kinderen met licht probleemgedrag, hoewel er geen bewijs is voor gedragsverandering bij het kind zelf.
Het lesprogramma PAD (Programma Alternatieve Denkstrategieën) is ene lesprograma voor de basisschool. Kinderen leren vaardigheden op vier verschillende gebieden: Zelfbeeld (Wie ben ik en hoe waardeer ik mijzelf?), Zelfcontrole (Hoe ga ik om met heftige emoties?), Emoties (Hoe voel ik mij en hoe voelt de ander zich?) en Probleem oplossen (Hoe kunnen we op een constructieve wijze een probleem oplossen?). PAD bestaat uit 161 klassikale lessen die verdeeld over acht leerjaren worden aangeboden. Hoofddoel van PAD is het versteken van sociaal-emotionele vaardigheden om zo gedragsproblemen te voorkomen.
6.4.3 Interventies vanaf 12 jaar en ouder
Voor jongeren vanaf 12 jaar en ouder zijn er diverse interventies beschikbaar die zich richten op het bevorderen van hun mentale gezondheid en het ondersteunen van hun opvoeders.
Het programma’s VRIENDEN is bedoeld voor kinderen en jongeren van 4 tot en met 16 jaar en zich richt op het voorkomen en behandelen van angstige en depressieve gevoelens. Door middel van tien groeps- of individuele bijeenkomsten leren deelnemers vaardigheden om met angst en depressie om te gaan, met aandacht voor lichamelijke reacties, gedachten en gedrag. Het programma is effectief bevonden in Nederlands onderzoek.
Een vergelijkbare interventie is Denken + Doen = Durven (DDD), voor kinderen van 8 tot 18 jaar. Deze cognitieve gedragstherapie besteedt aandacht aan psycho-educatie, cognitieve herstructurering, exposure en terugvalpreventie. In de preventieve vorm wordt het groepsgewijs aangeboden, en in de curatieve context kan het ook individueel worden ingezet. Onderzoek toont aan dat de angstklachten bij kinderen significant afnemen na deelname.
Voor ouders zijn er verschillende opvoedondersteunende programma’s. Triple P niveau 3 is voor ouders van kinderen van 0 tot 18 jaar met lichte opvoedvragen. Deze korte training helpt ouders om meer vertrouwen in hun opvoedvaardigheden te krijgen en gedragsproblemen bij hun kinderen te verminderen. Triple P niveau 4 en 5 zijn intensievere vormen van dezelfde interventie, bedoeld voor ouders van kinderen tot 16 jaar met ernstigere gedragsproblemen. Naast opvoedvaardigheden wordt hier ook gewerkt aan het verminderen van belemmerende factoren binnen het gezin, zoals relatieproblemen of ouderlijke stress. Beide niveaus zijn effectief gebleken in het verminderen van probleemgedrag bij kinderen en het verbeteren van het functioneren binnen het gezin.
Praten met Kinderenis een interventie voor ouders gericht op het verbeteren van de communicatie tussen ouders en hun kinderen van 10 tot 15 jaar. In deze oudercursus leren ouders conflicten bespreekbaar te maken en op te lossen, wat bijdraagt aan een betere relatie met hun kind. Hoewel het programma positieve effecten heeft op de communicatie, is niet vastgesteld dat het daadwerkelijk gedragsproblemen voorkomt.
Naast gezinsgerichte interventies zijn er ook schoolprogramma’s. Het programma Levensvaardighedenis bedoeld voor jongeren van 13 tot 17 jaar. Het lesprogramma leert hen vaardigheden om met gedachten, gevoelens en conflicten om te gaan. Thema’s als pesten, seksualiteit en weerbaarheid komen aan bod. Internationaal onderzoek toont aan dat dit programma gedrag en schoolprestaties verbetert, al zijn de Nederlandse studies nog kleinschalig.
7 Totstandkoming richtlijn
Deze richtlijntekst is gebaseerd op de JGZ-richtlijn ‘Psychosociale problemen’, die gepubliceerd is in 2016. Deze vorige richtlijn is herzien door de subgroep ‘Psychosociale problemen’ en het TNO-projectteam. De subgroep bestond uit zowel JGZ-professionals met praktijkervaring als kennisdeskundigen op het gebied van psychosociale problemen bij kinderen en jongeren. Gedurende het gehele herzieningsproces zijn de leden van de subgroep betrokken geweest via plenaire bijeenkomsten en schriftelijke feedbackrondes, waarbij hun opmerkingen en suggesties zijn verzameld en verwerkt in de richtlijnmodules.
Naast de subgroep heeft de clusterkerngroep, die uitsluitend uit JGZ-professionals bestond, alle richtlijnen van het cluster ‘Psychosociaal en Gedrag’ plenair besproken, zodat de richtlijnen op elkaar aansluiten en er geen overbodige overlap is.
7.1 Werk- en klankbordgroep
Bij de samenstelling van de (sub)werkgroep is gelet op een goede balans tussen wetenschappers, inhoudelijke experts en uitvoerende JGZ professionals. De subwerkgroep bestond uit zes personen:
Naam
Functie
Organisatie
Anouk van den Berg
Jeugdarts
GGD Holland Midden
Wenda Berends
Jeugdarts
GGD Zeeland
Anne-Marie Dekker
Jeugdverpleegkundige
GGD Holland Midden.
Yvonne Stikkelbroek
Onderzoeker, universitair docent orthopedagogiek en klinisch psycholoog
GGZ Oost Brabant en Universiteit Utrecht .
Petra Pronk
Oudervertegenwoordiger;
Balans
Marie-José Theunissen – Lamers
Jeugdarts, Voorzitter
GGD Zuid-Oost Brabant
Vanuit TNO zijn daar de volgende mensen bij aangesloten:
Renate van Zoonen, projectleider bij TNO
Emma Dickinson, jeugdarts, richtlijnontwikkelaar
Meinou Theunissen, inhoudsdeskundige en richtlijnontwikkelaar
Marianne de Wolff, inhoudsdeskundige en richtlijnontwikkelaar
Naast de (sub)werkgroep die zich focuste op de richtlijn Psychosociale Problemen, was er een bredere clusterkerngroep Deze clusterkerngroep bestond uit JGZ- professionals die betrokken waren bij het herzien van de verschillende richtlijnen binnen het cluster ‘Psychosociaal en gedrag’.
Naam
Functie
Organisatie
Anita Vroegop
Jeugdarts
AJN
Anne-Marie Dekker
Jeugdverpleegkundige
V&VN
Anouk van den Berg
Jeugdarts
AJN
Gonnie Epema (tot februari 2025)
Jeugdverpleegkundige
V&VN
Malu van Vredegem
Jeugdverpleegkundige
V&VN
Marieke Vonk
Jeugdarts
AJN
Wenda Berends
Jeugdarts
AJN
Monique van Eijkelenburg
Oudervertegenwoordiging
Balans
Klankbordgroep
De klankbordgroep binnen het cluster ‘Psychosociaal en gedrag’, samengesteld uit aanpalende beroepsgroepen, was verantwoordelijk voor het bewaken van de implementatie-aspecten voor alle richtlijnen binnen het cluster.
Naam
Functie
Betty Bakker
Expert opleiding jeugdverpleegkundige
Gea Vrieze
Expert opleiding – Jeugdarts KNMG
Janine Bezem
JGZ manager
Joli Luijckx
Balans (ouder/jeugdige vertegenwoordiging)
Margreet de Wolff
Implementatie functionaris
Minke Diepenbach
JGZ manager
Sanne Niemer
Pharos
7.2 Betrokkenheid ouders en jeugdigen
Bij de ontwikkeling van de richtlijn is rekening gehouden met het patiënten perspectief. De oudervertegenwoordiger bij het cluster ‘Psychosociaal & Gedrag’ was actief betrokken bij de vergaderingen en heeft schriftelijk feedback gegeven op alle richtlijnmodules.
Ouders/verzorgers
We hebben ouders benaderd om hun ervaringen met de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) rond eventuele psychosociale problemen van hun kind met ons te delen door middel van een online vragenlijst. In totaal vulden 50 ouders (3 vaders) de vragenlijst in. De helft van deze ouders werd geworven via een oproepje op sociale media -‘de algemene oudergroep’ – de andere helft via oudervereniging Balans. Ouders die via Balans geworven werden, hebben kinderen met ondersteuningsbehoeften bij leren en/of gedrag.
Het grootste deel van de ouders in deze peiling was hoogopgeleid (n=33, 66%), had een kind in de leeftijd van 11-18 jaar (n=33, 66%) en had ook wel eens vragen over (problematisch) gedrag of de emoties van hun zoon/dochter (n=33, 66%). Van de 33 ouders die vragen hadden over het gedrag of emoties van hun kind, gaf de meerderheid (n=21) aan dat zij deze zorgen hadden besproken met de jeugdarts of jeugdverpleegkundige van het consultatiebureau. Dit contact werd door de ouders gemiddeld beoordeeld met een rapportcijfer 5. Opvallend is het verschil tussen beide subgroepen: ouders uit de algemene groep gaven gemiddeld een 6, terwijl ouders uit de Balans groep een 4 gaven.
Ouders waarderen het wanneer zij zich gehoord voelen en merken dat de JGZ-professional tijd voor hen neemt, goed luistert en met de ouder meedenkt. In de algemene oudergroep werden praktische tips, het signaleren van zorgen in een vroeg stadium en betrokkenheid positief benoemd. Ook werd het als prettig ervaren wanneer een professional herkende wat ouders zelf al langere tijd zagen, en hen vervolgens goed op weg hielp. In de Balans groep waren ouders tevreden over het overleg rond medicatie of een verwijzing naar de kinderarts.
Beide groepen ouders zagen ruimte voor verbetering. In de algemene oudergroep vond men dat er te weinig werd doorgevraagd naar het totaalplaatje van problemen, dat adviezen weinig concreet of toepasbaar waren, en dat verwijzingen niet altijd passend waren. Ook gaven ouders aan dat er meer aandacht mocht zijn voor het individuele kind in plaats van het werken volgens ‘het gemiddelde’. Daarnaast werden het ontbreken van vervolgafspraken en de lange wachttijden als knelpunten ervaren.
In de Balans groep uitten ouders zorgen over een gebrek aan kennis over complexe problematiek zoals ASS, ADHD en hoogbegaafdheid. Ook werden afspraken niet altijd nagekomen en was er soms te weinig aansluiting bij de situatie van het kind of het gezin. Ouders gaven aan behoefte te hebben aan continuïteit in de zorg en meer passende begeleiding.
Samenvattend laat de peiling zien dat ouders vooral gebaat zijn bij deskundige, betrokken professionals die goed luisteren, doorvragen, en gericht meedenken over passende vervolgstappen. Er is behoefte aan meer continuïteit, maatwerk en gespecialiseerde kennis in de ondersteuning van kind en gezin.
Jeugdigen
In een focusgroep interview deelden jongeren hun ervaringen en behoeften rond psychosociale problemen. De jongeren gaven aan dat ze in eerste instantie terecht kunnen bij ouders en vrienden als ze niet lekker in hun vel zitten. Daarna wordt een mentor op school, of studieadviseur genoemd als belangrijke personen bij wie jongeren terecht kunnen als ze stress ervaren. Een docent op school vinden jongeren toegankelijker dan een officiële vertrouwenspersoon: die is soms moeilijk te vinden of zit op onhandige plekken zodat iedereen ziet je naar die persoon gaat (bijv. naast aula), waardoor de drempel hoger is. De huisarts wordt niet altijd als veilig ervaren en jongeren voelen zich niet altijd serieus genomen door de huisarts omdat hij/zij de jongere snel doorverwijst. Bij wie ze dan wel terecht kunnen als ze problemen ervaren, dat weten jongeren niet goed.
Wat zou volgens deze jongeren helpen bij stress of mentale problemen?
De jongeren benadrukken dat de prestatiedruk vanuit school én ouders omlaag zou moeten. Het zou helpen als ouders zich bewust worden van de druk die jongeren ervaren.
Jongeren willen meer 1-op-1 gesprekken voeren met hun docenten; en die gesprekken moeten vroegtijdig starten. Liefst is er dan ook de ruimte om later op zo’n gesprek terug te komen.
Jongeren hebben behoefte aan duidelijke informatie over waar je hulp kunt krijgen, zonder dat je meteen een “label” krijgt.
Wat betreft de huidige voorlichting op school over mentale gezondheid, jongeren ervaren die lessen doorgaans als oppervlakkig. Er is behoefte aan echte gesprekken in plaats van droge theorie. Iemand van buiten de school, zoals een jeugdarts of JGZ-professional, kan helpen het taboe (om met je problemen te bespreken) te doorbreken.
De jongeren willen zeker niet ‘in hokjes geplaatst’ worden. Er heerst een stigma rondom mentale klachten en diagnoses. Als je het label ‘autisme’ of ADHD krijgt, wordt je vergeleken met aderen die dat ook hebben. Terwijl dit soort problemen bij iedereen anders tot uiting komen. Met name jongens ervaren een enorme drempel om eventuele zorgen of problemen te delen met iemand anders, vanwege het heersende taboe. Voorlichting over mentale gezondheid kan helpen, vooral als jongeren er zelf voor openstaan. Voorlichting zet vaak toch iets in gang. Tot slot willen jongeren van een jeugdarts of verpleegkundige vooral praktische informatie: bij wie ze terechtkunnen, hoe ze stress kunnen herkennen, wat ze zelf kunnen doen, en hoe het zoeken van hulp precies werkt.
8 Verantwoording
Zoekstrategie
De uitgangsvragen waar een systematisch literatuursearch voor is uitgevoerd zijn samengevoegd in drie thema’s:
Risico- en beschermende factoren
Vroegsignalering
Advisering en effectieve interventies.
Per thema staat hieronder beschreven op welke wijze de literatuur is verzameld.
Thema 1: risico en beschermende factoren
Uitgaande van de uitgangsvragen is door de projectgroep met hulp van de informatiespecialist van TNO, een systematisch literatuuronderzoek uitgevoerd betreffende risico- en beschermende factoren voor de ontwikkeling van psychosociale problemen in relevante databases: PubMed en PsychInfo. De volgende zoektermen werden onder andere gebruikt: risk factors, predictor, protective factors, screening, identification, internalizing, externalzing, psychosocial health, – wellbeing. – problems, – dysfunction, affective symptoms, affective problems, behavioral problems, emotional problems.
De literatuursearch richtte zich op de periode 2008 tot 2015 en resulteerde in een lijst met 613 referenties: 377 artikelen binnen PsychInfo en 236 referenties van PubMed. Vervolgens hebben we de abstracts handmatig geselecteerd op relevantie, waarna 126 publicaties overbleven. Er zijn afzonderlijke searches gedaan naar prenatale risico- en beschermende factoren. Deze searches leverden aanvankelijk 257 publicaties op in PsychInfo en Pubmed. Na kritische lezing van deze abstracts bleven hiervan 54 artikelen over.
Studies die betrekking hebben op psychiatrische problematiek zoals ADHD of autisme, post-traumatische stress, drugs- of alcohol problematiek, suïcidaal gedrag, geweld, kindermishandeling, pesten, behandelingen en epilepsie werden buiten beschouwing gelaten. Daarnaast werd aan deze lijst m.b.v. de sneeuwbalmethode artikelen en aangedragen literatuur door werk- en klankbordgroepleden toegevoegd. De geselecteerde artikelen zijn beoordeeld op relevantie voor de uitgangsvraag en op hun methodologische kwaliteit volgens EBRO-methode. Na deze selectie bleven de artikelen over die als onderbouwing bij de verschillende conclusies in de richtlijn staan vermeld. De evidence is samengevat in ‘evidentietabellen’ (zie bijlage).
Thema 2: vroegsignalering – instrumenten
Uitgaande van de uitgangsvragen is door de projectgroep met hulp van de informatiespecialist van TNO, een systematisch literatuuronderzoek uitgevoerd betreffende gevalideerde vroegsignaleringsinstrumenten in Nederland voor de opsporing van psychosociale problemen bij kinderen in relevante databases: PubMed en PsychInfo. De literatuursearch richtte zich op de periode 2008 tot 2015, en de search was beperkt tot validatie onderzoek van signaleringsinstrumenten voor de opsporing van psychosociale problemen. Het onderzoek diende in Nederland uitgevoerd te zijn en de studie diende gebruik te hebben gemaakt van een community-based steekproef. De volgende zoektermen werden onder andere gebruikt: screening, identification, internalizing, externalIzing, psychosocial health, – wellbeing. – problems, – dysfunction, affective symptoms, affective problems, behavioral problems, emotional problems.
De literatuursearch resulteerde in een lijst met 134 referenties: 80 artikelen binnen PsychInfo en 54 referenties van PubMed. De abstracts zijn handmatig geselecteerd op relevantie, waarna 13 publicaties overbleven. Deze search is aangevuld met de zogenaamde ‘sneeuwbal methode’. Onder andere de resultaten van zes relevante proefschriften afkomstig uit Nederland zijn geanalyseerd [205][237]; [216]; [174]; [238];.[244]. Instrumenten die bruikbaar zijn in de prenatale periode, zijn overgenomen van de JGZ richtlijn kindermishandeling (nog in ontwikkeling). De geselecteerde artikelen zijn beoordeeld op hun methodologische kwaliteit volgens EBRO-methode en als onderbouwing bij de verschillende conclusies in de richtlijn vermeld. De evidence is samengevat in ‘evidentietabellen’ (zie bijlage).
Thema 3: Advisering en effectieve interventies
Bij de beantwoording van de vraag ‘Wat kunnen JGZ-professionals doen bij psychosociale problemen als interventies ontbreken?’ is gebruik gemaakt van recente overzichtsstudies, zoals de documenten in de Databank ‘Wat werkt’, en programmeringsstudies, naastliggende richtlijnen, handreikingen en studies over algemeen werkzame elementen, competenties van professionals en beleidsonderzoek. De uitgangsvraag ‘Wat zijn collectieve en individuele preventieve adviezen aan ouders en de omgeving van het kind om de psychosociale ontwikkeling van het kind te stimuleren?’ is beantwoord aan de hand van reviews in de zogenaamde ‘Wat werkt’- Databank (o.a. Wat werkt bij angst- en stemmingsproblemen, Wat werkt bij opvoedingsondersteuning, Wat werkt bij gedragsproblemen en Wat werkt bij pesten) van het Nederlands Jeugdinstituut. In deze documenten wordt een overzicht geboden van de laatste stand van zaken in wetenschappelijke literatuur rondom werkzame elementen. De overzichten zijn gebaseerd op systematische reviews en meta-analyses die zijn gevonden via searches in internationale wetenschappelijke databanken (o.a. PsycInfo, ERIC, Cochrane en Campbell Collaboration).
Voor beantwoording van de uitgangsvraag ‘Wat zijn (bewezen effectieve) interventies die de JGZ-professionals kunnen toepassen bij psychosociale problemen?’ is gebruik gemaakt van de beschrijvingen van in Nederland beschikbare interventies ter preventie van psychosociale problemen, die zijn opgenomen in de Databank Effectieve Jeugdinterventies, op sommige punten aangevuld met gegevens uit een recent review. De interventies zijn in tabelvorm weergeven inclusief de onderbouwing van de NJI databank.
Goed onderbouwd: Een interventie krijgt deze classificatie als deze op z’n minst goed beschreven is en als aannemelijk is gemaakt dat met die interventie het gestelde doel kan worden bereikt.
Effectief volgens eerste aanwijzingen: Een interventie is effectief volgens eerste aanwijzingen als uit onderzoek met zwakke of indicatieve bewijskracht, bijvoorbeeld veranderingsonderzoek, blijkt dat er voldoende effect optreedt bij uitvoering van de interventie, ook al staat nog niet vast dat dit effect (helemaal) door de interventie wordt veroorzaakt.
Effectief volgens goede aanwijzingen: Een interventie is effectief volgens goede aanwijzingen als uit onderzoek met beperkte bewijskracht blijkt dat bepaalde doelen er in de praktijk beter mee worden bereikt dan met andere interventies of met niets doen.
Effectief volgens sterke aanwijzingen: Een interventie is effectief volgens sterke aanwijzingen als uit voldoende onderzoek met sterke of zeer sterke bewijskracht blijkt dat bepaalde doelen er in de praktijk beter mee worden bereikt dan met andere interventies of met niets doen.
De vraag hoe de JGZ ouders, kinderen en jongeren maximaal kunnen ondersteunen, om gezond en veilig opvoeden en opgroeien mogelijk te maken staat centraal. De JGZ professional volgt de kinderen en kan zo de aanwezige risicofactoren wegen. Daarom wordt in het begin van de richtlijn (zie Taken JGZ) aandacht besteedt aan gezond opgroeien en opvoeden, en voorkomen van risico’s en problemen. Ofwel bevorderen van positieve ontwikkeling.
Thema 1: risico- en beschermende factoren
Een opsomming van risicofactoren, die je in de praktijk kan afvinken is niet wenselijk. Het is belangrijk om te weten of er een evenwicht is tussen risico- en beschermende factoren. Daarbij is het nodig dat het kind in zijn omgeving gezien wordt.
Thema 2: Vroegsignalering
Er dient voorzichtig te worden omgegaan met het interpreteren van scores/ instrumenten die niet met de ouders zijn nabesproken. Het is belangrijk dat de duiding van het instrumenten in combinatie met een klinische observatie en in gesprek met de ouders/jeugdige plaatsvindt.
Thema 3: Advisering en interventies
Eén van de uitgangsvragen is: ‘Wat kunnen JGZ-professionals doen bij psychosociale problemen als interventies ontbreken?’ Als een bepaalde expertise niet aanwezig is bij de JGZ, dan dient de JGZ professional zorg te dragen voor een adequate verwijzing.
Thema 4: samenwerking
Als ouders psychiatrische problemen hebben, dan is het belangrijk om een gesprek te houden over de opvoeding. En van daaruit eventuele moeilijkheden of spanningen bespreekbaar te maken. In de samenwerking met ouders, worden problemen eerst besproken met de ouders, voordat informatie wordt ingewonnen bij andere hulpverleners van de ouder.
In het kader van de herziening van de modules Preventie & Signaleren en Begeleiden is gestart met oriënterend literatuuronderzoek. Startpunt voor de search was de JGZ-richtlijn ‘Psychosociale problemen’ uit 2016. In eerste instantie werd gezocht naar systematische reviews en (inter)nationale evidence-based richtlijnen. Daarnaast werd in een aparte search gezocht naar artikelen over het perspectief van ouders en jeugdigen m.b.t. dit onderwerp. Aan de hand van de resultaten van dit literatuuronderzoek oriënteerden de richtlijnontwikkelaars zich op het richtlijnonderwerp.
Specifiek literatuuronderzoek
Vervolgens werd een specifieke systematische zoekactie uitgevoerd aan de hand van door de clusterwerkgroep vastgestelde uitgangsvragen (zie Uitgangsvragen in module 2 en module 4) met als doel het vinden van wetenschappelijk literatuur om deze vragen te beantwoorden. Op basis van de uitgangsvragen werden twee PICO’s gemaakt (zie Zoekstrategie). Zoekstrategieën die eerder door anderen zijn gebruikt in systematische reviews diende als voorbeeld.
Hiërarchische aanpak
Stap A: Met het oog op efficiëntie werd hiërarchisch gezocht. Dat wil zeggen: allereerst uitgaande van bestaande geaggregeerde literatuur (bijvoorbeeld andere evidence-based richtlijnen, systematische reviews en meta-analyses)
Stap B: Als dit niet genoeg opleverde of als de gevonden literatuur niet toepasbaar was in Nederland of de JGZ, werd de search uitgebreid met RCTs en observationeel.
Stap C: Ten slotte werd ook leden uit de clusterwerkgroep gevraagd om literatuur aan te leveren die buiten de selectie is gevallen. Vervolgens heeft het projectteam sleutelpublicaties en andere relevante aangeleverde artikelen doorgenomen om te zien of er nog belangrijke artikelen ontbreken (‘sneeuwbalmethode’)
Stap D: Bij onvoldoende onderzochten methoden of onderwerpen werd uitgegaan van in de clusterwerkgroep beschikbare kennis en praktijkervaring.
Stap E: Voor een overzicht van in de Nederlandse praktijk toegepaste signaleringsinstrumenten werd gezocht in de Databank Instrumenten | Nederlands Jeugdinstituut aangevuld met betreffende beoordelingen door de Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN).
Het instrument wordt gebruikt binnen de jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering, jeugdwelzijnswerk, voor- en vroegschoolse educatie, peuterspeelzaalwerk, kinderopvang, onderwijs of JGZ.
Het instrument wordt gebruikt voor één van de volgende doeleinden:
verkrijgen van informatie ter onderbouwing van een beslissing in het uitvoerend werk, bijvoorbeeld diagnostiek, risicotaxatie en screening.
verkrijgen van informatie ten behoeve van verbetering van de uitvoeringspraktijk, bijvoorbeeld effectmeting en cliënttevredenheidsonderzoek.
verkrijgen van informatie ten behoeve van het bepalen van beleid, bijvoorbeeld kosteneffectiviteit.
Tenminste de volgende documentatie is over het instrument beschikbaar:
instructies voor gebruik.
instructies voor scoring.
instructies voor interpretatie.
verantwoording of onderbouwing.
Er is een Nederlandstalige versie van het instrument.
Het instrument is in Nederland verkrijgbaar.
Het instrument is in heel Nederland te gebruiken (instrumenten die zijn toegespitst op of aangepast aan gebruik binnen een of meer regio’s of instellingen worden niet opgenomen).
Selectieproces interventies
De NJi databank Effectieve jeugdinterventies bevat beschrijvingen van programma’s voor steun en hulp bij opgroeien en opvoeden. Deze interventies zijn door een onafhankelijke erkenningscommissie beoordeeld. Lees hier Erkenningstraject | Nederlands Jeugdinstituut hoe het erkenningstraject verloopt en welke criteria gehanteerd worden voor de vier niveaus van erkenning (1. Goed onderbouwd; 2. Effectief volgens eerste aanwijzingen; 3. volgens goede aanwijzingen; en 4. volgens sterke aanwijzingen voor effectiviteit). De resultaten van deze beoordeling worden gepubliceerd op de website van het Nederlands Jeugdinstituut.
Voor deze richtlijn zijn interventies geselecteerd die
Door de Databank gelabeld zijn met de onderwerpen ‘psychosociale problemen’, ‘angst problemen’, ‘psychische problemen’, ‘gedragsproblemen’, ‘emotionele problemen’, sociale problemen’ en ‘weerbaarheid’.
De interventie kan ingezet worden door JGZ-professionals, wijkteams, Centra voor Jeugd en Gezin (CJG), of professionals die op school werkzaam zijn.
Kwaliteit van het bewijs
Kwaliteit is geen inclusiecriterium voor instrumenten in de Databank Instrumenten van het NJI, daarom werden in aanvulling de beoordelingen door de Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN) geraadpleegd (https://www.cotandocumentatie.nl). Deze commissie beoordeelt de kwaliteit van psychodiagnostische instrumenten in Nederland op basis van 7 criteria: 1. uitgangspunten van de testconstructie, 2. kwaliteit van het testmateriaal, 3. kwaliteit van de handleiding, 4. normen, 5. betrouwbaarheid. 6. begripsvaliditeit, 7. Criteriumvaliditeit
8.2 Zoekstrategie en resultaten
Op basis van de vastgestelde uitgangsvragen (zie Uitgangsvragen in module 2 en module 4) zijn twee PICO’s opgesteld. De zoekstrategieën zijn in Pubmed en in PsycInfo gedraaid. Met PICO 1 werd gezocht naar methoden en interventies om psychosociale problemen bij kinderen en jongeren te voorkomen of bij psychosociale problemen hen te begeleiden. PICO 2 werd ingezet om een overzicht te krijgen in de manieren waarop JGZ-professionals psychosociale problemen of de risico’s daarop bij kinderen en jongeren kunnen signaleren.
Pubmed
PICO 1: Interventies gericht op het stimuleren van gezonde psychosociale ontwikkeling of de preventie van psychosociale problemen
Uitgangsvraag: 1. Welke interventie(s) kunnen JGZ-professionals inzetten om bij jeugdigen psychosociale ontwikkeling te stimuleren of psychosociale problemen te voorkomen?
Vraag volgens PICO-systematiek
Dient interventie [X] (I) in vergelijking met [interventie Y/ geen interventie] (C) aan (aanstaande) ouders of jeugdigen (P) te worden geadviseerd?
Patiënten: Algemene populatie (aanstaande) ouders en kinderen (0-18 jaar)
(Preventieve) interventies. Denk hierbij aan voorlichting over de ontwikkeling van hun kind en over ‘normale’ angsten en gedrag tijdens de kindertijd. Het aanleren van vaardigheden en strategieën om positief gedrag te stimuleren en negatief gedrag te verminderen. Factoren die een rol kunnen spelen bij het ontstaan van psychosociale problemenzijn: het temperament van het kind, de gezinssituatie en ouder-kind interactie, de sociaal economische status van het gezin, migratieachtergrond, etc.
Uit epidemiologisch onderzoek komen relaties naar voren (al dan niet causaal) van psychosociale problemen met o.a.: slechte mentale gezondheid op volwassen leeftijd, levenskwaliteit en academische prestaties, eetstoornis symptomen
Mogelijke interventies bij psychosociale problemen zijn (naast voorlichting over een normale psychosociale ontwikkeling), o.a. Triple P, Video-hometraining (VHT) in gezinnen met kinderen in de Basisschoolleeftijd, Gordon-training “Effectief communiceren met kinderen.”, Kanjertraining, KiVa, etc.
In de zoekstrategie is aandacht voor kwetsbare gezinnen al dan niet met lage SES en/of een niet-Nederlands achtergrond en/of lage gezondheidsvaardigheden.
Database
Zoektermen
PubMed
De volgende concepten worden betrokken:
Infan* OR newborn* OR baby* OR babies OR toddler* OR pediatrics[mh] OR pediatric* OR kids OR child* OR schoolchild* OR student OR adolescen* OR juvenil* OR youth* OR teen* OR pubescen*
“Child behavior” OR “child behavior disorder” OR “problem behavior” OR “psychosocial problems” OR “psychosocial health” OR “behavioral problems” OR “emotional problems” OR “social problems” OR “internalizing problems” OR “externalizing problems” OR “mental health problems” OR “mental well-being” OR burnout OR “school stress” OR “school dropout”
Program OR train* OR intervent* OR prevent* OR therap* OR treat* OR manag* OR coach* OR support OR strategies OR manual* OR “parenting program” OR “parenting intervention” OR “parent training” OR “parent management training” OR PMT OR educat*
“Vulnerable populations” OR poverty OR disadvantaged OR “low income” OR “low socioeconomic status” OR migrant OR “parental mental disorder*” OR minority
“Child Health Services” OR “public health care” OR “preventive services” OR “well child care” OR “school health services” OR “primary care” OR pediatrics OR “preventive medicine”
“Adverse effects” OR preferences
Meta-analysis[Publication Type] OR meta-analysis[Title/Abstract] OR meta-analysis[MeSH Terms] OR review[Publication Type] OR search*[Title/Abstract]
PICO 2: Instrumenten en methoden om psychosociale problemen te signaleren
Artikelen gevonden: 137
(Infan* OR newborn* OR baby* OR babies OR toddler* OR pediatric* OR kids OR child* OR schoolchild* OR student OR adolescen* OR juvenil* OR youth* OR teen* OR pubescen*).af (3816861)
(“Child behavior” OR “child behavior disorder” OR “problem behavior” OR “psychosocial problems” OR “psychosocial health” OR “behavioral problems” OR “emotional problems” OR “social problems” OR “internalizing problems” OR “externalizing problems” OR “mental health problems” OR “mental well-being” OR burnout OR “school stress” OR “school dropout”).ti (10754)
(Diagnos* OR psychodiagnos* OR management OR screening OR detection* OR examination OR identification OR “diagnostic procedure” OR questionnaire OR “scoring system” OR score OR assessment OR criteria OR refer* OR “referral and consultation” OR consul* OR “practice patterns” OR “referral patterns”).af (8702330)
(Meta-analysis OR “systematic review” OR review).pt (486464)
1 AND 2 AND 3 AND 4 (226)
4 and 2015:2024.(sa_year) (144)
(“Adverse effects” or preferences).af (760625)
5 AND 6 (23)
(Sensitiv* or “sensitivity and specificity” or “predictive value” or accuracy* or predict* or validat* or develop*).af (1870188)
5 AND 8 (133)
Selectieproces
De reviewers selecteerden de studies in vier fases:
De eerste selectie vond plaats op grond van titel en abstract
De tweede selectie na het lezen van de full-tekst
Vanwege de brede PICO werden een beperkt aantal reviews (met meta-analyses) worden geïncludeerd die het grootste gedeelte van de populatie en interventies/screeners dekken, rekening houdend met beschikbaarheid in de Nederlandse situatie of de mogelijkheid om dit in te kunnen voeren.
Individueel onderzoek (met voorkeur voor studies die in Nederland zijn uitgevoerd en in de JGZ) werd slechts gebruikt bij gebrek aan up-to-date systematische reviews en bij voldoende tijd.
De selectiecriteria berustten op:
Inhoudelijke criteria: onderverdeeld in patiënten (P), interventies (I), gewenste vergelijkingen (C) en uitkomsten (O).
Publicatieperiode: 2016-2024.
Publicatie taal: Engels en Nederlands.
Methodologische criteria: Deze zijn afhankelijk van de uitgangsvraag (gericht op interventie, preventie, diagnostiek, prognose, etiologie, etc.). Voor interventie vragen wordt bijvoorbeeld in eerste instantie gezocht naar (meta-analyses van) RCTs omdat hier de minste kans is op vertekening. Voor etiologische en diagnostische vragen is een observationeel onderzoeksdesign meestal meer van toepassing.
Praktische uitvoering: interventies, methoden of instrumenten die in Nederland beschikbaar zijn (e.g. vertaald en/of materialen beschikbaar).
Praktische uitvoering: interventies, methoden of instrumenten die binnen de JGZ toepasbaar en uitvoerbaar zijn.
Kwaliteit van het bewijs
Om de kwaliteit van de uitkomst in te schatten werd GRADE gebruikt
De reviewers bepaalden de methodologische kwaliteit van richtlijnen met de AGREE2 en gebruikten de kwaliteitsbeoordeling van het individueel onderzoek die in de richtlijn wordt toegepast (Hoffmann-Eßer et al., 2017).
De reviewers bepaalden de methodologische kwaliteit van reviews met de AMSTAR2 en gebruikten de kwaliteitsbeoordeling van het individueel onderzoek die in de richtlijn wordt toegepast (Shea et al., 2017).
De reviewers bepaalden de methodologische kwaliteit van RCT’s aan de hand van de Cochrane Risk of Bias Tool (RoB 2) (Minozzi et al., 2022)
De reviewers bepaalden de methodologische kwaliteit van narratieve reviews aan de hand van SANRA (Baethge et al., 2019).
9 Bijlagen
9.1 Aanbevolen signaleringsinstrumenten en gespreksmethodieken
Aanbevolen vroegsignaleringsinstrumenten en gespreksmethodieken
(Tot stand gekomen via internationale reviews, Databank NJI (april 2025) en relevante proefschriften/primaire studies).
Leeftijd
Instrument
Doelgroep
Doel
Psychometrische eigenschappen
Sterke/zwakke punten
0-4 jaar
BITSEA
Brief-Infant-Toddler-Social-Emotional-Assessment
Ouders/ opvoeders van kinderen (12 -36 maanden)
Oudervragenlijst voor eerste indicatie van emotionele of gedrags-problemen, vertragingen en competenties
Gevalideerd voor de leeftijd van 24 maanden. Op de leeftijd van 14 maanden niet valide bevonden in Nederland
Goede psychometrische eigenschappen in meerdere landen, incl. Nederland
Hanteert eenvoudig taalgebruik
Richt zich met name op het kind; niet op ouder- of omgevingsfactoren
SDQ 2-4 Ouderversie
Strengths and Difficulties Questionnaire
Ouders/opvoeders van 2-4 jarigen
Oudervragenlijst voor snelle screening van 5 domeinen: hyperactiviteit; emotionele problemen; problemen met leeftijdsgenoten; gedragsproblemen; prosociaal gedrag.
Goede validiteit en betrouwbaarheid. In Nederlandse setting validiteit alleen onderzocht voor 3-4 jarigen.
Wereldwijd goed onderzocht
Bevat ouder- en leerkrachtversies
De papieren versie is kosteloos, bij online afname zijn er licentie kosten.
Bevat ouderwetse termen
Psycat 2-4 jaar
Ouders/opvoeders van 2-4 jarigen
Adaptieve oudervragenlijst waarbij vragen uit een grotere database gesteld worden
Goede validiteit en betrouwbaarheid.
Kort, betrouwbaar en valide doordat de vragenlijst gebruik maakt van Computerized Adaptive Testing (CAT)
Alleen online af te nemen; kan bij ouders vragen oproepen over privacy
4-12 jaar
SDQ 4-17 Ouderversie
Ouders/ opvoeders van kinderen tussen 4- 7 jaar
Vragenlijst voor snelle screening van 5 domeinen: hyperactiviteit; emotionele problemen; problemen met leeftijdsgenoten; gedragsproblemen; prosociaal gedrag.
Goede validiteit en betrouwbaarheid
Wereldwijd goed onderzocht
Bevat ouder- en leerkrachtversies
Ouderwetse termen
De papieren versie is kosteloos, bij online afname zijn er licentie kosten
Psycat 7-11 jaar
Ouders/
opvoeders van 7-11 jarigen
Adaptieve vragenlijst waarbij vragen uit een grotere database gesteld worden
Goede validiteit en betrouwbaarheid.
Kort, betrouwbaar en valide doordat de vragenlijst gebruik maakt van Computerized Adaptive Testing (CAT)
Alleen online af te nemen; kan bij ouders vragen oproepen over privacy
SDQ 4-7 Leerkrachtversie
Leerkrachten in het PO
Leerkracht vragenlijst voor snelle screening van 5 domeinen: hyperactiviteit; emotionele problemen; problemen met leeftijdsgenoten; gedragsproblemen; prosociaal gedrag.
Goede validiteit en betrouwbaarheid
Ouderwetse termen
12+
SDQ 11-17 Zelfrapportage versie
Jongeren vanaf 11 jaar
Vragenlijst voor snelle screening van 5 domeinen: hyperactiviteit; emotionele problemen; problemen met leeftijdsgenoten; gedragsproblemen; prosociaal gedrag.
Goede validiteit en betrouwbaarheid
Wereldwijd goed onderzocht
Bevat ouder- en leerkrachtversies
Ouderwetse termen
De papieren versie is kosteloos, bij online afname zijn er licentie kosten
Bredere gespreksmethodieken
-9 mnd tot 5 jaar
SPARK
(aanstaande) ouders/opvoeders van kinderen tussen -9 maanden en 5 jaar
Gestructureerd vraaggesprek om gezinnen te identificeren die meer steun nodig hebben. Er zijn vier SPARK-versies: vóór de geboorte en wanneer het kind 18, 36 en 60 maanden. Afname duurt gemiddeld 30 minuten.
Goede validiteit en betrouwbaarheid.
Brede blik, participatie ouder
De SPARK verkleint verschillen in de mate waarin jeugdverpleegkundigen risico’s signaleren
De SPARK blijkt het risico op kindermishandeling goed te kunnen voorspellen
Er zijn vier SPARK-versies beschikbaar, voor toepassing vóór de geboorte en wanneer het kind 18, 36 en 60 maanden is.
Er is veel onderzoek naar betrouwbaarheid en validiteit van de SPARK18; de andee versies zijn minder onderzocht..
-9 maanden tot 22 jaar
GIZ-methodiek
(aanstaande) ouders/opvoeders van kinderen tussen -9 maanden tot 18 jaar; en jeugdigen van 8-22 jaar
Gespreksmethode om samen met ouders en kinderen/jongeren ontwikkel- en zorgbehoeften in kaart te brengen. Geschatte afname duur is 30-40 minuten, afhankelijk van de complexiteit van eventuele problemen.
Goede validiteit en betrouwbaarheid onderzocht bij ouders
Zorgbehoeften worden in de context van gezin en omgeving besproken.
Ouders en professionals signaleerden vaker zorgen,
Ouders ervaren meer aandacht voor positieve aspecten. meer overeenstemming, tevredenheid en gezamenlijke besluitvorming.
Onderzoek in de JGZ toont aan dat de GIZ effectief is in het voorspellen van (toekomstige) kindonveiligheid.
9.2 Beknopt overzicht beschikbare interventies
Beschikbare interventies bij psychosociale problemen. (NB: peildatum van alle hier vermelde interventies is april 2025)
Interventie
Omschrijving van de werkzaamheid
Preventieve interventies voor ouders van jonge kinderen (0-4 jaar)
Zeven huisbezoeken bij ouders van kind (0-6 jaar) waarin video opnames gemaakt worden van alledaagse interacties, die met de ouder nabesproken worden. De focus ligt op positieve interactie en sensitieve disciplineringstrategieën. De interventie heeft aantoonbaar effect op zowel de doelen op kindniveau als op ouderniveau.
Acht huisbezoeken waarin video opnames gemaakt worden van alledaagse interacties die met de ouder nabesproken worden. De focus ligt op de initiatieven van het kind (0-4 jaar) en het sensitieve contact tussen ouders en kind.
Een opvoedworkshop of vier individuele gesprekken voor ouders (0-18 jaar) waarbij de focus ligt op een daadkrachtige en consistente aanpak van het ongewenste gedrag door samenwerking tussen partners te bevorderen..
Opvoedtraining voor gezinnen met kinderen tot 16 jaar, gericht op het voorkomen van ernstige gedrags- en emotionele problemen. De interventie bestaat uit 8 tot 10 sessies van 1,5 uur en duurt ongeveer 2,5 maand (niveau 4). Gerapporteerde effecten zijn: Afname van problematisch gedrag bij kinderen, minder dysfunctioneel opvoedgedrag bij ouders, vermindering van psychische klachten bij ouders (zoals depressie, angst, stress) en afname van partnerconflicten.
Een groepstraining voor ouders van kind (2-12 jaar) met. Er zijn tien wekelijkse bijeenkomsten van drie uur waarin het verwerven van communicatievaardigheden en conflictoplossing centraal staan.
Groepsbijeenkomsten voor kinderen van 4-8 jaar en hun ouders in stressvolle thuissituaties door ziekte of psychosociale problemen. Kinderen volgen 14 groepsbijeenkomsten gericht op coping, zelfvertrouwen en sociale steun. Ouders krijgen vier bijeenkomsten en gezinsbegeleiding met focus op psycho-educatie, ouder-kind interactie en opvoedingsondersteuning. Doel is het verkleinen van het risico op psychische problemen bij kinderen.
Huisbezoeken bij ouders met kind (4-12 jaar) waarin video opnames gemaakt worden van alledaagse interacties, die met de ouder na besproken worden. De aanpak wordt afgestemd op de specifieke ontwikkelingsbehoeftes van het kind. Indien nodig wordt één keer gefilmd in de schoolsituatie. De methodiek omvat acht huisbezoeken, met drie video-opnames en drie reviews
Zes groepsbijeenkomsten waarin laagopgeleide ouders van kind (4-12 jaar) basale opvoedingsvaardigheden leren om een positieve band met hun kind op te bouwen, gewenst gedrag te stimuleren en ongewenst gedrag te reguleren.
Zeven huisbezoeken bij ouders van kind (0-6 jaar) waarin video opnames gemaakt worden van alledaagse interacties, die met de ouder nabesproken worden. De focus ligt op positieve interactie en sensitieve disciplineringstrategieën. De interventie heeft aantoonbaar effect op zowel de doelen op kindniveau als op ouderniveau.
(Groeps- of individuele) interventie gericht op het vergroten van emotie-regulerende en sociale vaardigheden bij kinderen (8- 12 jaar) met gedragsproblemen. Daarnaast beoogt de interventie ook de opvoedingsvaardigheden van de ouders te vergroten. Bij de kinderbijeenkomsten worden vaardigheden besproken en geoefend, zoals het herkennen en reguleren van emoties, verbeteren van sociale probleemoplossing en sociale vaardigheden in het contact met andere kinderen. Bij de ouderbijeenkomsten worden opvoedingsvaardigheden besproken en geoefend.
Individuele gedragsinterventie op school voor bovenbouwleerlingen met externaliserend probleemgedrag. Een getrainde professional voert 11 wekelijkse sessies uit: 8 met het kind en 3 met kind, ouders en leerkracht.
Interventie bestaande uit tien groeps- of individuele bijeenkomsten waarin jongeren vaardigheden leren om met angst en depressie om te gaan. De oefeningen richten zich op lichamelijke reacties, gedachten en gedrag. Ook zijn er ouderbijeenkomsten inbegrepen.
Een cognitieve gedragstherapie die kinderen en jongeren met angstklachten (8-18 jaar) helpt beter om te gaan met angst. Ze leren wat angst is (psycho-educatie), hoe ze anders kunnen denken, hun angst stap voor stap aan te gaan (exposure), beter met spanning om te gaan (coping) en hoe terugval te voorkomen. In de preventieve context gaat het om een groepsinterventie; in de curatieve context kan de interventie individueel of in een groep ingezet worden.
Een opvoedworkshop of vier individuele gesprekken voor ouders (0-18 jaar) waarbij de focus ligt op een daadkrachtige en consistente aanpak van het ongewenste gedrag door samenwerking tussen partners te bevorderen.
Opvoedtraining voor gezinnen met kinderen tot 16 jaar, gericht op het voorkomen van ernstige gedrags- en emotionele problemen. De interventie bestaat uit 8 tot 10 sessies van 1,5 uur en duurt ongeveer 2,5 maand. Gerapporteerde effecten zijn: Afname van problematisch gedrag bij kinderen, minder dysfunctioneel opvoedgedrag bij ouders, vermindering van psychische klachten bij ouders (zoals depressie, angst, stress) en afname van partnerconflicten.
Oudercursus waarin ouders leren de communicatie met hun kind te verbeteren, zodat ouders en kind conflicten beter kunnen oplossen en externaliserend gedrag bij kind afneemt.
Opvoedtraining waarin opvoedingsvaardigheden getraind worden zoals kindgericht spelen; sociale, emotionele en schoolse vaardigheden coachen; en gewenst gedrag bij kinderen stimuleren via complimenten en beloningen. Ook leren ouders hoe ze ongewenst gedrag kunnen verminderen.
Individuele opvoedtraining aan huis door een gezinscoach met dezelfde cultuur- en taalachtergrond. De training versterkt eerst de opvoedsituatie, met aandacht voor zowel Nederlandse als eigen opvoedwaarden. Daarna leren ouders opvoedvaardigheden via oefeningen en rollenspellen. De interventie duurt gemiddeld 46 weken met 23 huisbezoeken, gevolgd door 3 maanden nazorg.
Een opvoedtraining voor ouders van kind (2-12 jaar) met. Er zijn tien wekelijkse bijeenkomsten van drie uur waarin het verwerven van communicatievaardigheden en conflictoplossing centraal staan.
Oudercursus die helpt omgaan met de uitdagingen van de puberteit. In zes bijeenkomsten worden opvoedingsvragen genormaliseerd en passende vaardigheden aangereikt en geoefend, onder andere via rollenspellen en ervaringsuitwisseling. De cursus versterkt het zelfvertrouwen en de opvoedingscompetentie van ouders.
Oudercursus met zes groepsbijeenkomsten waarin ouders basale opvoedingsvaardigheden leren om een positieve band met hun kind op te bouwen, gewenst gedrag te stimuleren en ongewenst gedrag te reguleren.
Lesprogramma voor de basisschool dat sociaal-emotionele vaardigheden versterkt om gedragsproblemen te voorkomen. Kinderen leren over zelfbeeld, zelfcontrole, omgaan met emoties en probleemoplossing. Het programma bevat 161 klassikale lessen verspreid over acht leerjaren.
Schoolbreed programma Schoolbreed programma dat sociaal gedrag stimuleert en gedragsproblemen vermindert via een driejarige, gelaagde aanpak: preventieve gedragsstrategieën, structurele signalering en gerichte interventies voor risicoleerlingen.
Training op de basisschool gericht op het verminderen van sociale problemen. In kleine groepen oefenen leerlingen in een bewegingsruimte met sociale vaardigheden, zelfvertrouwen en positief contact. Ouders en leerkrachten nemen ook deel aan ondersteunende bijeenkomsten.
Lesprogramma voor het basisonderwijs met minimaal twintig lessen van 45 minuten per jaar. Via werkvormen zoals kringgesprekken, rollenspellen en liedjes leren kinderen over hun innerlijke wereld praten. Met behulp van 75 emotiewoorden, aangeboden door Kwink, worden zij gestimuleerd deze gevoelens onder woorden te brengen.
Interventies voor de leeftijdsgroep vanaf 12 jaar en ouder
Interventie bestaande uit tien groeps- of individuele bijeenkomsten waarin jongeren vaardigheden leren om met angst en depressie om te gaan. De oefeningen richten zich op lichamelijke reacties, gedachten en gedrag. Ook zijn er ouderbijeenkomsten.
Een cognitieve gedragstherapie die kinderen en jongeren met angstklachten (8-18 jaar) helpt beter om te gaan met angst. Ze leren wat angst is (psycho-educatie), hoe ze anders kunnen denken, hun angst stap voor stap aan te gaan (exposure), beter met spanning om te gaan (coping) en hoe terugval te voorkomen. In de preventieve context gaat het om een groepsinterventie; in de curatieve context kan de interventie ook individueel ingezet worden.
Een opvoedworkshop of vier individuele gesprekken voor ouders (0-18 jaar) waarbij de focus ligt op een daadkrachtige en consistente aanpak van het ongewenste gedrag door samenwerking tussen partners te bevorderen.
Opvoedtraining voor gezinnen met kinderen tot 16 jaar, gericht op het voorkomen van ernstige gedrags- en emotionele problemen. De interventie bestaat uit 8 tot 10 sessies van 1,5 uur en duurt ongeveer 2,5 maand. Gerapporteerde effecten zijn: Afname van problematisch gedrag bij kinderen, minder dysfunctioneel opvoedgedrag bij ouders, vermindering van psychische klachten bij ouders (zoals depressie, angst, stress) en afname van partnerconflicten.
Oudercursus waarin ouders leren de communicatie met hun kind te verbeteren, zodat ouders en kind conflicten beter kunnen oplossen en externaliserend gedrag bij kind afneemt.
Individuele opvoedtraining aan huis door een gezinscoach met dezelfde cultuur- en taalachtergrond. De training versterkt eerst de opvoedsituatie, met aandacht voor zowel Nederlandse als eigen opvoedwaarden. Daarna leren ouders opvoedvaardigheden via oefeningen en rollenspellen. De interventie duurt gemiddeld 46 weken met 23 huisbezoeken, gevolgd door 3 maanden nazorg
Oudercursus die helpt omgaan met de uitdagingen van de puberteit. In zes bijeenkomsten worden opvoedingsvragen genormaliseerd en passende vaardigheden aangereikt en geoefend, onder andere via rollenspellen en ervaringsuitwisseling. De cursus versterkt het zelfvertrouwen en de opvoedingscompetentie van ouders.
Schoolbreed programma dat sociaal gedrag bevordert en gedragsproblemen vermindert via een driejarige, systematische aanpak met gedragsbeïnvloeding, signalering en gerichte interventies voor risicoleerlingen.
Lesprogramma voor VO klas 2 en 3, bestaande uit 17 basislessen en drie extra modules. Leerlingen leren omgaan met gedachten, gevoelens en gedrag, en passen deze vaardigheden toe in conflictsituaties. Thema’s zijn o.a. weerbaarheid, pesten, roddelen, conflicten en seksualiteit. Uitgevoerd door schooldocenten.
Lesprogramma voor vmbo-leerjaar 1 en 2 dat tijdens de gymlessen werkt aan gedragsbewustzijn en -verandering. Thema’s zijn o.a. zelfinzicht, omgaan met anderen, keuzes maken en het voorkomen van pesten. Uitgevoerd door daarvoor getrainde gymdocenten.
Lesprogramma voor vmbo- en mbo-leerlingen gericht op het versterken van mentale fitheid en het voorkomen van depressieklachten. Na een klassikale startles vullen jongeren een online vragenlijst in, gevolgd door twee e-lessen die hen laten reflecteren op geluk, sociale relaties, toekomstdromen en probleemoplossing. In de afsluitende les blikken ze terug op hun inzichten. Tot slot krijgen ze een persoonlijk gesprek met de trainer, die indien nodig doorverwijst naar extra hulp
9.3 Uitgebreid overzicht beschikbare interventies, uitgesplist naar leeftijd
In deze bijlage vind je een uitgebreid overzicht van beschikbare interventies (overgenomen van de Databank effectieve jeugdinterventies) die ingezet kunnen worden bij psychosociale problemen. De interventies zijn gerangschikt naar drie leeftijdsgroepen:
Tabel 1: Interventies voor ouders/opvoeders van 0-4 jarigen.
Tabel 2: Interventies voor ouders/opvoeders van 5-12 jarigen
Tabel 3. Interventies voor de leeftijdsgroep vanaf 12 jaar en ouder
NB: peildatum van alle hier vermelde interventies is april 2025
9.3.1 Tabel 1. Interventies voor ouders/opvoeders 0-4 jarigen
Interventie
Kwaliteit van Bewijs
Doelgroep
Doel (in de interventie beschrijving)
Beknopte beschrijving
Uitkomsten in onderzoek of nagestreefde uitkomstmaten
Verbeteren van disciplineringsstrategie van opvoeders
Bevorderen van positieve interacties tussen opvoeder en kind
Voorkomen (preventief) of verminderen (curatief) van gedragsproblemen bij kinderen tot 6 jaar.
Individuele video-interactiebegeleiding thuis om gedragsproblemen te voorkomen of te verminderen door opvoedingsvaardigheden van ouders te versterken, met aandacht voor positieve interactie en sensitieve disciplineringstrategieën. Tijdens de bezoeken worden filmopnames gemaakt, die worden nabesproken. Bekrachtigen van sensitief opvoedgedrag (positief ouderschap), het stellen van grenzen en reguleren van lastig kindgedrag staan centraal. Circa 7 bezoeken van twee uur
De effectiviteit van de VIPP-SD methode op het bevorderen van sensitief opvoedingsgedrag werd aangetoond in twaalf RCT’s in Nederland en diverse andere landen [246].
Ouders met kinderen (0-4), die spanning ervaren in de opvoeding
Bevorderen van de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen, door verbeteren van het versterken van de ouderlijke sensitiviteit. Daarmee wordt probleemgedrag te voorkomen of verminderd.
Individuele video-interactiebegeleiding om opvoedvaardigheden en de ouder-kind interactie te verbeteren. Korte video-opnames van de ‘alledaagse omgang’ thuis worden bekeken en besproken, waarbij de nadruk ligt op de initiatieven van het kind en het contact tussen ouders en kind. Ouders leren de behoeftes van hun kind beter te begrijpen en zijn beter in staat zijn om sensitief te reageren op hun kind. Dit bevordert de gezonde (sociaal-emotionele) ontwikkeling bij het kind. De methodiek omvat acht huisbezoeken, met drie video-opnames en drie reviews.
Een meta-analyse (Fukkink et al., 2008) van (inter) nationale studies laat positieve effecten zien van ‘video feedback’ interventies: Ouders worden vaardiger in de interactie met hun jonge kind en ervaren minder problemen en meer plezier in hun rol als ouder.
Ouders van kinderen (0-18 jaar) met specifieke opvoedvragen (enkelvoudig probleem-gedrag dat niet langer dan zes maanden bestaat)
Vergroten van de competentie en het zelfvertrouwen bij ouders om gedrags- en emotionele problemen bij kinderen en jongeren te voorkomen, te verhelpen of te verminderen.
Een gerichte opvoedtraining (2 uur) gericht op lichte, veelvoorkomende opvoedvragen. Er zijn twee versies: – 12 en 12+. Kan ook individueel in vier gesprekken (15-30 min). De interventie is kosteneffectief gebleken.
Onderzoek heeft laten zien dat de interventie leidt tot…
1. Toegenomen mate van ervaren ouderlijke competentie 2. Toegenomen mate van ervaren welbevinden bij ouders en jeugdigen
Kinderen tot 16 jaar met milde tot ernstige emotionele en gedragsproblemen hun ouders
Het voorkomen en/of verminderen van ernstige gedrags-, emotionele en ontwikkelingsproblemen bij kinderen door de kennis, vaardigheden en het zelfvertrouwen van ouders te verbeteren.
Opvoedtraining die ernstige gedrags-, en emotionele problemen wil voorkomen. De interventie bestaat uit acht tot tien sessies. Het doorlopen van niveau 4 duurt ongeveer 2,5 maand, en de opvoedtraining is kosteneffectief gebleken. Ouders werken aan een goede band met hun kind en leren omgaan met ongewenst gedrag. Triple P niveau 5 is gericht op het opheffen van belemmerende factoren in het gezin, zoals persoonlijke problemen of relatieproblemen, zodat ouders de geleerde strategieën effectief kunnen toepassen.
Onderzoek heeft laten zien dat de interventie leidt tot afname van
Ouders van kinderen (2-12), die problemen in de ouder-kindrelatie ervaren
Het verbeteren van de onderlinge communicatie tussen ouders en kinderen
Een oudertraining met tien wekelijkse bijeenkomsten van drie uur waarin het verwerven van communicatievaardigheden en een democratische conflictoplossing centraal staan. De training biedt informatie, vaardigheidstraining zoals ‘actief luisteren’ en het formuleren van ‘ik-boodschappen’, uitwisseling van ervaringen en meningsvormende discussies.
Een Nederlands review (van Nederlands en buitenlands onderzoek) laat positieve invloeden op de opvoedingshouding en beperkte effecten op het opvoedingsgedrag van de ouder en het gedrag van het kind zien.
9.3.2 Tabel 2. Interventies voor de leeftijdsgroep 5-12 jaar
Interventie voor leeftijd 5-12 jaar
Kwaliteit van Bewijs
Doelgroep
Doel (in de interventie beschrijving)
Beknopte beschrijving
Uitkomsten in onderzoek of nagestreefde uitkomstmaten
ouders met kinderen in de leeftijd van 0 tot en met 6 jaar
Verhogen van de ouderlijke sensitiviteit
Verbeteren van disciplinerings-strategie van opvoeders
Bevorderen van positieve interacties tussen opvoeder en kind
Voorkomen of verminderen van gedragsproblemen bij kinderen tot 6 jaar.
Individuele video-interactiebegeleiding thuis om gedragsproblemen te voorkomen of te verminderen door opvoedingsvaardigheden van ouders te versterken, met aandacht voor positieve interactie en sensitieve disciplineringstrategieën. Tijdens de bezoeken worden filmopnames gemaakt, die worden nabesproken. Bekrachtigen van sensitief opvoedgedrag (positief ouderschap), het stellen van grenzen en reguleren van lastig kindgedrag staan centraal. Circa 7 bezoeken van twee uur.
De effectiviteit van de VIPP-SD methode op het bevorderen van sensitief opvoedingsgedrag werd aangetoond in twaalf RCT’s in Nederland en diverse andere landen [246]
Kinderen (4-12 jaar) in gezinnen, waarvan de ouders lichte tot matige opvoedingsproblemen ervaren.
Hoofddoel is het verbeteren van de opvoedvaardigheden en interactievaardigheden van de ouders, waardoor de ouders weer positief leiding kunnen gaan geven aan de ontwikkeling van hun kinderen.
Individuele video-interactiebegeleiding om opvoedvaardigheden en de ouder-kind interactie te verbeteren. Korte video-opnames van de ‘alledaagse omgang’ thuis worden bekeken en besproken, waarbij de nadruk ligt op de initiatieven van het kind en het contact tussen ouders en kind. Ouders leren de behoeftes van hun kind beter te begrijpen en zijn beter in staat zijn om sensitief te reageren op hun kind. Dit bevordert de gezonde (sociaal-emotionele) ontwikkeling bij het kind. De methodiek omvat acht huisbezoeken, met drie video-opnames en drie reviews.
Een meta-analyse (Fukkink et al., 2008) van (inter) nationale studies laat positieve effecten zien van ‘video feedback’interventies: Ouders worden vaardiger in de interactie met hun jonge kind en ervaren minder problemen en meer plezier in hun rol als ouder.
Vergroten van emotie-regulerende en sociale probleemoplossende vaardighedenbij kinderen van 8 tot 12 jaar met gedragsproblemen en het vergroten van opvoedingsvaardigheden van hun ouders
(Groeps- of individuele) interventie gericht op het vergroten van emotie-regulerende en sociale probleemoplossende vaardigheden bij kinderen van 8 tot 12 jaar met gedragsproblemen en op het vergroten van opvoedingsvaardigheden van hun ouders.
Bij de kinderbijeenkomsten worden vaardigheden besproken en geoefend, zoals het herkennen en reguleren van emoties, verbeteren van sociale probleemoplossing en sociale vaardigheden in het contact met andere kinderen.
Bij de ouderbijeenkomsten worden opvoedingsvaardigheden besproken en geoefend.
Groepsvariant: Nederlands onderzoek laat een korte termijn effect zien op ouder gerapporteerd openlijk agressief gedrag van het kind en een langetermijneffect op nicotine- en cannabisgebruik.
Voor de individuele variant ontbreekt Nederlands onderzoek.
kinderen van 9 tot 12 jaar die een verhoogde mate van externaliserend probleemgedrag laten zien
Het doel is verminderen van agressief en bevorderen van pro-sociaal gedrag. Langetermijn doel is reduceren van de kans op ontwikkeling van een gedragsstoornis.
Een individuele gedragsinterventie (op school) van wekelijkse sessies gericht op kinderen in de bovenbouw van het basisonderwijs die een verhoogde mate van externaliserend probleemgedrag laten zien.
Een getrainde professional voert de training op school uit volgens een vaste structuur en betrekt ouders en leerkracht. Het gaat om in totaal 11 sessies, opgebouwd uit acht sessies voor het kind en drie sessies voor het kind, de ouders en de leerkracht.
Nederlandse studies hebben aangetoond dat Alles Kidzzz leidde tot minder agressie, gerapporteerd door kinderen, moeders, vaders of leerkrachten.
Voorkomen en behandelen van angstige en depressieve gevoelens bij kinderen en jongeren
Tien groeps- of individuele bijeenkomsten waarin vaardigheden en technieken aangeleerd worden om angst en depressie om te gaan. De oefeningen hebben betrekking op de drie gebieden die van invloed zijn op het ontwikkelen en in stand blijven van angst of depressie: lichamelijke reacties, gedachten, en leer- en gedragsprocessen.
VRIENDEN maakt gebruik van leren in groepsverband en van ervarend leren. De interventie kan ook individueel worden toegepast. Er zijn ook bijeenkomsten voor ouders.
Nederlands onderzoek heeft aangetoond dat het VRIENDEN effectief is in het verminderen van angststoornissen bij kinderen en jongeren (Liber et al., 2008; van der Leeden et al., 2011).
Verminderen en behandelen van angstklachten bij kinderen en jongeren
Een cognitieve gedragstherapie waarbij aandacht wordt besteed aan psycho-educatie, cognitieve herstructurering, exposure, het versterken van coping vaardigheden en terugvalpreventie. In de preventieve context gaat het om een groepsinterventie voor kinderen van 8 tot 12 jaar met angstklachten. In de curatieve context kan de interventie zowel individueel als in een groep ingezet worden, voor kinderen en jongeren van 8 tot 18 jaar met een angststoornis.
Verschillende Nederlandse studies hebben aangetoond dat angstsymptomen significant afnemen na DDD.
Voor de leeftijd 9-11 jaar: effectief volgens goede aanwijzingen
Ouders van kinderen (0-18 jaar) met specifieke opvoedvragen (enkelvoudig probleemgedrag dat niet langer dan zes maanden bestaat)
Vergroten van de competentie en het zelfvertrouwen bij ouders om gedrags- en emotionele problemen bij kinderen en jongeren te voorkomen, te verhelpen of te verminderen.
Opvoedtraining (2 uur) gericht op lichte, veelvoorkomende opvoedvragen. Er zijn twee versies: – 12 en 12+. Kan ook individueel in vier gesprekken (15-30 min). De interventie is kosteneffectief gebleken.
Onderzoek heeft laten zien dat de interventie leidt tot…
1. Toegenomen mate van ervaren ouderlijke competentie 2. Toegenomen mate van ervaren welbevinden bij ouders en jeugdigen
Kinderen tot 16 jaar met milde tot ernstige emotionele en gedragsproblemenDe intermediaire doelgroep zijn ouders van deze kinderen die het gedrag van hun kind moeilijk hanteerbaar vinden.
Het voorkomen en/of verminderen van ernstige gedrags-, emotionele en ontwikkelingsproblemen bij kinderen door de kennis, vaardigheden en het zelfvertrouwen van ouders te verbeteren.
Opvoedtraining die ernstige gedrags-, en emotionele problemen wil voorkomen. De interventie bestaat uit acht tot tien sessies. Het doorlopen van niveau 4 duurt ongeveer 2,5 maand, en de opvoedtraining is kosteneffectief gebleken. Ouders werken aan een goede band met hun kind en leren omgaan met ongewenst gedrag. Triple P niveau 5 is gericht op het opheffen van belemmerende factoren in het gezin, zoals persoonlijke problemen of relatieproblemen, zodat ouders de geleerde strategieën effectief kunnen toepassen..
Onderzoek heeft laten zien dat de interventie leidt tot afname van
Ouders die problemen ervaren met licht externaliserend gedrag van hun kind (10-15 jaar oud)
Het verbeteren van de communicatie tussen ouder en kind ;
et vergroten van de vaardigheden van ouders om problemen op te lossen.
Oudercursus waarin ouders leren hoe zij meningsverschillen met hun kind kunnen bespreken. Hoofddoel is het verbeteren van de communicatie tussen ouder en kind en het vergroten van de vaardigheden van ouders om problemen op te lossen. Uiteindelijk is het doel om hiermee een afname van licht externaliserend gedrag bij het kind te bereiken. Het doel is bereikt wanneer ouders in staat zijn conflicten naar tevredenheid aan te pakken en op te lossen.
Onderzoek geeft goede aanwijzingen voor positieve effecten op de kwaliteit van de communicatie van zowel ouders als kinderen. Er zijn echter geen aanwijzingen dat Praten met kinderen gedragsproblemen kan helpen voorkomen.
Ouders van kinderen van 3 tot en met 8 jaar met (risico op) gedragsproblemen, of een diagnose van ernstige gedragsproblemen.
Stimuleren van opvoedingsvaardigheden om gewenst gedrag bij kinderen te stimuleren en ongewenst gedrag te verminderen
Opvoedtraining waarin opvoedingsvaardigheden getraind worden zoals kindgericht spelen; sociale, emotionele en schoolse vaardigheden coachen; en gewenst gedrag bij kinderen stimuleren via complimenten en beloningen. Ook leren ouders hoe ze ongewenst gedrag kunnen verminderen.
Diverse Nederlandse en internationale studies hebben aangetoond dat IY leidt tot
vermindering van oppositioneel gedrag en agressie bij kinderen.
Verbetering van opvoedingsvaardigheden en ouder-kindrelatie.
Lager opgeleide ouders (4-18 jaar) met een migratieachtergrond die spanning ervaren bij het opvoeden in de Nederlandse samenleving
Versterken van het zelfvertrouwen en vaardigheden van ouders
Bevorderen van positieve sociaal-emotionele ontwikkeling
Verminderen van Probleemgedrag
Individuele opvoedtraining aan huis. Een gezinscoach met dezelfde cultuur- en taalachtergrond ondersteunt ouders vraaggericht en coachend. In het eerste deel wordt de opvoedsituatie van de ouders versterkt, met oog voor de Nederlandse en de eigen opvoedidealen. Het tweede deel richt zich op het aanleren en oefenen van opvoedvaardigheden. Dit gebeurt aan de hand van meerdere werkvormen, zoals kleine opdrachten en rollenspelen. De interventie duurt gemiddeld 46 weken, waarbij er gemiddeld 23 huisbezoeken plaatsvinden. Daarnaast is er een periode van nazorg van 3 maanden.
Er zijn enkele procesevaluaties uitgevoerd: de ondervraagde ouders en de coaches rapporteerden verbeteringen in het gezinsfunctioneren en de opvoeding.
Ouders van kinderen tussen 2 en 12 jaar die problemen in de ouder-kindrelatie ervaren
Het verbeteren van de onderlinge communicatie tussen ouders en kinderen
Opvoedcursus met tien wekelijkse bijeenkomsten van drie uur waarin het verwerven van communicatievaardigheden en een democratische conflictoplossing centraal staan. De training biedt onder andere informatie, vaardigheidstraining zoals leren ‘actief luisteren’ en het formuleren van ‘ik-boodschappen’, uitwisseling van ervaringen en meningsvormende discussies. In de Gordontraining wordt gebruik gemaakt van het ‘gedragsraam’: een schema met drie vakken om de toekenning van problemen te classificeren (kind heeft probleem, ouder heeft probleem, of er is geen probleem aanwezig) dat van belang is voor de keuze van in te zetten vaardigheden.
Een Nederlands review (van Nederlands en buitenlands onderzoek) laat positieve invloeden op de opvoedingshouding en beperkte effecten op het opvoedingsgedrag van de ouder en het gedrag van het kind zien.
Ouders van kinderen van 11 tot 16 jaar zonder ernstige problemen.
Versterken van de opvoedcompetentie van ouders van pubers.
Verbeteren van de ouder-kind interactie.
Oudercursus om te leren omgaan met de uitdagingen die de puberteit met zich meebrengt. De cursus beoogt het zelfvertrouwen en de competentie van ouders versterken door het normaliseren van opvoedingsvragen en het aanreiken van bij deze nieuwe ontwikkelingsfase passende opvoedingsvaardigheden. In de zes cursusbijeenkomsten staat er telkens een ander onderwerp of opvoedings- vaardigheid centraal. Vaardigheden worden besproken en geoefend in een rollenspel Ook het uitwisselen van ervaringen is een belangrijk onderdeel van de cursus.
Er zijn enkele procesevaluaties uitgevoerd: ouders rapporteerden op een vragenlijst verbeteringen in op hun opvoedgedrag en een beter contact met hun zoon/dochter.
Laagopgeleide ouders van kinderen van 4 tot 12 jaar. (Hoger opgeleide ouders worden echter niet uitgesloten).
Zelfvertrouwen en vaardigheden van ouders
Positieve sociaal-emotionele ontwikkeling van de jeugdige
Verminderen van Probleemgedrag
Oudercursus met zes groepsbijeenkomsten waarin ouders basale opvoedingsvaardigheden leren om een positieve band met hun kind op te bouwen, gewenst gedrag te stimuleren en ongewenst gedrag te reguleren. De cursus is een combinatie van kennisoverdracht, instructie aan de hand van filmbeelden, groepsdiscussies en praktische oefeningen.
Er is geen wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de effecten van Opvoeden & Zo
Vergroten van sociaal-emotionele vaardigheden om zo gedragsproblemen te voorkomen
Lesprogramma voor de basisschool om de sociaal-emotionele competenties van leerlingen te vergroten om zo gedragsproblemen te voorkomen Kinderen leren vaardigheden op vier verschillende gebieden: zelfbeeld, zelfcontrole, emoties en probleem oplossen. PAD bestaat uit 161 klassikale lessen die verdeeld over acht leerjaren worden aangeboden. Gemiddeld wordt er 1 of 2 maal per week een les gegeven van 30-45 minuten.
Diverse Nederlandse studies laten positieve effecten zien op emotiebegrip, ADHD, oppositioneel gedrag en gedragsproblemen.
Kinderen 5 tot en met 17 jaar in het PO, VO en speciaal onderwijs
Bevorderen van sociaal gedrag en het verminderen van gedragsproblemen
Schoolbreed programma gericht op het bevorderen van sociaal gedrag en het verminderen van gedragsproblemen bij leerlingen. Dit doel wordt bereikt via een driejarige systematische en gelaagde gedragsaanpak die bestaat uit het schoolbreed en preventief toepassen van gedragsbeïnvloedende technieken, het schoolbreed registreren/signaleren van ongewenst gedrag en het op maat inzetten van bestaande interventies voor leerlingen met risicovol gedrag.
Vel internationaal onderzoek naar SWPBS, met name bij kinderen in de basisschoolleeftijd. Effecten gevonden voor
Kinderen van 9 tot en met 12 jaar, in de bovenbouw van het PO
Het verminderen van sociale problemen bij leerlingen
Training op de basisschool die sociale problemen van leerlingen beoogt te verminderen. De training vindt plaats in groepen van vijf leerlingen, in een bewegingsruimte op school. De kinderen oefenen met sociale vaardigheden, leren een sterke en ontspannen houding aan te nemen en doen succeservaringen op in het contact met leeftijdsgenoten.Ook de ouders en leerkrachten volgen bijeenkomsten.
Vermindering van sociale problemen.
Verbetering in zelfvertrouwen, sociale vaardigheden en zelfcontrole.
Lesprogramma voor het basisonderwijs, omvat minimaal twintig lessen van 45 minuten per jaar. Er worden verschillende werkvormen ingezet, zoals kringgesprek, rollenspel of liedjes. Kinderen leren over hun innerlijke wereld praten. Als hulpmiddel hierbij biedt Kwink ‘emotiewoorden’ aan. Gedurende de basisschool-periode leert een kind 75 emotiewoorden aan en wordt het gestimuleerd deze te gebruiken.
Er is nog geen onderzoek gedaan naar de effectiviteit
het verminderen van psychosociale problemen (zoals onzekerheid, teruggetrokken gedrag, zelfvertrouwen en sociale vaardigheden).
.
Individuele hulp op school, onder schooltijd en in samenwerking met ouder en leerkracht. Kind, ouders en leerkracht stellen samen met de hulpverlener algemene en persoonlijke subdoelen op. De persoonlijke subdoelen zijn gericht op het verbeteren van specifieke psychosociale vaardigheden. De algemene subdoelen zijn gericht op het versterken van het zelfvertrouwen van het kind en de rol als ‘supporter’ van ouder en leerkracht. Zij helpen het kind om de persoonlijke subdoelen te bereiken. De psychosociale vaardigheden worden aangeleerd via verschillende oplossingsgerichte en cognitieve gedragstherapeutische werkvormen.
Er is een kleine, niet gepubliceerde studie uitgevoerd waarbij de interventie positieve effecten liet zien op de SDQ (door ouders en leerkracht ingevuld) . zelfvertrouwen en sociale vaardigheden
9.3.3 Tabel 3. Interventies voor de leeftijdsgroep vanaf 12 jaar en ouder
Tabel 3. Interventies voor de leeftijdsgroep vanaf 12 jaar en ouder
Voorkomen en behandelen van angstige en depressieve gevoelens bij kinderen en jongeren
Tien groeps- of individuele bijeenkomsten waarin verschillende vaardigheden en technieken aangeleerd worden om met gevoelens van angst en depressie om te gaan. De oefeningen hebben onder andere betrekking op lichamelijke reacties bij angst en depressie, gedachten, en leer- en gedragsprocessen. VRIENDEN maakt gebruik van leren in groepsverband en van ervarend leren. Er zijn ook bijeenkomsten voor ouders.
Nederlands onderzoek heeft aangetoond dat het VRIENDEN effectief is in het verminderen van angststoornissen bij kinderen en jongeren (Liber et al., 2008; van der Leeden et al., 2011).
Verminderen en behandelen van angstklachten bij kinderen en jongeren
Een cognitieve gedragstherapie waarbij aandacht wordt besteed aan psycho-educatie, cognitieve herstructurering, exposure, het versterken van coping vaardigheden en terugvalpreventie. In de preventieve context gaat het om een groepsinterventie voor kinderen van 8 tot 12 jaar met angstklachten. In de curatieve context kan de interventie zowel individueel als in een groep ingezet worden, voor kinderen en jongeren van 8 tot 18 jaar met een angststoornis.
Verschillende Nederlandse studies hebben aangetoond dat angstsymptomen significant afnemen na DDD.
Voor de leeftijd 9-11 jaar: effectief volgens goede aanwijzingen
Ouders van kinderen (0-18 jaar) met specifieke opvoedvragen (enkelvoudig probleemgedrag dat niet langer dan zes maanden bestaat)
Vergroten van de competentie en het zelfvertrouwen bij ouders om gedrags- en emotionele problemen bij kinderen en jongeren te voorkomen, te verhelpen of te verminderen.
Opvoedtraining (2 uur) gericht op lichte, veelvoorkomende opvoedvragen. Er zijn twee versies: – 12 en 12+. Kan ook individueel in vier gesprekken (15-30 min). De interventie is kosteneffectief gebleken.
Onderzoek heeft laten zien dat de interventie leidt tot
1. Toegenomen mate van ervaren ouderlijke competentie 2. Toegenomen mate van ervaren welbevinden bij ouders en jeugdigen
Kinderen tot 16 jaar met milde tot ernstige emotionele en gedragsproblemen en hun ouders.
Het voorkomen en/of verminderen van ernstige gedrags-, emotionele en ontwikkelingsproblemen bij kinderen door de kennis, vaardigheden en het zelfvertrouwen van ouders te verbeteren.
Opvoedtraining die ernstige gedrags-, en emotionele problemen wil voorkomen. De interventie bestaat uit acht tot tien sessies. Het doorlopen van niveau 4 duurt ongeveer 2,5 maand, en de opvoedtraining is kosteneffectief gebleken. Ouders werken aan een goede band met hun kind en leren omgaan met ongewenst gedrag. Triple P niveau 5 is gericht op het opheffen van belemmerende factoren in het gezin, zoals persoonlijke problemen of relatieproblemen, zodat ouders de geleerde strategieën effectief kunnen toepassen..
Onderzoek heeft laten zien dat de interventie leidt tot afname van
Ouders die problemen ervaren met licht externaliserend gedrag van hun kind (10-15 jaar oud)
Het verbeteren van de communicatie tussen ouder en kind ;
Het vergroten van de vaardigheden van ouders om problemen op te lossen.
Oudercursus waarin ouders leren hoe zij problemen of meningsverschillen met hun kind kunnen bespreken. Hoofddoel is het verbeteren van de communicatie tussen ouder en kind en het vergroten van de vaardigheden van ouders om problemen op te lossen. Uiteindelijk is het doel om hiermee een afname van licht externaliserend gedrag bij het kind te bereiken. Het doel is bereikt wanneer ouders in staat zijn conflicten naar tevredenheid aan te pakken en op te lossen.
Onderzoek geeft goede aanwijzingen voor positieve effecten op de kwaliteit van de communicatie van zowel ouders als kinderen. Er zijn echter geen aanwijzingen dat Praten met kinderen gedragsproblemen kan helpen voorkomen.
Lager opgeleide ouders (4-18 jaar) met een migratieachtergrond die spanning ervaren bij het opvoeden in de Nederlandse samenleving
Versterken van het zelfvertrouwen en vaardigheden van ouders
Bevorderen van positieve sociaal-emotionele ontwikkeling
Verminderen van Probleemgedrag
Individuele opvoedtraining aan huis. Een gezinscoach met dezelfde cultuur- en taalachtergrond ondersteunt ouders vraaggericht en coachend. In het eerste deel wordt de opvoedsituatie van de ouders versterkt, met oog voor de Nederlandse en de eigen opvoedidealen. Het tweede deel richt zich op het aanleren en oefenen van opvoedvaardigheden. Dit gebeurt aan de hand van meerdere werkvormen, zoals kleine opdrachten en rollenspelen. De interventie duurt gemiddeld 46 weken, waarbij er gemiddeld 23 huisbezoeken plaatsvinden. Daarnaast is er een periode van nazorg van 3 maanden.
Er zijn enkele procesevaluaties uitgevoerd: de ondervraagde ouders en de coaches rapporteerden verbeteringen in het gezinsfunctioneren en de opvoeding.
Ouders van kinderen van 11 tot 16 jaar zonder ernstige problemen.
Versterken van de opvoedcompetentie van ouders van pubers.
Verbeteren van de ouder-kind interactie.
Oudercursus om te leren omgaan met de uitdagingen die de puberteit met zich meebrengt. De cursus beoogt het zelfvertrouwen en de competentie van ouders versterken door het normaliseren van opvoedingsvragen en het aanreiken van bij deze nieuwe ontwikkelingsfase passende opvoedingsvaardigheden. In de zes cursusbijeenkomsten staat er telkens een ander onderwerp of opvoedings- vaardigheid centraal. Vaardigheden worden besproken en geoefend in een rollenspel Ook het uitwisselen van ervaringen is een belangrijk onderdeel van de cursus.
Er zijn enkele procesevaluaties uitgevoerd: ouders rapporteerden op een vragenlijst verbeteringen in op hun opvoedgedrag en een beter contact met hun zoon/dochter.
Kinderen 5 tot en met 17 jaar in het PO, VO en speciaal onderwijs
Bevorderen van sociaal gedrag en het verminderen van gedragsproblemen
Schoolbreed programma gericht op het bevorderen van sociaal gedrag en het verminderen van gedragsproblemen bij leerlingen. Dit doel wordt bereikt via een driejarige systematische en gelaagde gedragsaanpak die bestaat uit het schoolbreed en preventief toepassen van gedragsbeïnvloedende technieken, het schoolbreed registreren/signaleren van ongewenst gedrag en het op maat inzetten van bestaande interventies voor leerlingen met risicovol gedrag.
Er is veel internationaal onderzoek naar SWPBS gedaan, met name bij kinderen in de basisschoolleeftijd. Effecten gevonden voor
kinderen van 13 tot en met 17 jaar; in het tweede en derde leerjaar in het VO
Het bevorderen van prosociaal gedrag van de leerlingen en verminderen of voorkomen van probleemgedrag (externaliserende én internaliserend problemen).
Lesprogramma voor het VO (jaar 2 en 3) met een basisgedeelte van 17 lessen (50 min) en drie extra modules van ieder drie lessen. De leerlingen leren eerst het adequaat herkennen, benoemen en omgaan met gedachten, gevoelens en gedragingen. Vervolgens leren ze deze algemene vaardigheden toe te passen in conflictsituaties. Thema’s die aan bod komen zijn weerbaarheid, conflicten tussen leerling, leraar of medeleerling, conflicten tussen leerling en ouders, roddelen, gepest worden en pesten, loverboys en seksualiteit. Het programma wordt gegeven door docenten van de school.
Internationale meta-analyes laten effecten zien op gedragsproblemen (zowel externaliserend als internaliserend), verbeterde schoolprestaties, zelfbeeld en sociale vaardigheden. Nederlands onderzoek laat positieve resultaten zien, maar het betreft nog kleinschalige studies.
VMBO leerlingen in de eerste twee leerjaren (11-14 jaar)
Het vergroten van sociale competenties van de leerlingen om zo probleemgedrag te voorkomen
Lesprogramma voor het VMBO (jaar 1 en 2) waarbij tijdens gymnastieklessen via themalessen gewerkt wordt aan de bewustwording van het gedrag en aan attitude- en gedragsverandering. Thema’s die aan bod komen zijn: besef van jezelf; zelfhantering; besef van de ander; hanteren van relaties; keuzes kunnen maken. Er is ook aandacht voor het voorkomen en tegengaan van pesten. De interventie wordt gegeven in het gymlokaal, door docenten Lichamelijke Opvoeding, getraind in KiC.
Evaluaties laten zien dat pestgedrag en conflicten op school afnemen en een toename van zelfinzicht en empathie
Jongeren van 13 tot en met 25 jaar (op het VO en MBO)
Mentale fitheid versterken en depressie voorkomen
Lesprogramma om de mentale fitheid van jongeren op het vmbo en mbo te versterken en depressieklachten te voorkomen. Na een klassikale introductieles vullen de jongeren in de klas een online vragenlijst is om depressiesymptomen te meten. Aansluitend volgen ze twee e-lessen die jongeren stimuleert om na te denken over waar ze (minder) gelukkig van worden en hun contact met anderen, hun toekomstdromen en de oplosbaarheid van problemen. In een afsluitende klassikale les kijken jongeren terug op wat ze hebben geleerd. Na de lessen krijgen de jongeren in een afsluitend persoonlijk gesprek met de trainer een persoonlijk advies. De trainer kan verwijzen naar aanvullende hulp.
Pilot studies van o.a. Trimbos Instituut laten deze resultaten zien
Vermindering in depressieve klachten (gemeten via zelfrapportage)
Vergroting van zelfinzicht en motivatie om hulp te zoeken
Referenties
[1] Zeijl, Crone, Wiefferink, Keuzenkamp, Reijneveld. Kinderen in Nederland SCP/TNO 2015
[2] Huisman J., Flapper B.C.T., Kalverdijk L.J., L’Hoir M.P., van Weel E.A.F.. Gedragsproblemen bij kinderen 2010
[4] Klein Velderman M, Crone MR, Wiefferink CH, Reijneveld SA. Identification and management of psychosocial problems among toddlers by preventive child health care professionals European Journal of Public Health 2009;20(3):332
[5] Arslan İB, Lucassen N, van Lier PAC, de Haan AD, Prinzie P. Early childhood internalizing problems, externalizing problems and their co-occurrence and (mal)adaptive functioning in emerging adulthood: a 16-year follow-up study Soc Psychiatry Psychiatr Epidemiol 2021/02/;56(2):193
[6] Reijneveld SA, Vogels AGC, Hoekstra F, Crone MR. Use of the Pediatric Symptom Checklist for the detection of psychosocial problems in preventive child healthcare BMC Public Health 2006/07/27;6():197
[7] Theunissen MH, de Wolff MS, Reijneveld SA. The Strengths and Difficulties Questionnaire Self-Report: A Valid Instrument for the Identification of Emotional and Behavioral Problems Academic Pediatrics 2019;19(4):471
[8] Kemper H.C.G.. Gezondheid van jongeren en jongvolwassenen in Nederland vanuit het perspectief van de voeding Informatorium voor Voeding en Diëtetiek 2013
[9] Gutman LM, Codiroli McMaster N. Gendered Pathways of Internalizing Problems from Early Childhood to Adolescence and Associated Adolescent Outcomes J Abnorm Child Psychol 2020/05/;48(5):703
[10] Zahn-Waxler C, Shirtcliff EA, Marceau K. Disorders of Childhood and Adolescence: Gender and Psychopathology Annual Review of Clinical Psychology 2008;4(1):275
[11] Kerr DCR, Lopez NL, Olson SL, Sameroff AJ. Parental Discipline and Externalizing Behavior Problems in Early Childhood: The Roles of Moral Regulation and Child Gender Journal of Abnormal Child Psychology 2004;32(4):369
[12] Bannink R., Broeren S., Heydelberg J., van ’t Klooster E., van Baar C., Raat H.. Proces- en effectevaluatie van een extra contactmoment in het mbo (Your Health) om de gezondheid en het gedrag van adolescenten te bevorderen JGZ Tijdschrift voor jeugdgezondheidszorg 2015;47(2):29
[13] Boer, van Dorsselaer, de Looze, de Roos, Brons, van den Eijnden, Stevens. HBSC 2021. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland. 2022
[14] Zijlmans J, Luijten M, van Oers H, Tieskens J, Alrouh H, Haverman L, Bartels M, Popma A, Polderman TJ. 3.78 Mental Health Problems During the COVID-19 Pandemic in Dutch Children and Adolescents With and Without Pre-existing Mental Health Problems Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry 2022;61(10):S253
[15] van Oers HA, Alrouh H, Tieskens JM, Luijten MAJ, de Groot R, Broek E, van der Doelen D, Klip H, De Meyer R, van der Mheen M, Ruisch IH, van den Berg G, Bruining H, Buitelaar J, van der Rijken R, Hoekstra PJ, Kleinjan M, Lindauer R, Oostrom KJ, Staal W, Vermeiren R, Cornet R, Haverman L, Popma A, Bartels M, Polderman TJC, Zijlmans J. Changes in child and adolescent mental health across the COVID-19 pandemic (2018-2023): Insights from general population and clinical samples in the Netherlands JCPP Adv 2023/12/14;4(3):e12213
[17] Kraemer HC, Stice E, Kazdin A, Offord D, Kupfer D. How Do Risk Factors Work Together? Mediators, Moderators, and Independent, Overlapping, and Proxy Risk Factors American Journal of Psychiatry 2001;158(6):848
[18] van Baar AL, Vermaas J, Knots E, de Kleine MJK, Soons P. Functioning at School Age of Moderately Preterm Children Born at 32 to 36 Weeks' Gestational Age Pediatrics 2009;124(1):251
[19] Reijneveld SA, de Kleine MJK, van Baar AL, Kollée LAA, Verhaak CM, Verhulst FC, Verloove-Vanhorick SP. Behavioural and emotional problems in very preterm and very low birthweight infants at age 5 years Arch Dis Child Fetal Neonatal Ed 2006/11/;91(6):F423
[20] Arpi E, Ferrari F. Preterm birth and behaviour problems in infants and preschool‐age children: a review of the recent literature Developmental Medicine & Child Neurology 2013;55(9):788
[21] Talge NM, Holzman C, Wang J, Lucia V, Gardiner J, Breslau N. Late-Preterm Birth and Its Association With Cognitive and Socioemotional Outcomes at 6 Years of Age Pediatrics 2010;126(6):1124
[22] Potijk MR, de Winter AF, Bos AF, Kerstjens JM, Reijneveld SA. Higher rates of behavioural and emotional problems at preschool age in children born moderately preterm Archives of Disease in Childhood 2011;97(2):112
[23] Fernández de Gamarra-Oca L, Ojeda N, Gómez-Gastiasoro A, Peña J, Ibarretxe-Bilbao N, García-Guerrero MA, Loureiro B, Zubiaurre-Elorza L. Long-Term Neurodevelopmental Outcomes after Moderate and Late Preterm Birth: A Systematic Review The Journal of Pediatrics 2021;237():168
[24] Allotey J, Zamora J, Cheong‐See F, Kalidindi M, Arroyo‐Manzano D, Asztalos E, van der Post JAM, Mol BW, Moore D, Birtles D, Khan KS, Thangaratinam S. Cognitive, motor, behavioural and academic performances of children born preterm: a meta‐analysis and systematic review involving 64 061 children BJOG: An International Journal of Obstetrics & Gynaecology 2017;125(1):16
[25] Wu Y-C, Hsieh W-S, Hsu C-H, Chang J-H, Chou H-C, Hsu H-C, Chiu N-C, Lee W-T, Chen W-J, Ho Y-W, Jeng S-F. Intervention effects on emotion regulation in preterm infants with very low birth weight: A randomize controlled trial Research in Developmental Disabilities 2016;48():1
[26] Goldsmith HH, Buss AH, Plomin R, Rothbart MK, Thomas A, Chess S, Hinde RA, McCall RB. Roundtable: What Is Temperament? Four Approaches Child Development 1987;58(2):505
[27] Goodnight JA, Donahue KL, Waldman ID, Van Hulle CA, Rathouz PJ, Lahey BB, D'Onofrio BM. Genetic and Environmental Contributions to Associations between Infant Fussy Temperament and Antisocial Behavior in Childhood and Adolescence Behav Genet 2016/09/;46(5):680
[28] TEERIKANGAS OM, ARONEN ET, MARTIN RP, HUTTUNEN MO. Effects of Infant Temperament and Early Intervention on the Psychiatric Symptoms of Adolescents Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry 1998;37(10):1070
[29] SCHWARTZ CE, SNIDMAN NANCY, KAGAN JEROME. Adolescent Social Anxiety as an Outcome of Inhibited Temperament in Childhood Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry 1999;38(8):1008
[30] Caspi A, Henry B, McGee RO, Moffitt TE, Silva PA. Temperamental Origins of Child and Adolescent Behavior Problems: From Age Three to Age Fifteen Child Development 1995;66(1):55
[31] Berdan LE, Keane SP, Calkins SD. Temperament and externalizing behavior: social preference and perceived acceptance as protective factors Dev Psychol 2008/07/;44(4):957
[32] Biederman J, Faraone SV, Hirshfeld-Becker DR, Friedman D, Robin JA, Rosenbaum JF. Patterns of Psychopathology and Dysfunction in High-Risk Children of Parents With Panic Disorder and Major Depression American Journal of Psychiatry 2001;158(1):49
[33] Bayer JK, Ukoumunne OC, Lucas N, Wake M, Scalzo K, Nicholson JM. Risk Factors for Childhood Mental Health Symptoms: National Longitudinal Study of Australian Children Pediatrics 2011;128(4):e865
[35] Runions KC, Vithiatharan R, Hancock K, Lin A, Brennan-Jones CG, Gray C, Payne D. Chronic health conditions, mental health and the school: A narrative review Health Education Journal 2019;79(4):471
[36] Buckley N, Glasson EJ, Chen W, Epstein A, Leonard H, Skoss R, Jacoby P, Blackmore AM, Srinivasjois R, Bourke J, Sanders RJ, Downs J. Prevalence estimates of mental health problems in children and adolescents with intellectual disability: A systematic review and meta-analysis Australian & New Zealand Journal of Psychiatry 2020;54(10):970
[37] Totsika V, Liew A, Absoud M, Adnams C, Emerson E. Mental health problems in children with intellectual disability The Lancet Child & Adolescent Health 2022;6(6):432
[38] Kaptein S., Jansen DEMC, Vogels AGC, Reijneveld SA. Mental health problems in children with intellectual disability: use of the Strengths and Difficulties Questionnaire Journal of Intellectual Disability Research 2007;52(2):125
[39] Oeseburg B., Jansen DEMC, Groothoff JW, Dijkstra GJ, Reijneveld SA. Emotional and behavioural problems in adolescents with intellectual disability with and without chronic diseases Journal of Intellectual Disability Research 2009;54(1):81
[40] Glasson EJ, Buckley N, Chen W, Leonard H, Epstein A, Skoss R, Jacoby P, Blackmore AM, Bourke J, Downs J. Systematic Review and Meta-analysis: Mental Health in Children With Neurogenetic Disorders Associated With Intellectual Disability Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry 2020;59(9):1036
[41] Wakefield CE, McLoone J., Goodenough B., Lenthen K., Cairns DR, Cohn RJ. The Psychosocial Impact of Completing Childhood Cancer Treatment: A Systematic Review of the Literature Journal of Pediatric Psychology 2009;35(3):262
[43] DE COCK S, DE GROOTE I, VAN ZANDWEGHE C, BAL S. Het diagnostische classificatiesysteem voor baby’s en peuters: hulpmiddel in de zorg voor jonge kinderen met psychische problemen Tijdschrift voor Geneeskunde 2015
[44] Dolan CV, Geels L, Vink JM, van Beijsterveldt CEM, Neale MC, Bartels M, Boomsma DI. Testing Causal Effects of Maternal Smoking During Pregnancy on Offspring's Externalizing and Internalizing Behavior Behav Genet 2016/05/;46(3):378
[45] Ashford J, Smit F, Van Lier PA, Cuijpers P, Koot HM. Early risk indicators of internalizing problems in late childhood: a 9‐year longitudinal study Journal of Child Psychology and Psychiatry 2008;49(7):774
[46] Monshouwer K, Huizink AC, Harakeh Z, Raaijmakers QA, Reijneveld SA, Oldehinkel AJ, Verhulst FC, Vollebergh WA. Prenatal Smoking Exposure and the Risk of Behavioral Problems and Substance Use in Adolescence: the TRAILS Study European Addiction Research 2011;17(6):342
[47] Motlagh MG, Sukhodolsky DG, Landeros-Weisenberger A, Katsovich L, Thompson N, Scahill L, King RA, Peterson BS, Schultz RT, Leckman JF. Adverse effects of heavy prenatal maternal smoking on attentional control in children with ADHD J Atten Disord 2011/10/;15(7):593
[48] Alvik A, Aalen OO, Lindemann R. Early Fetal Binge Alcohol Exposure Predicts High Behavioral Symptom Scores in 5.5‐Year‐Old Children Alcoholism: Clinical and Experimental Research 2013;37(11):1954
[49] Roncero C, Valriberas-Herrero I, Mezzatesta-Gava M, Villegas JL, Aguilar L, Grau-López L. Cannabis use during pregnancy and its relationship with fetal developmental outcomes and psychiatric disorders. A systematic review Reprod Health 2020/02/17;17(1):25
[50] Madigan S, Oatley H, Racine N, Fearon RP, Schumacher L, Akbari E, Cooke JE, Tarabulsy GM. A Meta-Analysis of Maternal Prenatal Depression and Anxiety on Child Socioemotional Development Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry 2018;57(9):645
[52] Lahtela H, Flykt M, Nolvi S, Kataja E-L, Eskola E, Tervahartiala K, Pelto J, Carter AS, Karlsson H, Karlsson L, Korja R. Mother–Infant Interaction and Maternal Postnatal Psychological Distress Associate with Child’s Social-Emotional Development During Early Childhood: A FinnBrain Birth Cohort Study Child Psychiatry & Human Development 2024
[53] Abubakar I, Aldridge R, Devakumar D, Orcutt M. 1.8-W1Research from the UCL-Lancet Commission on migration and health European Journal of Public Health 2018;28(suppl_1):
[54] de Leeuw AE, Ester WA, Bolhuis K, Hoek HW, Jansen PW. Maternal Migration, Prenatal Stress and Child Autistic Traits: Insights From a Population-Based Cohort Study Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry 2025;64(1):41
[55] Molenaar N.M., Tiemeier H., van Rossum E.F.C., Hillegers M.H.J., Bockting C.L.H., Hoogendijk W.J.G., van den Akker E.L., Lambregtse-van den Berg M.P., El Marroun H.. Prenatal maternal psychopathology and stress and offspring HPA axis function at 6 years Psychoneuroendocrinology 2019;99():120
[58] Thorup AA, Laursen TM, Munk-Olsen T, Ranning A, Mortensen PB, Plessen KJ, Nordentoft M. Incidence of child and adolescent mental disorders in children aged 0-17 with familial high risk for severe mental illness - A Danish register study Schizophrenia Research 2018;197():298
[60] Clark DB, Cornelius J, Wood DS, Vanyukov M. Psychopathology risk transmission in children of parents with substance use disorders Am J Psychiatry 2004/04/;161(4):685
[61] Cuijpers P, Langendoen Y, Bijl RV. Psychiatric disorders in adult children of problem drinkers: prevalence, first onset and comparison with other risk factors Addiction 1999;94(10):1489
[62] Goodman SH, Rouse MH, Connell AM, Broth MR, Hall CM, Heyward D. Maternal Depression and Child Psychopathology: A Meta-Analytic Review Clinical Child and Family Psychology Review 2011;14(1):1
[63] McLaughlin KA, Gadermann AM, Hwang I, Sampson NA, Al-Hamzawi A, Andrade LH, Angermeyer MC, Benjet C, Bromet EJ, Bruffaerts R, Caldas-de-Almeida JM, de Girolamo G, de Graaf R, Florescu S, Gureje O, Haro JM, Hinkov HR, Horiguchi I, Hu C, Karam AN, Kovess-Masfety V, Lee S, Murphy SD, Nizamie SH, Posada-Villa J, Williams DR, Kessler RC. Parent psychopathology and offspring mental disorders: results from the WHO World Mental Health Surveys Br J Psychiatry 2012/04/;200(4):290
[64] HIPWELL AE, GOOSSENS FA, MELHUISH EC, KUMAR R.. Severe maternal psychopathology and infant–mother attachment Development and Psychopathology 2000;12(2):157
[65] Flouri E, Tzavidis N, Kallis C. Adverse life events, area socioeconomic disadvantage, and psychopathology and resilience in young children: the importance of risk factors’ accumulation and protective factors’ specificity European Child & Adolescent Psychiatry 2009;19(6):535
[66] Halligan SL, Murray L, Martins C, Cooper PJ. Maternal depression and psychiatric outcomes in adolescent offspring: A 13-year longitudinal study Journal of Affective Disorders 2007;97(1-3):145
[69] Herbert SD, Harvey EA, Lugo-Candelas CI, Breaux RP. Early fathering as a predictor of later psychosocial functioning among preschool children with behavior problems J Abnorm Child Psychol 2013/07/;41(5):691
[70] Sieh DS, Meijer AM, Oort FJ, Visser-Meily JMA, Van der Leij DAV. Problem behavior in children of chronically ill parents: a meta-analysis Clin Child Fam Psychol Rev 2010/12/;13(4):384
[72] Visser A, Huizinga GA, van der Graaf WT, Hoekstra HJ, Hoekstra-Weebers JE. The impact of parental cancer on children and the family: a review of the literature Cancer Treatment Reviews 2004;30(8):683
[73] Myhre MC, Dyb GA, Wentzel-Larsen T, Grøgaard JB, Thoresen S. Maternal childhood abuse predicts externalizing behaviour in toddlers: A prospective cohort study Scandinavian Journal of Public Health 2013;42(3):263
[74] Plant DT, Barker ED, Waters CS, Pawlby S, Pariante CM. Intergenerational transmission of maltreatment and psychopathology: the role of antenatal depression Psychol Med 2013/03/;43(3):519
[76] Zijlstra A, Joosten D, van Nieuwenhuijzen M, de Castro BO. The first 1001 days: A scoping review of parenting interventions strengthening good enough parenting in parents with intellectual disabilities Journal of Intellectual Disabilities 2023
[77] Coren E, Thomae M, Hutchfield J. Parenting Training for Intellectually Disabled Parents: A Cochrane Systematic Review Research on Social Work Practice 2011;21(4):432
[78] Hindmarsh G, Llewellyn G, Emerson E. The Social‐Emotional Well‐Being of Children of Mothers with Intellectual Impairment: A Population‐Based Analysis Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities 2016;30(3):469
[79] Willems DL, De Vries J.‐N., Isarin J., Reinders JS. Parenting by persons with intellectual disability: an explorative study in the Netherlands Journal of Intellectual Disability Research 2007;51(7):537
[80] Ranson KE, Urichuk LJ. The effect of parent–child attachment relationships on child biopsychosocial outcomes: a review Early Child Development and Care 2008;178(2):129
[81] Groh AM, Roisman GI, van IJzendoorn MH, Bakermans‐Kranenburg MJ, Fearon RP. The Significance of Insecure and Disorganized Attachment for Children’s Internalizing Symptoms: A Meta‐Analytic Study Child Development 2012;83(2):591
[82] Fearon RP, Bakermans‐Kranenburg MJ, Van IJzendoorn MH, Lapsley A, Roisman GI. The Significance of Insecure Attachment and Disorganization in the Development of Children’s Externalizing Behavior: A Meta‐Analytic Study Child Development 2010;81(2):435
[83] Lanjekar PD, Joshi SH, Lanjekar PD, Wagh V. The Effect of Parenting and the Parent-Child Relationship on a Child's Cognitive Development: A Literature Review Cureus 2022/10/22;14(10):e30574
[84] Cabaj JL, McDonald SW, Tough SC. Early childhood risk and resilience factors for behavioural and emotional problems in middle childhood BMC Pediatr 2014/07/01;14():166
[85] Velders FP, Dieleman G, Henrichs J, Jaddoe VWV, Hofman A, Verhulst FC, Hudziak JJ, Tiemeier H. Prenatal and postnatal psychological symptoms of parents and family functioning: the impact on child emotional and behavioural problems Eur Child Adolesc Psychiatry 2011/07/;20(7):341
[87] Albanese AM, Russo GR, Geller PA. The role of parental self‐efficacy in parent and child well‐being: A systematic review of associated outcomes Child: Care, Health and Development 2019;45(3):333
[88] Bot M., de Leeuw den Bouter BJE, Adriaanse MC. Prevalence of psychosocial problems in Dutch children aged 8–12 years and its association with risk factors and quality of life Epidemiology and Psychiatric Sciences 2011;20(4):357
[89] Ezpeleta L, Granero R, de la Osa N, Domènech JM. Risk factor clustering for psychopathology in socially at-risk Spanish children Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology 2008;43(7):559
[90] van Dijk R, van der Valk IE, Deković M, Branje S. A meta-analysis on interparental conflict, parenting, and child adjustment in divorced families: Examining mediation using meta-analytic structural equation models Clinical Psychology Review 2020;79():101861
[91] Timmermans M., van Lier PAC, Koot HM. The role of stressful events in the development of behavioural and emotional problems from early childhood to late adolescence Psychological Medicine 2010;40(10):1659
[92] Reijneveld SA, Brugman E, Verhulst FC, Verloove-Vanhorick SP. Area deprivation and child psychosocial problems Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology 2005;40(1):18
[93] Reijneveld SA, Veenstra R, de Winter AF, Verhulst FC, Ormel J, de Meer G. Area Deprivation Affects Behavioral Problems of Young Adolescents in Mixed Urban and Rural Areas: The TRAILS Study Journal of Adolescent Health 2010;46(2):189
[94] Oswald TK, Rumbold AR, Kedzior SGE, Moore VM. Psychological impacts of "screen time" and "green time" for children and adolescents: A systematic scoping review PLoS One 2020/09/04;15(9):e0237725
[95] Kasturiratna KTAS, Hartanto A, Chen CHY, Tong EMW, Majeed NM. Umbrella review of meta-analyses on the risk factors, protective factors, consequences and interventions of cyberbullying victimization Nature Human Behaviour 2024
[96] Keles B, McCrae N, Grealish A. A systematic review: the influence of social media on depression, anxiety and psychological distress in adolescents International Journal of Adolescence and Youth 2019;25(1):79
[97] Twenge JM, Campbell WK. Associations between screen time and lower psychological well-being among children and adolescents: Evidence from a population-based study Prev Med Rep 2018/10/18;12():271
[98] Santos RMS, Mendes CG, Sen Bressani GY, de Alcantara Ventura S, de Almeida Nogueira YJ, de Miranda DM, Romano-Silva MA. The associations between screen time and mental health in adolescents: a systematic review BMC Psychol 2023/04/20;11(1):127
[99] Eirich R, McArthur BA, Anhorn C, McGuinness C, Christakis DA, Madigan S. Association of Screen Time With Internalizing and Externalizing Behavior Problems in Children 12 Years or Younger: A Systematic Review and Meta-analysis JAMA Psychiatry 2022/05/01;79(5):393
[100] Peverill M, Dirks MA, Narvaja T, Herts KL, Comer JS, McLaughlin KA. Socioeconomic status and child psychopathology in the United States: A meta-analysis of population-based studies Clin Psychol Rev 2021/02/;83():101933
[101] Rijlaarsdam J, Stevens GWJM, van der Ende J, Hofman A, Jaddoe VWV, Mackenbach JP, Verhulst FC, Tiemeier H. Economic disadvantage and young children's emotional and behavioral problems: mechanisms of risk J Abnorm Child Psychol 2013/01/;41(1):125
[102] Taggart L., Taylor D., McCrum-Gardner E.. Individual, life events, family and socio-economic factors associated with young people with intellectual disability and with and without behavioural/emotional problems Journal of Intellectual Disabilities 2010;14(4):267
[103] Crone MR, Bekkema N, Wiefferink CH, Reijneveld SA. Professional Identification of Psychosocial Problems among Children from Ethnic Minority Groups: Room for Improvement The Journal of Pediatrics 2010;156(2):277
[104] Janssen MMM, Verhulst FC, Bengi-Arslan L, Erol N, Salter CJ, Crijnen AAM. Comparison of self-reported emotional and behavioral problems in Turkish immigrant, Dutch and Turkish adolescents Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology 2004;39(2):133
[106] Fazel M, Reed RV, Panter-Brick C, Stein A. Mental health of displaced and refugee children resettled in high-income countries: risk and protective factors The Lancet 2012;379(9812):266
[108] Garcia-Reid P, Peterson CH, Reid RJ, Peterson NA. The Protective Effects of Sense of Community, Multigroup Ethnic Identity, and Self-Esteem Against Internalizing Problems Among Dominican Youth: Implications for Social Workers Social Work in Mental Health 2013;11(3):199
[109] Whittaker JEV, Harden BJ, See HM, Meisch AD, Westbrook TR. Family risks and protective factors: Pathways to Early Head Start toddlers’ social–emotional functioning Early Childhood Research Quarterly 2011;26(1):74
[110] Oliva A, Jiménez JM, Parra Á. Protective effect of supportive family relationships and the influence of stressful life events on adolescent adjustment Anxiety, Stress & Coping 2009;22(2):137
[111] Hogye SI, Lucassen N, Jansen PW, Schuurmans IK, Keizer R. Cumulative Risk and Internalizing and Externalizing Problems in Early Childhood: Compensatory and Buffering Roles of Family Functioning and Family Regularity Adversity and Resilience Science 2022;3(2):149
[112] Buchanan M, Walker G, Boden JM, Mansoor Z, Newton-Howes G. Protective factors for psychosocial outcomes following cumulative childhood adversity: systematic review BJPsych Open 2023/10/19;9(6):e197
[113] Zhou Z, Cheng Q. Relationship between online social support and adolescents’ mental health: A systematic review and meta‐analysis Journal of Adolescence 2022;94(3):281
[114] Wright M, Reitegger F, Cela H, Papst A, Gasteiger-Klicpera B. Interventions with Digital Tools for Mental Health Promotion among 11-18 Year Olds: A Systematic Review and Meta-Analysis J Youth Adolesc 2023/04/;52(4):754
[115] Ridout B, Campbell A. The Use of Social Networking Sites in Mental Health Interventions for Young People: Systematic Review J Med Internet Res 2018/12/18;20(12):e12244
[116] Heberle AE, Krill SC, Briggs-Gowan MJ, Carter AS. Predicting externalizing and internalizing behavior in kindergarten: examining the buffering role of early social support J Clin Child Adolesc Psychol 2015;44(4):640
[117] Astill RG, Van der Heijden KB, Van IJzendoorn MH, Van Someren EJW. Sleep, cognition, and behavioral problems in school-age children: A century of research meta-analyzed. Psychological Bulletin 2012;138(6):1109
[118] Lindsay G, Dockrell JE, Strand S. Longitudinal patterns of behaviour problems in children with specific speech and language difficulties: Child and contextual factors British Journal of Educational Psychology 2007;77(4):811
[119] Veldman K, Bültmann U, Stewart RE, Ormel J, Verhulst FC, Reijneveld SA. Mental health problems and educational attainment in adolescence: 9-year follow-up of the TRAILS study PLoS One 2014/07/21;9(7):e101751
[121] McCrory E, De Brito SA, Viding E. Research Review: The neurobiology and genetics of maltreatment and adversity Journal of Child Psychology and Psychiatry 2010;51(10):1079
[122] Teicher MH, Andersen SL, Polcari A, Anderson CM, Navalta CP, Kim DM. The neurobiological consequences of early stress and childhood maltreatment Neuroscience & Biobehavioral Reviews 2003;27(1-2):33
[123] Reef J., Diamantopoulou S., Van Meurs I., Verhulst F., Van Der Ende J.. Child to adult continuities of psychopathology: a 24‐year follow‐up Acta Psychiatrica Scandinavica 2009;120(3):230
[124] HOFSTRA MB, VAN DER ENDE JAN, VERHULST FC. Child and Adolescent Problems Predict DSM-IV Disorders in Adulthood: A 14-Year Follow-up of a Dutch Epidemiological Sample Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry 2002;41(2):182
[125] Commisso M, Temcheff C, Orri M, Poirier M, Lau M, Côté S, Vitaro F, Turecki G, Tremblay R, Geoffroy M-C. Childhood externalizing, internalizing and comorbid problems: distinguishing young adults who think about suicide from those who attempt suicide Psychological Medicine 2021;53(3):1030
[126] Vergunst F, Commisso M, Geoffroy M-C, Temcheff C, Poirier M, Park J, Vitaro F, Tremblay R, Côté S, Orri M. Association of Childhood Externalizing, Internalizing, and Comorbid Symptoms With Long-term Economic and Social Outcomes JAMA Netw Open 2023/01/03;6(1):e2249568
[127] van Steijn, de Winter, Seijneveld. Stabiliteit en verandering van psychosociale gezondheid en leefstijl bij adolescenten en mogelijkheden voor interventies. Bouwstenen voor het Extra Contactmoment Adolescenten. RUG; UMCG 2014
[129] Koopman-Verhoeff, Jansen, Boomsma, Branje, Oldehinkel, Hillegers. Risicofactoren voor psychische problemen en mogelijke interventies in de jonge jaren: Nederlands cohortonderzoek Tijdschrift voor Psychiatrie 2021
[130] Venneste, Wessels, van den Haak, Pijpers, Feron. Stress bij kinderen: hoe houden we het gezond? NCJ 2019
[132] Romijn, de Graaf, de Jonge. Kwetsbare kinderen: literatuurstudie over verhoogde en onder kinderen van ouders met psychische of verslavingsproblemen. Trimbos 2010
[134] Lalmuanawma, Elizabeth. Psychosocial Issues of Adolescents Living with Single Parent Families. Mizoram University Journal of Humanities and Social Sciences 2022
[135] Raza. The Influence of Family Structures on Child Development: An Interdisciplinary Approach. Journal for Current Sign 2024
[136] Mercier. NIEUW SAMENGESTELDE GEZINNEN: HET VERBAND TUSSEN PERSOONLIJKHEID EN BEÏNVLOEDING IN DE PLUSOUDER-KIND RELATIE. Universiteit Gent. Master thesis 2019
[139] Letourneau, Duffett-Leger, Levac, Watson, Young-Morris. Socioeconomic status and child development: A meta-analysis. Journal of Emotional and Behavioral Disorders 2013
[141] Schlack, Peerenboom, Neuperdt, Junker, Beyer. The effects of mental health problems in childhood and adolescence in young adults: Results of the KiGGS cohort. Journal of Health Monitoring 2021
[142] Kalthoff. Opgroeien en opvoeden in armoede. NJI 2020
[143] Fischer, Tieskens, Luijten, Zijlmans, van Oers, de Groot, Popma. Internalizing problems before and during the COVID-19 pandemic in independent samples of Dutch children and adolescents with and without pre-existing mental health problems European child & adolescent psychiatry 2023
[144] Boer, Verhulst. Kompas Kinder-en Jeugd-psychiatrie. De Tijdstroom, Utrecht 2014
[145] Zhang Q, Wang J, Neitzel A. School-based Mental Health Interventions Targeting Depression or Anxiety: A Meta-analysis of Rigorous Randomized Controlled Trials for School-aged Children and Adolescents Journal of Youth and Adolescence 2023;52(1):195
[146] Cohen KA, Ito S, Ahuvia IL, Yang Y, Zhang Y, Renshaw TL, Larson M, Cook C, Hill S, Liao J. Brief school-based interventions targeting student mental health or well-being: a systematic review and meta-analysis Clinical child and family psychology review 2024;27(3):732
[147] Rastogi S, Cadmus-Bertram L, Meyers L. Psychosocial effects of physical activity interventions for preschoolers, children, and adolescents: role of intervention settings American Journal of Health Promotion 2023;37(4):538
[148] Spruit A, Assink M, van Vugt E, van der Put C, Stams GJ. The effects of physical activity interventions on psychosocial outcomes in adolescents: A meta-analytic review Clinical psychology review 2016;45():56
[149] Achenbach, T. M., McConaughy, S. H., Howell, C. T.. Child/adolescent behavioral and emotional problems: Implications of cross-informant correlations for situational specificity 1987
[150] Armitage, R.. Bullying in children: impact on child health 2021
[151] Belhadj Kouider, E., Koglin, U., Petermann, F.. Emotional and behavioral problems in migrant children and adolescents in Europe: A systematic review 2014
[152] Bolten, M., Nast, I., Skrundz, M., Stadler, C., Hellhammer, D. H., Meinlschmidt, G.. Prenatal programming of emotion regulation: Neonatal reactivity as a differential susceptibility factor moderating the outcome of prenatal cortisol levels 2013
[153] Bontje, M.. Van risicotaxatie naar gezamenlijk inschatten zorgbehoeften (GIZ) Samen met ouders en jeugdigen krachten en behoeften in beeld brengen 2013
[154] Bontje, M. C., de Ronde, R. W., Dubbeldeman, E. M., Kamphuis, M., Reis, R., Crone, M. R.. Parental engagement in preventive youth health care: Effect evaluation 2021
[155] Briggs, R.D., Stettler, E.M., Johnson Silver, E., Schrag, R.D.A., Nayak, M., Chinitz, S., Racine, A.D.. Social-emotional screening for infants and toddlers in primary care 2012
[156] Camerini, A. L., Marciano, L., Carrara, A., Schulz, P. J.. Cyberbullying perpetration and victimization among children and adolescents: A systematic review of longitudinal studies 2020
[157] Christina, S., Magson, N. R., Kakar, V., Rapee, R. M.. The bidirectional relationships between peer victimization and internalizing problems in school-aged children: An updated systematic review and meta-analysis 2021
[163] Fischer, K., Tieskens, J. M., Luijten, M. A. J., Zijlmans, J., van Oers, H. A., de Groot, R., van der Doelen, D., van Ewijk, H., Klip, H., van der Lans, R. M., De Meyer, R., van der Mheen, M., van Muilekom, M. M., Hyun Ruisch, I., Teela, L., van den Berg, G., Bruining, H., van der Rijken, R., Buitelaar, J., … Popma, A.. Internalizing problems before and during the COVID-19 pandemic in independent samples of Dutch children and adolescents with and without pre-existing mental health problems 2023
[164] Flinn, C., McInerney, A., Nearchou, F.. The prevalence of comorbid mental health difficulties in young people with chronic skin conditions: A systematic review and meta-analysis 2024
[165] Geeraert, L., Noortgate van den, W., Grietens, H., Onghena, P.. The effects of early prevention programs for families with young children at risk for physical child abuse and neglect: a meta-analysis 2004
[166] Goodnight, J. A., Donahue, K. L., Waldman, I. D., Van Hulle, C. A., Rathouz, P. J., Lahey, B. B., D’Onofrio, B. M.. Genetic and Environmental Contributions to Associations between Infant Fussy Temperament and Antisocial Behavior in Childhood and Adolescence 2016
[168] Harland, P., Reijneveld, S. A., Brugman, E., Verloove-Vanhorick, S. P., Verhulst, F. C.. Family factors and life events as risk factors for behavioural and emotional problems in children 2002
[169] Heberle, A. E., Krill, S. C., Briggs-Gowan, M. J., Carter, A. S.. Predicting externalizing and internalizing behavior in kindergarten: examining the buffering role of early social support 2015
[172] Kerr, D. C. R., Lopez, N. L., Olson, S. L., Sameroff, A. J.. Parental Discipline and Externalizing Behavior Problems in Early Childhood: The Roles of Moral Regulation and Child Gender 2004
[173] Klasen, F., Otto, C., Kriston, L., Patalay, P., Schlack, R., Ravens-Sieberer, U.. Risk and protective factors for the development of depressive symptoms in children and adolescents: results of the longitudinal BELLA study 2015
[176] Lavigne, J. V., Meyers, K. M., Feldman, M.. Systematic review: classification accuracy of behavioral screening measures for use in integrated primary care settings 2016
[177] Li, C., Cheng, G., Sha, T., Cheng, W., Yan, Y.. The Relationships between Screen Use and Health Indicators among Infants, Toddlers, and Preschoolers: A Meta-Analysis and Systematic Review 2020
[179] Madigan, S., Deneault, A.-A., Duschinsky, R., Bakermans-Kranenburg, M. J., Schuengel, C., van IJzendoorn, M. H., Ly, A., Fearon, R. M. P., Eirich, R., Verhage, M. L.. Maternal and paternal sensitivity: Key determinants of child attachment security examined through meta-analysis. 2024
[180] Madigan, S., Oatley, H., Racine, N., Fearon, R. M. P., Schumacher, L., Akbari, E., Cooke, J. E., Tarabulsy, G. M.. A Meta-Analysis of Maternal Prenatal Depression and Anxiety on Child Socioemotional Development 2018
[182] McGorry, P. D., Mei, C., Dalal, N., Alvarez-Jimenez, M., Blakemore, S. J., Browne, V., Dooley, B., Hickie, I. B., Jones, P. B., McDaid, D., Mihalopoulos, C., Wood, S. J., El Azzouzi, F. A., Fazio, J., Gow, E., Hanjabam, S., Hayes, A., Morris, A., Pang, E., … Killackey, E.. The Lancet Psychiatry Commission on youth mental health 2024
[183] McKenzie Smith, M., Pinto Pereira, S., Chan, L., Rose, C., Shafran, R.. Impact of well-being interventions for siblings of children and young people with a chronic physical or mental health condition: a systematic review and meta-analysis 2018
[184] Metzner, F., Adedeji, A., Wichmann, M. L. Y., Zaheer, Z., Schneider, L., Schlachzig, L., Richters, J., Heumann, S., Mays, D.. Experiences of Discrimination and Everyday Racism Among Children and Adolescents With an Immigrant Background – Results of a Systematic Literature Review on the Impact of Discrimination on the Developmental Outcomes of Minors Worldwide 2022
[185] Mieloo, C. L., Bevaart, F., Donker, M. C., van Oort, F. V., Raat, H., Jansen, W.. Validation of the SDQ in a multi-ethnic population of young children 2014
[186] Moore, S. E., Norman, R. E., Suetani, S., Thomas, H. J., Sly, P. D., Scott, J. G.. Consequences of bullying victimization in childhood and adolescence: A systematic review and meta-analysis 2017
[188] Peverill, M., Dirks, M. A., Narvaja, T., Herts, K. L., Comer, J. S., McLaughlin, K. A.. Socioeconomic status and child psychopathology in the United States: A meta-analysis of population-based studies 2021
[189] Pinquart, M.. Systematic Review: Bullying Involvement of Children With and Without Chronic Physical Illness and/or Physical/Sensory Disability—a Meta-Analytic Comparison With Healthy/Nondisabled Peers 2017
[190] Plant, D. T., Barker, E. D., Waters, C. S., Pawlby, S., Pariante, C. M.. Intergenerational transmission of maltreatment and psychopathology: the role of antenatal depression 2013
[191] Rijlaarsdam, J., Stevens, G. W. J. M., van der Ende, J., Hofman, A., Jaddoe, V. W. V, Mackenbach, J. P., Verhulst, F. C., Tiemeier, H.. Economic disadvantage and young children’s emotional and behavioral problems: mechanisms of risk 2013
[192] Rijnders, M., Vink, R., Bontje, M.. Kraamzorg op maat Gezamenlijk Inschatten Zorgbehoeften (GIZ) in de kraamzorg 2021
[193] Roncero, C., Valriberas-Herrero, I., Mezzatesta-Gava, M., Villegas, J. L., Aguilar, L., Grau-López, L.. Cannabis use during pregnancy and its relationship with fetal developmental outcomes and psychiatric disorders 2020
[194] Rutherford, H. J., Wallace, N. S., Laurent, H. K., Mayes, L. C.. Emotion regulation in parenthood 2015
[195] Sanders, M. R., Mazzucchelli, T. G.. The promotion of self-regulation through parenting interventions 2013
[196] Smits, I. A., Theunissen, M. H., Reijneveld, S. A., Nauta, M. H., Timmerman, M. E.. Measurement invariance of the parent version of the Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) across community and clinical populations 2016
[197] Stevens, G. W. J. M., Vollebergh, W. A. M.. Mental health in migrant children 2008
[199] Theunissen, M. H., de Wolff, M. S., Eekhout, I., van Vulpen, C., Reijneveld, S. A.. A study on the applicability of the Strengths and Difficulties Questionnaire among low-and higher-educated adolescents 2024
[200] Theunissen, M. H., Vogels, A. G., de Wolff, M. S., Reijneveld, S. A.. Characteristics of the strengths and difficulties questionnaire in preschool children 2013
[201] Theunissen, M. H., Vogels, A. G., de Wolff, M. S., Crone, M. R., Reijneveld, S. A.. Comparing three short questionnaires to detect psychosocial problems among 3 to 4-year olds 2015
[202] Wright, M., Reitegger, F., Cela, H., Papst, A., Gasteiger-Klicpera, B.. Interventions with Digital Tools for Mental Health Promotion among 11-18 Year Olds: A Systematic Review and Meta-Analysis 2023
[203] Zeanah, P. D., Stafford, B. S., Nagle, G. A., Rice, T.. Addressing Social-Emotional Development and Infant Mental Health in Early Childhood Systems 2005
[204] Zeijl, E., Crone, M., Wiefferink, K., Keuzenkamp, S., Reijneveld, M.. Kinderen in Nederland 2005
[205] Vogels AGC. The identification by Dutch preventive child health care of children with psychosocial problems: do short questionnaires help? 2008
[206] Theunissen MHC, de Wolff MS, Vogels AGC, Reijneveld SA. Het opsporen van psychosociale problemen bij kinderen in de leeftijd van nul tot en met zes jaar door de jeugdgezondheidszorg JGZ Tijdschrift voor jeugdgezondheidszorg 2014;46(3):46
[207] Lane SJ, Reynolds S, Dumenci L. Sensory overresponsivity and anxiety in typically developing children and children with autism and attention deficit hyperactivity disorder: cause or coexistence? The American Journal of Occupational Therapy 2012;66(5):595
[208] Koning I, Vossen H, Brons H, van den Eijnden R. RICHTLIJN GEZOND SCHERMGEBRUIK 2025
[209] Bjornestad J, Hegelstad WTV, Berg H, Davidson L, Joa I, Johannessen JO, Melle I, Stain HJ, Pallesen S. Social Media and Social Functioning in Psychosis: A Systematic Review J Med Internet Res 2019;21(6):e13957
[210] Renkens J, Rommes E, van den Muijsenbergh M. Refugees’ agency: On resistance, resilience, and resources International journal of environmental research and public health 2022;19(2):806
[211] Kleinjan M, Pieper I, Stevens GWJM, Van de Klundert N, Rombouts M, Boer M, Lammers J. Geluk onder druk?: Onderzoek naar het mentaal welbevinden van jongeren in Nederland 2020
[212] Simeon D, Yehuda R, Cunill R, Knutelska M, Putnam FW, Smith LM. Factors associated with resilience in healthy adults Psychoneuroendocrinology 2007;32(8-10):1149
[213] Sroufe LA. Attachment and development: A prospective, longitudinal study from birth to adulthood Attachment & human development 2005;7(4):349
[214] de Wolff MS, Theunissen MH, Vogels AG, Reijneveld SA. Three questionnaires to detect psychosocial problems in toddlers: a comparison of the BITSEA, ASQ: SE, and KIPPPI Academic pediatrics 2013;13(6):587
[215] Vugteveen J, de Bildt A, Serra M, de Wolff MS, Timmerman ME. Psychometric properties of the Dutch strengths and difficulties questionnaire (SDQ) in adolescent community and clinical populations Assessment 2020;27(7):1476
[216] Mieloo C. Early detection and referral of young children with psychosocial problems in the preventive child health care 2015
[217] Vogels AGC, Siebelink BM, Theunissen MHC, De Wolff MS, Reijneveld SA. Vergelijking van de KIVPA en de SDQ als signaleringsinstrument voor problemen bij adolescenten in de Jeugdgezondheidszorg null: (null) 2011
[218] Reijneveld SA, Vogels AGC, Brugman E, Van Ede J, Verhulst FC, Verloove‐Vanhorick SP. Early detection of psychosocial problems in adolescents: how useful is the Dutch short indicative questionnaire (KIVPA)? The European Journal of Public Health 2003;13(2):152
[219] Cianchetti, C.. Early detection of behavioral and emotional problems in school-aged children and adolescents: the parent questionnaires 2020
[220] Pontoppidan, M., Niss, N. K., Pejtersen, J. H., Julian, M. M., Væver, M. S.. Parent report measures of infant and toddler social-emotional development: a systematic review 2017
[221] Byrne, E. M., Eneberi, A., Barker, B., Grimas, E., Iles, J., Pote, H., ..., O’Farrelly, C. M.. Psychometric properties of the preschool strengths and difficulties questionnaire (SDQ) in UK 1-to-2-year-olds 2024
[222] Patel, J., Smith, R., O’Farrelly, C., Iles, J., Rosan, C., Ryan, R., Ramchandani, P.. Assessing behavior in children aged 12–24 months using the Strengths and Difficulties Questionnaire 2021
[223] Hattangadi, N., Cost, K. T., Birken, C. S., Borkhoff, C. M., Maguire, J. L., Szatmari, P., Charach, A.. Parenting stress during infancy is a risk factor for mental health problems in 3-year-old children 2020
[224] Gustafsson, B. M., Gustafsson, P. A., Proczkowska-Björklund, M.. The Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) for preschool children—a Swedish validation 2016
[226] Staal, I.I.E., Van Stel, H.F., Hermanns, J.M.A., Schrijvers, A.J.P.. Early detection of parenting and developmental problems in young children: nonrandomised comparison of visits to the well-baby clinic with or without a validated interview 2016
[227] Staal, I.I.E., Van Stel, H.F., Hermanns, J.M.A., Schrijvers, A.J.P.. Early detection of parenting and developmental problems in toddlers: a randomized trial of home visits versus well-baby clinic visits in the Netherlands 2015
[228] Staal, I.I.E., Hermanns, J.M.A., Schrijvers, A.J.P., van Stel, H.F.. Vroegsignalering van opvoed- en opgroeiproblemen bij peuters: validiteit en betrouwbaarheid van een gestructureerd interview 2013
[229] Stone, L. L., Janssens, J. M., Vermulst, A. A., Van Der Maten, M., Engels, R. C., Otten, R.. The Strengths and Difficulties Questionnaire: Psychometric properties of the parent and teacher version in children aged 4–7 2015
[230] Vugteveen, J., de Bildt, A., Timmerman, M. E.. Normative data for the self-reported and parent-reported Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) for ages 12–17 2022
[231] Vugteveen, J., de Bildt, A., Theunissen, M., Reijneveld, S. A., Timmerman, M.. Validity aspects of the strengths and difficulties questionnaire (SDQ) adolescent self-report and parent-report versions among Dutch adolescents 2021
[232] Vugteveen, J., Timmerman, M., De Bildt, A., De Wolff, M., Theunissen, M.. SDQ bruikbaar voor jongeren tot achttien jaar: Scores nog beter benutten met'SDQ-profiel' 2020
[233] Vugteveen, J., De Bildt, A., Hartman, C. A., Timmerman, M. E.. Using the Dutch multi-informant Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) to predict adolescent psychiatric diagnoses 2018
[234] Geerlings J., Noordewier Y., Kromhout M., van Kleef N.. Ervaringen en aanpak van pestgedrag tegenover lhbtiq+ jongeren in het voortgezet onderwijs null: (null) 2022
[237] Theunissen MHC. The early detection of psychosocial problems in children aged 0 to 6 years by Dutch preventive child healthcare: professionals and their tools 2013
[238] Vugteveen J. Measurement quality of the Strengths and Difficulties Questionnaire for assessing psychosocial behaviour among Dutch adolescents 2020
[239] Theunissen MH, de Wolff MS, Deurloo JA, Vogels AG, Reijneveld SA. Computerized adaptive testing to screen children for emotional and behavioral problems by preventive child healthcare BMC pediatrics 2020;20(1):119
[240] Brugman E, Reijneveld SA, Verhulst FC, Verloove-Vanhorick SP. Onderkenning van en beleid bij psychosociale problemen in de schoolgezondheidszorg Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2001;145(37):1790
[241] Maciver D, Rutherford M, Arakelyan S, Kramer JM, Richmond J, Todorova L, Romero-Ayuso D, Nakamura-Thomas H, Ten Velden M, Finlayson I. Participation of children with disabilities in school: A realist systematic review of psychosocial and environmental factors PloS one 2019;14(1):e0210511
[242] De Graaf I, Speetjens P, Smit F, De Wolff M, Tavecchio L. Effectiveness of the Triple P Positive Parenting Program on behavioral problems in children: A meta-analysis Behavior modification 2008;32(5):714
[243] Schappin R, De Graaf IM, Reijneveld SA. Effectiviteit van Triple P in Nederland: stand van zaken en controverse Kind en adolescent 2017;38(2):75
[244] Staal IIE. Early detection of parenting and developmental problems in young children: A structured dialogue with parents null: (null) 2016
[245] Ince D, Udo N. Wat werkt in Opvoedingsondersteuning? What works in Parenting Support 2018
[246] van IJzendoorn MH, Schuengel C, Wang Q, Bakermans-Kranenburg MJ. Improving parenting, child attachment, and externalizing behaviors: Meta-analysis of the first 25 randomized controlled trials on the effects of Video-feedback Intervention to promote Positive Parenting and Sensitive Discipline Development and Psychopathology 2023;35(1):241
[247] Bastounis A, Callaghan P, Banerjee A, Michail M. The effectiveness of the Penn Resiliency Programme (PRP) and its adapted versions in reducing depression and anxiety and improving explanatory style: A systematic review and meta-analysis Journal of adolescence 2016;52():37
[248] Sanchez AL, Cornacchio D, Poznanski B, Golik AM, Chou T, Comer JS. The effectiveness of school-based mental health services for elementary-aged children: A meta-analysis Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry 2018;57(3):153
[249] Blossom JB, Jungbluth N, Dillon-Naftolin E, French W. Treatment for Anxiety Disorders in the Pediatric Primary Care Setting Child and Adolescent Psychiatric Clinics 2023;32(3):601
[250] Tuenter T, Van den Berg B, Bastiaanssen I. Tuenter, van den Berg & Bastiaanssen Nederlangs Jeugdinstituur 2021
[251] Ginsburg GS, Silverman WK, Kurtines WK. Family involvement in treating children with phobic and anxiety disorders: A look ahead Clinical Psychology Review 1995;15(5):457
[252] Leahy‐Warren P, McCarthy G, Corcoran P. First‐time mothers: social support, maternal parental self‐efficacy and postnatal depression Journal of clinical nursing 2012;21(3‐4):388
[253] Asscher JJ, Hermanns JM, Deković M. Effectiveness of the Home‐Start parenting support program: Behavioral outcomes for parents and children Infant Mental Health Journal: Official Publication of The World Association for Infant Mental Health 2008;29(2):95
[254] Deković M, Asscher JJ, Hermanns JO, Reitz E, Prinzie P, van den Akker AL. Tracing changes in families who participated in the home-start parenting program: Parental sense of competence as mechanism of change Prevention science 2010;11(3):263
[255] Van Aar JV, Asscher JJ, Zijlstra BJ, Deković M, Hoffenaar PJ. Changes in parenting and child behavior after the home-start family support program: A 10 year follow-up Children and youth services review 2015;53():166
[256] American Psychological Association. Health Advisory on Social Media Use in Adolescence (null) 2023